Vermenging van goden en mensen Hybrid, children from humans with fallen angels, giants, nephilim and Eloyd?

humans skeletons

There were giants

h5303   

נָפִיל nĕphiyl

6:4 הַנְּפִלִים הָיוּ בָאָרֶץ בַּיָּמִים הָהֵם וְגַם אַֽחֲרֵי־כֵן אֲשֶׁר יָבֹאוּ בְּנֵי הָֽאֱלֹהִים אֶל־בְּנֹות הָֽאָדָם וְיָלְדוּ לָהֶם הֵמָּה הַגִּבֹּרִים אֲשֶׁר מֵעֹולָם אַנְשֵׁי הַשֵּֽׁם׃ פ

Genesis 6:
4 There were giants in the earth in those days; and also after that, when the sons H1121 of God came in (having sex) unto the daughters of men, and they bare children to them, the same became mighty men which were of old, men of renown.

 

Yahushua is different

Luke 24:

39 Look at my hands. Look at my feet. You can see that it's really meTouch me and make sure that I am not a ghost, because ghosts don't have bodies, as you see that I do.”

 

For your information there are NO PLANETS .

Read:

2 Kings 23:

5 And he put down the idolatrous priests, whom the kings of Judah had ordained to burn incense in the high places in the cities of Judah, and in the places round about Jerusalem; them also that burned incense unto Baal, to the sun, and to the moon, and to the planets, and to all the host of heaven.

It is BAAL WORSHIP. YHWH made the sun , moon, stars, earth, heaven, sea, plants, animals and man.

 

Genesis 6:

4 There were giants (nĕphiyl) in the earth in those days; and also after that, when the sons H1121 of God (Fallen Angels) came in (having sex) unto the daughters of men, and they bare children to them, the same became mighty (strong) men which were of old (Niphal, desperately wicked, continuous existence, fallen angels) men of renown (famous).

 

2 Peter 2:

4 For if God did not spare angels when they sinned, but cast them into hell and committed them to pits of darkness, reserved for judgment;

 

Judgment Of Fallen Angels

 

Matthew 25:

41 "Then He will also say to those on His left, 'Depart from Me, accursed ones, into the eternal fire which has been prepared for the devil and his (Fallen) angels;

 

Revelation 20:

10 And the devil who deceived them was thrown into the lake of fire and brimstone, where the beast and the false prophet are also; and they will be tormented day and night forever and ever.

 

Ezekiel 28:

16 "By the abundance of your trade You were internally filled with violence, And you sinned; Therefore I have cast you as profane From the mountain of God. And I have destroyed you, O covering cherub, From the midst of the stones of fire.

 

John 12:

31 "Now judgment is upon this world; now the ruler of this world will be cast out.

 

Colossians 2:

15 When He had disarmed the rulers and authorities, He made a public display of them, having triumphed over them through Him.

 

Hebrews 2:

14 Therefore, since the children share in flesh and blood, He Himself likewise also partook of the same, that through death He might render powerless him who had the power of death, that is, the devil,

 

Genesis 3:

15 The LORD God said to the serpent, "Because you have done this, Cursed are you more than all cattle, And more than every beast of the field; On your belly you will go, And dust you will eat All the days of your life;

15 And I will put enmity Between you and the woman, And between your seed and her seed; He shall bruise you on the head, And you shall bruise him on the heel."

 

Revelation 12:

13 And when the dragon saw that he was thrown down to the earth, he persecuted the woman who gave birth to the male child.

 

2 Peter 2:

4 For if God did not spare angels when they sinned, but cast them into hell and committed them to pits of darkness, reserved for judgment;

 

Matthéüs 24:

Vermaning tot waakzaamheid

36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.

37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.

38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;

39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.

40 Alsdan, zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.

41 Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.

42 Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.

43 Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.

44 Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.


Genesis 6:
1 Zo kwamen er steeds meer mensen op aarde, en zij kregen dochters.
De zonen van de god(en) (gevallen engelen) zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden.
3 Toen dacht de HEER: Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven.
4 In die tijd en ook daarna nog, zolang de zonen van de goden gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en kinderen bij hen kregen, leefden de giganten op aarde. Dat zijn de befaamde helden 
(waaronder waarschijnlijk Farao´s: is niet zekeruit het verre verleden.

De afvallige engelen wilden hebben dat wij mensen hun Goden noemden. Want ze voelden zich verheven boven YHWH. Ze zijn niet voor niets op de aarde gekomen en hebben hier vrouwen genomen en hebben kinderen gemaakt. Ze wilden macht hebben over ons mensen. En YHWH heeft daar op een gegeven moment een stokje voor gestoken door de zondvloed. Daarna door met ons een Verbond te sluiten om ons zo te kunnen beschermen en helpen met grote wonderen en tekenen bij de Farao. Dat heeft hij gedaan als voorbeeld voor de eindtijd waarin wij nu al in leven.
God gaf ons daarom regels waar wij ons aan moesten gaan houden wilde Hij ons beschermen tegen de gevallen engelen.

These things are demons. A demon is a kid/giant/nephilim between a fallen angel and a human woman that died at the flood when Noah went on the Ark. So as you can see they are many. You know Egypt and the pharaoh, pyramid/triangles.

 

Handelingen 14
11 En de scharen, ziende, hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaónisch: De goden zijn den mensen gelijk geworden, en tot ons nedergekomen.
11 Toen de mensen zagen wat Paulus had gedaan, verhieven zij hun stem en ze zeiden in het Lykaonisch: ‘De goden zijn in mensengedaante naar ons afgedaald!’
12 
En zij noemden Bárnabas Júpiter, en Paulus Mercúrius, omdat hij het woord voerde.
12 
Ze noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij de woordvoerder was.


Deuteronomium 2

9 Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb.
10 De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.
11 Dezen werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.
12 Ook woonden de Horieten te voren in Seir; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israël gedaan heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk de HEERE hun gegeven heeft.
13 Nu, maakt u op, en trekt over de beek Zered. Alzo trokken wij over de beek Zered.
14 De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het ganse geslacht der krijgslieden uit het midden der heirlegers verteerd was, gelijk de HEERE hun gezworen had.
15 Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren.
16 En het geschiedde, als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende,
17 Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:
18 Gij zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab;
19 En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, dewijl Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.
20 Dit werd ook voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten;
21 Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden;
22 Gelijk als Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seir wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op dezen dag.
23 Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittogen, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.
24 Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, den koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in den strijd.
25 Te dezen dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht der volken, onder den gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht.


Jesaja 45

14 Alzo zegt de HEERE: De arbeid der Egyptenaren en de koophandel der Moren en der Sabeërs, der mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer.15 Voorwaar, Gij zijt een God, Die Zich verborgen houdt, de God Israëls, de Heiland.

1 Samuël 17

David en Goliath
En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azéka, aan het einde van Dammim.
Doch Saul en de mannen van Israël verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.
De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israëlieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.
Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span. (een reus/nefelim)
En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;
En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;
En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.
Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israël, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.
Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.
10 Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
11 Toen Saul en het ganse Israël deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.
12 David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isaï, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
13 En de drie grootste zonen van Isaï gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Elíab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinádab, en de derde Samma.
14 En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.
15 Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.
16 De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang.
17 En Isaï zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broederen.
18 Maar breng deze tien melkkazen aan de overste over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.
19 Saul nu, en zij, en alle mannen van Israël waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.
20 Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isaï hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep.
21 En de Israëlieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.
22 David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.
23 Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtereenvolgens die woorden; en David hoorde ze.
24 Doch alle mannen in Israël, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.
25 En de mannen Israëls zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël.
26 Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?
27 Wederom zeide hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzo zal men den man doen, die hem slaat.
28 Als Elíab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Elíab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.
29 Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?
30 En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtervolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.
31 Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.
32 En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.
33 Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.
34 Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.
35 En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.
36 Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.
37 Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!
38 En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.
39 En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.
40 En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.
41 De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.
42 Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.
43 De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.
44 Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.
45 David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israël, Dien gij gehoond hebt.
46 Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israël een God heeft.
47 En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.
48 En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.
49 En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.
50 Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.
51 Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.
52 Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saäráïm, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
53 Daarna keerden de kinderen Israëls om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.
54 Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.
55 Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.
56 De koning nu zeide: Vraag gij het, wiens zoon deze jongeling is.
57 Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van den Filistijn was in zijn hand.
58 En Saul zeide tot hem: Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, den Bethlehemiet.

 

2 Samuël 21

Filistijnse reuzen gedood
15 Voorts hadden de Filistijnen nog een krijg tegen Israël. En David toog af, en zijn knechten met hem, en streden tegen de Filistijnen, dat David moede werd.
16 En Isbi Benob, die van de kinderen van Rafa was, en het gewicht zijner spies driehonderd gewicht kopers, en hij was aangegord met een nieuw zwaard; deze dacht David te slaan.
17 Maar Abísai, de zoon van Zerúja, hielp hem, en sloeg den Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem de mannen van David, zeggende: Gij zult niet meer met ons uittrekken ten strijde, opdat gij de lamp van Israël niet uitblust.
18 En het geschiedde daarna, dat er wederom een krijg was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Síbbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafa was.
19 Voorts was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen; en Elhanan, de zoon van Jaäré-Oregim, sloeg Beth-halachmi, dewelke was met Goliath, den Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.
20 Nog was er ook een krijg te Gath; en er was een zeer lang man, die zes vingeren had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, en deze was ook aan Rafa geboren.
21 En hij hoonde Israël; maar Jónathan, de zoon van Símea, Davids broeder, sloeg hem.
22 Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijner knechten.

 

1 Kronieken 20

Drie overwinningen op de Filistijnen4 En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten ondergebracht.5 Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, den broeder van Goliath, den Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.6 Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man (reus/Nefelim), en zijn vingeren waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren;7 En hij hoonde Israël, maar Jónathan, de zoon van Símea, den broeder van David, versloeg hem.8 Dezen waren van Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijner knechten.

Hebreeën 11

Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.

Genesis 5

En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

20 Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.

21 En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methúsalach.

22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methúsalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.

24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.

Judas 1

14 En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adamgeprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;15 Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.

2 Petrus 1

19 En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.
20 Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging;
21 Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.

 

2 Timótheüs 3

 

12 En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.

13 Doch de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid.

14 Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt;

15 En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.

16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;

17 Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

 

"The Alien Abduction Diaries" Shocking Truth Behind Alien Hybrid Breeding Full Length Documentary
Starchild Skull- The SHOCKING DNA Results Are In....WATCH THIS! *HD*
Massive UFO Fleet above Earth. (Gevallen engelen, demonen)
UFO over Mexico City

The Books of Enoch


10
1) Then said the Most High, the Holy and Great One spake, and sent Uriel to the son of Lamech, 
2) and said to him: 'Go to Noah and tell him in my name "Hide thyself!" and reveal to him the end that is approaching: that the whole earth will be destroyed, and a deluge is about to come 
3) upon the whole earth, and will destroy all that is on it. And now instruct him that he may escape 
and his seed may be preserved for all the generations of the world.' 
4) And again the Lord said to Raphael: 'Bind Azâzêl hand and foot, and cast him into the darkness: and make an opening 
in the desert, which is in Dûdâêl, and cast him therein. 
5) And place upon him rough and jagged rocks, and cover him with darkness, and let him abide there for ever, and cover his face that he may not see light.
6) And on the day of the great judgement he shall be cast into the fire. 
7) And heal the earth which the angels have corrupted, and proclaim the healing of the earth, that they may heal the plague, and that all the children of men may not perish through all the secret things that the 
8) Watchers have disclosed and have taught their sons. And the whole earth has been corrupted 

9) through the works that were taught by Azâzêl: to him ascribe all sin.' And to Gabriel said the Lord: 'Proceed against the bastards and the reprobates, and against the children of fornication: and destroy [the children of fornication and] the children of the Watchers from amongst men [and cause them to go forth]: send them one against the other that they may destroy each other in
10) battle: for length of days shall they not have. And no request that they (i.e. their fathers) make of thee shall be granted unto their fathers on their behalf; for they hope to live an eternal life, and
11) that each one of them will live five hundred years.' And the Lord said unto Michael: 'Go, bind Semjâzâ and his associates who have united themselves with women so as to have defiled themselves
12) with them in all their uncleanness. And when their sonshave slain one another, and they have seen the destruction of their beloved ones, bind them fast for seventy generations in the valleys of the earth, till the day of their judgement and of their consummation, till the judgement that is
13) for ever and ever is consummated. In those days they shall be led off to the abyss of fire: and
14) to the torment and the prison in which they shall be confined for ever. And whosoever shall be condemned and destroyed will from thenceforth be bound together with them to the end of all
15) generations. And destroy all the spirits of the reprobate and the children of the Watchers, because
16) they have wronged mankind. Destroy all wrong from the face of the earth and let every evil work come to an end: and let the plant of righteousness and truth appear: and it shall prove a blessing; the works of righteousness and truth' shall be planted in truth and joy for evermore.
17) And then shall all the righteous escape, And shall live till they beget thousands of children, And all the days of their youth and their old age Shall they complete in peace.
18) And then shall the whole earth be tilled in righteousness, and shall all be planted with trees and
19) be full of blessing. And all desirable trees shall be planted on it, and they shall plant vines on it: and the vine which they plant thereon shall yield wine in abundance, and as for all the seed which is sown thereon each measure (of it) shall bear a thousand, and each measure of olives shall yield
20) ten presses of oil. And cleanse thou the earth from all oppression, and from all unrighteousness, and from all sin, and from all godlessness: and all the uncleanness that is wrought upon the earth
21) destroy from off the earth. And all the children of men shall become righteous, and all nations
22) shall offer adoration and shall praise Me, and all shall worship Me. And the earth shall be cleansed from all defilement, and from all sin, and from all punishment, and from all torment, and I will never again send (them) upon it from generation to generation and for ever.




The Watchers zonen van YHWH met vrouwen van mensen kregen 3 rassen:

  1. Nephilim/Giants/Je Bad (Children of Fallen Angels with human woman. Book of jubilees)
  2. Ne phal (Fallen Angels)
  3. El Jo (destroyed mankind)

6.6 And they were, in all, two hundred and they came down on Ardis, which is the summit of Mount Hermon. And they called the mountain Hermon because on it they swore and bound one another with curses.

15.1 And He answered me, and said to me with His voice: "Hear! Do not be afraid, Enoch, you righteous man, and scribe of righteousness. Come here and hear my voice.

15.2 And go say to the Watchers of Heaven, who sent you to petition on their behalf: You ought to petition on behalf of men, not men on behalf of you.

15.3 Why have you left the High, Holy and Eternal Heaven, and lain with women, and become unclean with the daughters of men, and taken wives for yourselves, and done as the sons of the earth, and begotten giant sons?

15.4 And you were spiritual, Holy, living an eternal life, but you became unclean upon the women, and begot children through the blood of flesh, and lusted after the blood of men, and produced flesh and blood, as they do, who die and are destroyed. (Vampieren)

15.5 And for this reason I give men wives; so that they might sow seed in them, and so that children might be born by them, so that deeds might be done on the Earth.

15.6 But you, formerly, were spiritual, living an eternal, immortal life, for all the generations of the world.

15.7 For this reason I did not arrange wives for you; because the dwelling of the spiritual ones is in Heaven.

15.8 And now, the giants who were born from body and flesh will be called Evil Spirits on the Earth, and on the Earth will be their dwelling.

15.9 And evil spirits came out from their flesh, because from above they were created, from the Holy Watchers was their origin and first foundation. Evil spirits they will be on Earth and ‘Spirits of the Evil Ones’ they will be called.

15.10 And the dwelling of the Spirits of Heaven is Heaven, but the dwelling of the spirits of the Earth, who were born on the Earth, is Earth.

15.11 And the spirits of the giants do wrong, are corrupt, attack, fight, break on the Earth, and cause sorrow. And they eat no food, do not thirst, and are not observed.

15.12 And these spirits will rise against the sons of men, and against the women, because they came out of them during the days of slaughter and destruction.


16.1 And the death of the giants, wherever the spirits have gone out from their bodies, their flesh will be destroyed, before the Judgment. Thus they will be destroyed until the Day of the Great Consummation is accomplished, upon the Great Age, upon the Watchers and the impious ones."

16.2 And now to the Watchers, who sent you to petition on their behalf, who were formerly in Heaven:

16.3 "You were in Heaven but its secrets had not yet been revealed to you; and a worthless mystery you knew. This you made known to women, in the hardness of your hearts. And through this mystery the women and the men cause evil to increase on the Earth."

16.4 Say to them therefore: "You will not have peace."


19.1 And Uriel said to me: “The spirits of the Angels who were promiscuous with women will stand here; and they, assuming many forms, made men unclean and will lead men astray so that they sacrifice to demons as gods. And they will stand there until the great judgment day, on which they will be judged, so that an end will be made of them.
19.2 And their wives, having led astray the Angels of Heaven, will become peaceful.”
19.3 And I, Enoch, alone saw the sight, the ends of everything; and no man has seen what I have seen.

Hoofdstuk 10

1 Daarna zei de Allerhoogste, de Heilige en Verhevene sprak, en zond Uriël naar de zoon van Lamech,
2 en zei tot hem: 'Ga naar Noach en zeg hem in mijn naam:"Verberg jezelf!" en openbaar hem het einde dat nadert, dat de gehele aarde vernietigd zal worden, en er een zondvloed gaat komen
3 over de gehele aarde, die alles wat op aarde is zal vernietigen. En geef hem dan aanwijzingen, zodat hij kan ontkomen
4 en zijn zaad gespaard mag blijven voor alle generaties van de wereld'.En wederom zei de Heer tot Rafael: 'Bind Azazel bij handen en voeten, en werp hem in de duisternis: en maak een opening
5 in de woestijn, die in Dudael is, en werp hem daarin. En plaats boven hem ruige en scherpe rotsen, en bedek hem met duisternis, en laat hem daar voor alle tijden verblijven, en bedek zijn aangezicht, zodat hij
6 het licht niet kan zien. En op de dag van het grote oordeel zal hij in het vuur geworpenworden. En genees de aarde die de engelen verdorven hebben,
7 en verkondig de genezing van de aarde, opdat zij de pestilentie kunnen helen, en dat alle mensenkinderen niet zullen weg kwijnen door al de geheime dingen die de
8 Wachters ontsluierd en aan hun zonen onderwezen hebben. En de gehele aarde is verdorven geworden
9 door de werken die Azazel heeft onderwezen; schrijf hem alle zonde toe'. En tot Gabriël zei de Heer: 'Trek op tegen de bastaards en de verworpenen, en tegen de kinderen der verkrachting, en vernietig (de kinderen der verkrachtingen) de kinderen van de Wachters vanuit het midden der mensen (en veroorzaak het dat zij weggaan); zend hen de een tegen de ander, zodat zij elkaar zullen vernietigen in de strijd,
10 want zij zullen geen lengte van dagen hebben. En geen verzoek dat zij u zullen doen zal hun vaders terwille van hen toegestaan worden: want zij hopen een leven tot in tijden te hebben en 11 dat elk van hen vijfhonderd jaar zal leven'. En de Heer zei tegen Michael: 'Ga, bind Semjeza en zijn metgezellen, die zich met vrouwen hebben verenigd, zodat zij zich met hen hebben bevlekt
12 in al hun onreinheid. En wanneer hun zonen elkaar hebben afgeslacht, enzij de vernietiging van hun geliefden hebben gezien, bind hen dan vast voor zeventig generaties in de dalen der aarde, tot op de dag van hun oordeel en bestemming, totdat het oordeel dat
13 voor alle tijden is wordt volbracht. In die dagen zullen ze naar de afgrond van vuur worden weggeleid:
14 en naar de pijniging en de gevangenis waarin ze voor alle tijden opgesloten zullen worden. En wie dan ook veroordeeld en vernietigd zal worden zal van dan af aan tezamen met hen gebonden worden tot aanhet einde van alle generaties.
15 En vernietig al de geesten van de verworpene en de kinderen van de Wachters, omdat zij de mensheid slecht gemaakt hebben.
16 Vernietig alle slechtheid van de oppervlakte der aarde en laat elk slecht werk tot een einde komen, en laat de inplanting van rechtvaardigheid en waarheid tevoorschijn komen, en het zal een zegen betekenen; de werken van rechtvaardigheid en waarheid zullen van dan af aan in waarheid en vreugde gezaaid worden. 17. En dan zullen alle rechtvaardigen ontkomen, en zullen leven totdat ze duizende kinderen hebben verwekt, en alle dagen van hun jeugd en hun ouderdom zullen zij in vrede voltooien. 18 En dan zal de gehele aarde in rechtvaardigheid bebouwd worden, en zal geheel met bomen beplant worden
19 en volledig gezegend zijn. En elk soort kostbare boom zal erop geplant worden, en zij zullen er wijngaarden op aanleggen; en de wijngaard die zij erop aanleggen zal wijn in overvloed voortbrengen, en wat betreft alle zaden die erop gezaaid worden, elke maat ervan zal er duizend dragen, en elke maat olijven zal tien persingen
20 olie voortbrengen. En gij moet de aarde reinigen van alle verdrukking, en van alle onrechtvaardigheid, en van alle zonde, en van alle goddeloosheid; en alle onreinheid die er op aarde begaan is 21 verwijder die van de aarde. En alle mensenkinderen zullen rechtvaardig worden, en alle naties 22 zullen hun toewijding schenken en zullen Mij loven, en allen zullen Mij aanbidden. En de aarde zal gereinigd worden van al haar vervuiling, en van elke zonde, en elke 
bestraffing, en elke pijniging, en ik zal die er nooit meer tegen zenden, niet van generatie tot generatie noch tot in aller tijden.

Judas 1

DE ALGEMENE BRIEF VAN DEN APOSTEL JUDAS

Opschrift en groet

Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard:

Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.Over de dwaalleraars

Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.

Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.

Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen, die niet geloofden, verdorven heeft.

En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.

Gelijk Sódoma en Gomórra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.

Desgelijks evenwel ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden.

Maar Michaël, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u!

10 Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich.

11 Wee hun, want zij zijn den weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.

12 Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van den herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;

13 Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.

14 En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;

15 Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.

16 Deze zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil.Vermaning en dankzegging

17 Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus;

18 Dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.

19 Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende.

20 Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest;

21 Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.

22 En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende;

23 Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is.

24 Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde,

25 Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid.

JUBILEES 4
9 b And in the first year of the first week of the fifth jubilee (5 X 50 = 250), [197 A.M.] houses were built on the earth, and Cain built a city, and called its name after the name of his son Enoch.

16 b [522 A.M.] and she bare him a son in the fifth week, in the fourth year of the jubilee, and he called his name Enoch.
17 And he was the first among men that are born on earth who learnt writing and knowledge and wisdom and who wrote down the signs of heaven according to the order of their months in a book, that men might know the seasons of the years according to the order of their separate months.
18 And he was the first to write a testimony and he testified to the sons of men among the generations of the earth, and recounted the weeks of the jubilees, and made known to them the days of the years, and set in order the months and recounted the Shabbats of the years as we made them, known to him.
19 And what was and what will be he saw in a vision of his sleep, as it will happen to the children of men throughout their generations until the Day of Judgment; he saw and understood everything, and wrote his testimony, and placed the testimony on earth for all the children of men and for their generations.
20 And in the twelfth jubilee, [582-88] in the seventh week thereof, he took to himself a wife, and her name was Edna, the daughter of Danel, the daughter of his father's brother, and in the sixth year in this week [587 A.M.] she bare him a son and he called his name Methuselah.
21 And he was moreover with the malakim of YAHWEH these six jubilees of years, and they showed him everything which is on earth and in the heavens, the rule of the sun, and he wrote down everything.
22 And he testified to the Watchers, who had sinned with the daughters of men; for these had begun to unite themselves, so as to be defiled, with the daughters of men, and Enoch testified against them all.
23 And he was taken from amongst the children of men, and we conducted him into the Garden of Eden in majesty and honor, and behold there he writes down the condemnation and judgment of the world, and all the wickedness of the children of men.
24 And on account of it YAHWEH brought the waters of the flood upon all the land of Eden; for there he was set as a sign and that he should testify against all the children of men, that he should recount all the deeds of the generations until the day of condemnation.
25 And he burnt the incense of the sanctuary, (even) sweet spices acceptable before YAHWEH on the Mount.
26 For YAHWEH has four places on the earth, the Garden of Eden, and the Mount of the East, and this mountain on which you are this day, Mount Sinai, and Mount Zion (which) will be sanctified in the new creation for a sanctification of the earth; through it will the earth be sanctified from all (its) guilt and its uncleanness throughout the generations of the world.

29 And at the close of the nineteenth jubilee, in the seventh week in the sixth year [930 A.M.] thereof, Adam died, and all his sons buried him in the land of his creation, and he was the first to be buried in the earth.
30 And he lacked seventy years of one thousand years; for one thousand years are as one day in the testimony of the heavens and therefore was it written concerning the tree of knowledge: 'On the day that you eat thereof you shall die.'For this reason he did not complete the years of this day; for he died during it.
31 At the close of this jubilee Cain was killed after him in the same year; for his house fell upon him and he died in the midst of his house, and he was killed by its stones; for with a stone he had killed Abel, and by a stone was he killed in righteous judgment.
32 For this reason it was ordained on the heavenly tablets: With the instrument with which a man kills his neighbour with the same shall he be killed; after the manner that he wounded him, in like manner shall they deal with him.'

OpenMindsTV

UFO over Mexico City

A research team from Open Minds captured photos of a strange, seemingly biologic UFO in the sky above Mexico City. For more details, you can read the full story in the August/September 2010 issue of Open Minds magazine.

Source:

https://youtu.be/es3076Nik2U

More than 9 feet tall with 6 vingers and 6 toes and red hair. (Hybrid, children from humans with fallen angels) / Meer dan 9 feet = 2.7432 meters lang met 6 vingers en rood haar.


Deuteronomiun 4:
19 En als u omhoog kijkt en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat de HEER, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd.

19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE, uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.


Numeri 15:

12 Naar het getal, dat gij bereiden zult, zult gij alzo doen met elkeen, naar hun getal.

13 Alle inboorling zal deze dingen alzo doen, offerende een vuuroffer tot een liefelijken reuk den HEERE.

14 Wanneer ook een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, of die in het midden van u is, in uw geslachten, en hij een vuuroffer zal bereiden tot een liefelijken reuk den HEERE; gelijk als gij zult doen, alzo zal hij doen.(vreemdeling= Alien, dat zijn gevallen engelen, en Nephelims dat zijn de kinderen van gevallen engelen met mensen)

15 Gij, gemeente, het zij ulieden en den vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, enerlei inzetting: ter eeuwige inzetting bij uw geslachten, gelijk gijlieden, alzo zal de vreemdeling voor des HEEREN aangezicht zijn.

16 Enerlei wet en enerlei recht zal ulieden zijn, en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert. (1 recht 1 manier)


Bekijk dit nu in de KJV:

Number 15:

13 All that are born of the country shall do these things after this manner, in offering an offering made by fire, of a sweet savour unto the LORD. 

14 And if a stranger sojourn with you, or whosoever [be] among you in your generations, and will offer an offering made by fire, of a sweet savour unto the LORD; as ye do, so he shall do

15 One ordinance [shall be both] for you of the congregation, and also for the stranger that sojourneth [with you], an ordinance for ever in your generationsas ye [are], so shall the stranger be before the LORD

16 One law and one manner shall be for you, and for the stranger that sojourneth with you.


to sojourn, Aliën,                                               
om te vertoeven, Aliën
a temporary inhabitant,                                     
een tijdelijke bewoner,
a newcomer lacking inherited rights,             
een nieuwkomer ontbreekt overgenomen rechten, 
though conceded rights,
                                  hoewel toegegeven rechten, 
strangers, 
Aliën,                                                vreemdeling, Aliën
(country) one rising from the soil,                   
één opstaan uit de aarde

 

Strong's H1616 - ger

גָּר

Transliteration

ger

Pronunciation

gār (Key)

Part of Speech

masculine noun

Root Word (Etymology)

TWOT Reference

Outline of Biblical Usage

1) sojourner

a) a temporary inhabitant, a newcomer lacking inherited rights

b) of foreigners in Israel, though conceded rights

Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 92

AV — stranger 87, alien 1, sojourner 1, stranger + 0376 1, stranger + 04480 1,strangers + 0582 1

 

 

Strong's H249 - 'ezrach

אֶזְרָח

Transliteration

'ezrach

Pronunciation

ez·räkh' (Key)

Part of Speech

masculine noun

Root Word (Etymology)

From זָרַח (H2224) (in the sense of springing up)

TWOT Reference

Outline of Biblical Usage

1) a native (one rising from the soil)

a) of man, native Israelites

b) of tree, native (to Israel)

Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 18

 

 

Strong's H2708 - chuqqah

חֻקָּה

Transliteration

chuqqah

Pronunciation

khük·kä' (Key)

Part of Speech

feminine noun

Root Word (Etymology)

TWOT Reference

Outline of Biblical Usage

1) statute, ordinance, limit, enactment, something prescribed

a) statute

Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 104

 

Groot graf met hoorns en een hoofd van een stier. Die nephilim zijn bijna 3 meter groot

 

Source:

https://klausdonachronicles.com/

Klaus Dona - The Lost Pyramids vesves Hidden Ancient Artifacts

Giants Once Walked the Earth

Genesis 14

Zo kwam Kedor-Laómer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaïten in Asteroth-Karnáïm, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-Kiriatháïm;

Deuteronomium 3

11 Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen der reuzen (Refaïten/Rephaim is Hebreews voor Reuzen/Nephilims) overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba der kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar eens mans elleboog. 

Strong's H7497 - rapha'

רְפָאִים

Transliteration

rapha'

Pronunciation

rä·fä' (Key)

Part of Speech

proper gentilic noun

Root Word (Etymology)

From רָפָא (H7495) in the sense of invigorating

TWOT Reference

2198d

 

Outline of Biblical Usage

 

1) giants, Rephaim

a) old tribe of giants

 

Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 25

AV — giant 17, Rephaim 8

 

2 Samuel 21:
20 Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een vechtjas die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet.

1 Kronieken 20:

6 Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een reus die aan elke kant zes vingers en zes tenen had: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet.

Joël 2:
Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, zoals van ouds niet geweest is, en na hem niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.

Openbaring 21:

17 En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens mensen, welke des engels was. (Engelen hebben ons de maten geleerd).

1 Korinthe 10:

9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.

20 Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet God; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.

21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren (YHWH) niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.

22 Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?


1 Timótheüs 4:

De afval in de laatste tijden

Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen,

Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid;

Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.

4 Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;

Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.

 

1 Timótheüs 4:

13 Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kome.

Openbaringen 12:
En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg (oorlog) te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.

GRIMMEN
1) Boos kijken 2) Nors kijken 3) Plaats in Europa 4) Raar kijken 5) Vervelend kijken 


Leviticus 26:

Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!

30 En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.

31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.

 

Numeri 13:

32 Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israëls, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.

33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.

Numbers 13:

33 And there we saw the giantsthe sons of Anak[which come] of the giants: and we were in our own sight as grasshoppers, and so we were in their sight.

 

Numeri 13:
22 En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahíman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd vóór Zoan in Egypte.
28 Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.
33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.

Deuteronomy 9:

Een groot en lang volk, kinderen der Enakieten; die gij kent, en van welke gij gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht der kinderen van Enak?

Joz 15,13
Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN (YHVH) tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.

Jozua 15:
14 En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sésai, en Ahíman, en Talmai, geboren van Enak.

Richteren 1:

20 En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.


Deuteronomy 1:
28 Waarheen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in den hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Enakieten gezien.

Deuteronomy 2:

10 De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.

Strong's H368 - 'Eymiym

אֵימִים

Transliteration

'Eymiym

 

Pronunciation

ā·mēm' (Key)

Part of Speech

proper masculine plural noun

Root Word (Etymology)

Plural of אֵימָה (H367)

TWOT Reference

n/a

Outline of Biblical Usage

Emims = "terrors"

1) ancient inhabitants of Moab

Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 3

AV — Emims 3

 


Deuteronomy 2:

11 Dezen werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.
21 Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden;

Deuteronomy 9:

2 Een groot en lang volk, kinderen der Enakieten; die gij kent, en van welke gij gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht der kinderen van Enak?

Jozua 11:

21 Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israël; Jozua verbande hen met hun steden.

22 Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israëls; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.

Jozua 14:

12 En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de HEERE te dien dage gesproken heeft; want gij hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten aldaar waren, en dat er grote vaste steden waren; of de HEERE met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als de HEERE gesproken heeft.

Jozua 14:15
De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van den krijg.

Genesis 13:

18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.

Genesis 23:

2 En Sara stierf te Kirjath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
19 En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpéla, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaän.

Genesis 35:

27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-Arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.

Genesis 37:

14 En hij zeide tot hem: Ga toch heen, zie naar den welstand van uw broederen, en naar den welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.

Exodus 6:

17 En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.

Numeri 3:

19 En de zonen van Kahath, naar hun geslachten: Amram en Izhar, Hebron en Uzziël.

Numeri 13:

22 En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahíman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd vóór Zoan in Egypte.

Jozua 10:

3 Daarom zond Adóni-Zédek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:
5 Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gíbeon, en krijgden tegen haar.
23 Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koning van Lachis, den koning van Eglon.
36 Daarna toog Jozua op, en gans Israël met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.
39 En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;

Jozua 11:

21 Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israël; Jozua verbande hen met hun steden.

Jozua 12:

10 De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één;

Jozua 14:

13 Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, den zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.
14 Daarom werd Hebron aan Kaleb, den zoon van Jefunne, den Keneziet, ten erfdeel tot op dezen dag; omdat hij volhard had den HEERE (YHVH), den God Israëls, na te volgen.
15 De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van den krijg (oorlog).

Jozua 15:

13 Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.

54 En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
 

2 Petrus 1:

20 Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging;21 Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.

2 Timótheüs 3:

16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;

17 Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

 

Matthéüs 4:

Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

Handelingen 17:

11 En dezen waren edeler, dan die te Thessaloníca waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.

Chuck Missler The Days Of Noah & Return Of The Nephilim HD

Robert Connolly's photo of a Nephilim Skull on exhibit in a South American Museum
This photo was taken from Robert Connolly. It is a Nephilim, or Nephilium descendant skull, which is on exhibit in a South American museum.

Source:

Grey Aliens

Illuminati (Nazi, SS) oprichter Johann Adam Weishaupt.

The Police State Coming Soon - The Prophecy Club FULL LENGTH.avi

Source: 

https://www.watchprophecyclub.com/catalog

Look at / Kijk bij 1:10:00 hours

The Revelation Of The Pyramids (Documentary)


Johann Adam Weishaupt (6 February 1748 in Ingolstadt – 18 November 1830 in Gotha) was a German philosopher and founder of the Order of Illuminati, a secret society with origins in Bavaria.
Johann Adam Weishaupt is de oprichter van de order van Illuminatie.

 

Raad wie de Gotha heeft uitgevonden van de zogenaamde Koninklijke families en Aristocraten.
De zogenaamde Almanach de Gotha.

 

De Almanach de Gotha is een almanak van adellijke geslachten die voor het eerst verscheen in 1.763. Het boekwerkje werd toen uitgegeven aan het hof van de hertog van Saksen-Coburg-Saalfeld, waar ook de stad Gotha toebehoorde. Tot 1.944 verscheen de Almanak ieder jaar in een nieuwe bijgewerkte en geactualiseerde uitgave. Tot dat jaar verscheen de Almanak in het Frans.


De Almanak bestond uit twee delen.

  • Als eerste een groot overzicht, de zogenaamde "État actuel", van de Europese koningshuizen en gemediatiseerde families van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Ook voormalige vorstenhuizen, prinselijke families en hertogelijke families kregen in een speciale afdeling van deze almanak een plaats.
  • Hierna volgde een tweede deel, de zogenaamde "Annuaire Diplomatique", met daarin van ieder land een lijst van ministers, andere hoogwaardigheidsbekleders, het corps diplomatique en verschillende statistische gegevens.
    Toen het Sovjetleger in 1.945 de stad Gotha binnentrok, werden alle archieven van de Gotha vernietigd. 


(Dit is de reden waarom: in 1917 werd de tsaar van Rusland en zijn hele familie helemaal afgeslacht en uitgeroeid).

 

Na 1.945 is de Almanak niet meer verschenen tot 1.998. Vanaf dat jaar werden 6 delen van de Gotha tot 2004 in Londen uitgegeven. De nieuwe editie verscheen in de Engelse taal. De uitgebreide statistieken over landen, de kalenders en posttarieven, zijn nu weggelaten.


Het gezag van de Gotha was zo groot dat men de redactie wel als de arbiter van alle kwesties en geschillen over koninklijke namen, adel, adeldom en titels zag. De redactie volgde daarbij de uitspraken van de gerechtshoven en de herauten en andere met het oordeel over het adelsrecht belaste organen.

Ook nadat in Duitsland de republiek werd uitgeroepen en de Duitse wet de adellijke titels en predicaten deel van de familienaam maakten werden door

de Pruisische herauten ("Preußische Heroldsamt")(1918-1920),

de beoordelingscommissie voor adel ("Adelsprüfungsausschuß": 1920-1926),

de erebond ("Ehrenschutzbund": 1926-1934),

het racistische maar desondanks door de nationaal-socialisten verboden zelfbenoemde ("Adelsgerichtshof": 1934-1936) en

de "Abteilung für adelsrechtliche Fragen" (1937-1945), een werkgroep van de Duitse Adelsbond, beslissingen genomen over het recht om een naam, wapen of titel te dragen. 

 

Deze beslissingen hadden geen juridische status maar werden door de Almanach gevolgd.
De almanak bevatte, adressen, functies, titels en onderscheidingen van duizenden leden van de hoge adel (bloed en zwaardadel). Deze groep mensen wordt daarom ook wel als de Gotha aangeduid in zinnen als: "De hele Gotha kwam bijeen op de begrafenis van prinses ..."


Nadat al eerder niet-regerende prinselijke huizen in de Almanak hun plaats kregen, groeide de wens om ook andere, lagere adel zijn plekje in de Gotha te gunnen. Om aan deze wens te voldoen werden in de loop van de tijd nog vier series gestart:

  • Taschenbuch der gräflichen Häuser (vanaf 1825)
  • Taschenbuch der freiherrlichen Häuser (vanaf 1848)
  • Taschenbuch der adligen (uradeligen) Häuser (vanaf 1900)
  • Taschenbuch der briefadeligen Häuser (vanaf 1907).

Deze series verschenen in de Duitse taal en de publicatie stopte ook in 1942.

 

Tussen 1998 en 2004 verschenen zes delen in Londen van een nieuwe almanak met de oude naam. Deze werd niet door iedereen met instemming begroet. Het tijdschrift The Economist viel over de vele fouten in het gebruikte Engels. De redacteur merkte verder ook op dat er maar zeven van de viertentwintig Britse hertogen in de almanak werden vermeld.
De genealogische functie van de almanak is in 1951 overgenomen door de reeks Genealogisches Handbuch des Adels.

The illuminati is not satanic, but are being used and possesed by the devil himself. They communicate directly with the fallen angels that are directing the entire conspiracy. Satan wants to destroy Christianity, just like our bible says. Now I hope you can fill in the blanks that are deliberately been tampered by the fallen angels. We are not dealing with flesh and blood but with intelligence's far more advanced than humans in every possible way.

Engelen en gevallen engelen
krachten en machten van de nacht

Aliens


Ezechiël 1:1-28 ESV 
In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde dag van de maand, want ik was een van de ballingen door de Kebar kanaal, de hemelen werden geopend, en ik gezichten Gods zag. Op de vijfde dag van de maand (het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin), het woord van de Heer kwam tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën door de Kebar kanaal, en de de hand van de Heer was daar op hem. Toen ik zag, en ziet, een stormwind kwam uit het noorden, en een grote wolk, met helderheid rondom, en brand knipperend weer voortdurend, en in het midden van het vuur, als het ware glanzende metaal. En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren. En dit was hun gedaante: zij hadden een menselijke gelijkenis, ...

Efeziërs 6:12 ESV
Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de kosmische krachten dan deze duisternis, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.

Behulpzaam Niet nuttig


Genesis 6:1-22 ESV 
Wanneer de mens begonnen te vermenigvuldigen op het gezicht van het land en dochters geboren werden, de zonen van God zagen dat de dochters van de mens aantrekkelijk waren. En zij nam als hun vrouwen elke zij verkozen. Dan is de Heer zei: "Mijn Geest zal niet in eeuwigheid blijft in de mens, want hij is vlees: zijn dagen zullen zijn 120 jaar." Nephilim was op de aarde in die dagen, en ook daarna, toen de zonen van God kwam in om de dochters van de mens en zij droegen kinderen aan hen. Dit waren de machtige mannen die van oude, de mannen van naam. De Heer zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde, en dat elke bedoeling van de gedachten van zijn hart was steeds alleen kwaad. ...

2 Thessalonicenzen 2:09 ESV
De komst van de wetteloze is door de activiteit van de satan met alle kracht, en valse tekenen en wonderen,

Openbaring 9:7-11 ESV
In het uiterlijk van de sprinkhanen waren den paarden gelijk klaar voor de strijd: op hun hoofden waren wat leek op gouden kronen, hun gezichten waren als menselijke gezichten, hun haar zoals haar van vrouwen, en hun tanden als leeuwen 'tanden, ze hadden borstwapenen als borstplaten van ijzer , en het geluid van hun vleugels was als het geluid van vele wagens met paarden die ten strijde. Ze hebben staarten en steekt als schorpioenen, en hun macht om mensen te kwetsen, vijf maanden lang in hun staarten. Ze hebben als koning over hen de engel van de afgrond. Zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon, en in het Grieks heet hij Apollyon.

Handelingen 19:35 ESV
En toen de gemeentesecretaris had de menigte stil, zei hij: "Mannen van Efeze, wie is er die niet weet dat de stad van de Efeziërs is tempel keeper van de grote Artemis en van de heilige steen die uit de hemel viel?

Handelingen 14:11-12 ESV 
En toen de menigte zag, wat Paulus gedaan had, verhieven hun stem, zeggende in Lycaonian, "De goden hebben tot ons gekomen in de gelijkenis van mensen!" Barnabas noemden ze Zeus en Paulus Hermes, omdat hij was het hoofd speaker.

Hebreeën 11:32-34 ESV 
En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zou falen me verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuël en de profeten-die door het geloof koninkrijken overwonnen, gedwongen rechtvaardigheid, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen, uitgeblust de kracht van het vuur, ontsnapt aan de scherpte van het zwaard, werden sterk gemaakt uit zwakheid, werd machtig in de oorlog, buitenlandse legers op de vlucht.

Jude 01:06 ESV / 
En de engelen, die niet blijven binnen hun eigen positie van autoriteit, maar verliet de juiste woning, heeft hij bewaard in eeuwige banden onder de sombere duisternis tot het oordeel van de grote dag-


Engelse versie:

Ezekiel 1:1-28 ESV / 79 helpful votes
In the thirtieth year, in the fourth month, on the fifth day of the month, as I was among the exiles by the Chebar canal, the heavens were opened, and I saw visions of God. On the fifth day of the month (it was the fifth year of the exile of King Jehoiachin), the word of the Lord came to Ezekiel the priest, the son of Buzi, in the land of the Chaldeans by the Chebar canal, and the hand of the Lord was upon him there. As I looked, behold, a stormy wind came out of the north, and a great cloud, with brightness around it, and fire flashing forth continually, and in the midst of the fire, as it were gleaming metal. And from the midst of it came the likeness of four living creatures. And this was their appearance: they had a human likeness, ...

Ephesians 6:12 ESV / 24 helpful votes
For we do not wrestle against flesh and blood, but against the rulers, against the authorities, against the cosmic powers over this present darkness, against the spiritual forces of evil in the heavenly places.

Genesis 6:1-22 ESV / 14 helpful votes
When man began to multiply on the face of the land and daughters were born to them, the sons of God saw that the daughters of man were attractive. And they took as their wives any they chose. Then the Lord said, “My Spirit shall not abide in man forever, for he is flesh: his days shall be 120 years.” The Nephilim were on the earth in those days, and also afterward, when the sons of God came in to the daughters of man and they bore children to them. These were the mighty men who were of old, the men of renown. The Lord saw that the wickedness of man was great in the earth, and that every intention of the thoughts of his heart was only evil continually. ...

2 Thessalonians 2:9 ESV / 9 helpful votes
The coming of the lawless one is by the activity of Satan with all power and false signs and wonders,

Revelation 9:7-11 ESV / 8 helpful votes
In appearance the locusts were like horses prepared for battle: on their heads were what looked like crowns of gold; their faces were like human faces, their hair like women's hair, and their teeth like lions' teeth; they had breastplates like breastplates of iron, and the noise of their wings was like the noise of many chariots with horses rushing into battle. They have tails and stings like scorpions, and their power to hurt people for five months is in their tails. They have as king over them the angel of the bottomless pit. His name in Hebrew is Abaddon, and in Greek he is called Apollyon.

Helpful Not Helpful
Acts 19:35 ESV / 8 helpful votes
And when the town clerk had quieted the crowd, he said, “Men of Ephesus, who is there who does not know that the city of the Ephesians is temple keeper of the great Artemis, and of the sacred stone that fell from the sky?

Acts 14:11-12 ESV / 8 helpful votes
And when the crowds saw what Paul had done, they lifted up their voices, saying in Lycaonian, “The gods have come down to us in the likeness of men!” Barnabas they called Zeus, and Paul, Hermes, because he was the chief speaker.

Hebrews 11:32-34 ESV / 5 helpful votes
And what more shall I say? For time would fail me to tell of Gideon, Barak, Samson, Jephthah, of David and Samuel and the prophets— who through faith conquered kingdoms, enforced justice, obtained promises, stopped the mouths of lions, quenched the power of fire, escaped the edge of the sword, were made strong out of weakness, became mighty in war, put foreign armies to flight.

Jude 1:6 ESV / 4 helpful votes
And the angels who did not stay within their own position of authority, but left their proper dwelling, he has kept in eternal chains under gloomy darkness until the judgment of the great day—

 

David Horn, auteur van de bestseller 'Nephilim Stargates-The Year 2012 and the Return of the Watchers' (deels besproken op 20 september in het artikel 'Gentechnologie kan Bijbelse reuzen terugbrengen' ) gelooft dat de Aarde op de rand staat van een onvoorstelbaar schokkende gebeurtenis: de aanstaande terugkeer van de bijbelse reuzen, de Nephilim, die door de profeet Henoch zou zijn voorspeld.
Henoch was de zoon van Jared, de vader van Metusalem en de overgrootvader van Noach. Zijn geschriften bevatten de meest gedetailleerde verslagen van de 'val' (afdaling) van de 'Wachters', engelen (demonen), naar de Aarde en hun vermenging met het menselijk ras. Hieruit ontstonden de beruchte reuzen, de Nephilim (benei Elohim, Genesis 6:1-2).

In de meeste moderne bijbelvertalingen is het boek Henoch niet (meer) opgenomen. Toch wordt het boek in het Nieuwe Testament twee keer gequote en in zowel het Oude als het Nieuwe Testament bij naam genoemd (Judas 14-15). Uit de ontdekte Dode-Zeerollen blijkt tevens dat het boek Henoch vroeger als 'heilig' werd beschouwd. Veel oude 'kerkvaders', zoals Tertullianus, Justin Marty, Irenaeus en Origenes, beschouwden het boek eveneens als authentiek.

Horn gelooft dat dit belangrijk is, omdat indien Henoch daadwerkelijk een profeet was, de wereld mogelijk een verpletterende verrassing te wachten staat.

Dat baseert hij op diverse passages in het boek Henoch
'In het tiende hoofdstuk staat dat de Wachters, die werden geoordeeld gedurende de Zondvloed, 70 generaties lang onder de 'heuvels van de Aarde' gebonden zouden worden, totdat de dag van hun uiteindelijke veroordeling zou komen. Dan zouden ze uit hun gevangenschap worden losgelaten en in de vurige afgrond worden geworpen, waar ze voor eeuwig gepijnigd zullen worden.'

'Maar in het 15e hoofdstuk schrijft Henoch over het uitgestorven nageslacht van de Wachters, de reuzen / Nephilim, en zegt dat deze verborgen zullen worden gehouden, en niet tegen het mensenras zouden opstaan... totdat ze zullen verschijnen in de dagen van slachting en verwoesting.'

'De profetieën van Henoch komen overeen met andere apocriefe werken, waarin gewag wordt gemaakt van een specifieke toekomstige datum waarop de Wachters zullen worden losgelaten om eeuwig veroordeeld te worden (Henoch 10:12
) en dat tevens hun nageslacht, de reuzen, opnieuw op Aarde zullen komen om grote verwoestingen aan te richten.'

Henoch schrijft dat er 70 generaties vanaf de Zondvloed voorbij zouden gaan, tot de terugkeer van deze Nephilim.

'Volgens modern wetenschappelijk onderzoek is er rond het jaar 2892 v.C. een grote vloed op Aarde geweest. Dit ondersteunt de visie van veel bijbelwetenschappers die de Zondvloed tussen het jaar 2800 en 2900 v.C. plaatsen. Als je uitgaat van een profetische generatie van 70 jaar (gebaseerd op Psalm 90:10), dan zullen er volgens Henoch 70x70=4900 jaar verstrijken voordat de reuzen op Aarde terugkeren.'

'Dat brengt ons in onze huidige tijd. -2892+4900 = 2008. Natuurlijk zou dat ook één of meerdere jaren later kunnen zijn.'

Staat de mensheid op de drempel van een hernieuwde kennismaking met de reuzen? Kunnen de Wachters op elk moment in de vurige afgrond worden gegooid? Betekent Henoch's voorspelde 'laatste oordeel' na 70 generaties vanaf de zondvloed dat de terugkeer van Jezus Christus aanstaande is?

Horn wijst in zijn boek op andere profetieën die volgens hem deze timing en aanstaande gebeurtenissen ondersteunen. De mensheid zal door de terugkeer van de Nephilim 'bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen.' (Lukas 21:26)

Hij haalt bijvoorbeeld het 13e hoofdstuk van Jesaja aan, waar de verwoesting van Babylon (Irak) wordt omschreven en het einde van de tijd. Veel christenen geloven dat dit moment zeer dicht genaderd is nu het Amerikaanse leger zich in Irak bevindt. Jesaja 13:2-3 (Septuaginta): 'Opent de poorten, gij heerser. Ik geef het bevel en Ik breng hen: reuzen komen om mijn wraak te voltrekken.'

Het woord 'reuzen' is vertaald van het woord 'gibborim', wezens die door veel wetenschappers worden beschouwd als het nageslacht van de Wachters en de Nephilim.

'Dus wellicht komen de 70 generaties van 70 jaar nu tot een eind, en is zijn de legers in het oude Babylon (Irak) daar niet toevallig. Misschien dat beide profeten naar dezelfde gebeurtenis verwezen, namelijk dat de terugkeer van de Nephilim zeer dichtbij is. De gevolgen hiervan zouden wel eens veel verstrekkender kunnen zijn dan de meeste mensen kunnen bevatten.' 

Bron:

There were Giants in the earth in those days ...

 

there is a Giant skeleton in the closet of our society


big bones are turning up all over the place

so why are they thrown into a cellar of silence


some says this silence is indicative of their unveracity

for the Media would be all over covering it if Giants were unearthed

we would all watch it on prime time

the revival of creationism and the death of evolutionism


it's better to keep the Giant skeletons in the closet

for if we were presented with the evidence

that the Bible got this right - then what next


the stories of Giants are not even biblical exclusive

every culture has tales about them

and some remnants were still living in the Americas right up to modern times


tnx internet for making us independent of Big Media

so we can actively search and discern information for ourselves


the Giant skeletons are a haunt from the past and a peace of ouer world
 

 


Most students of Bible prophecy are very aware of who the Nephilim were. In Genesis chapter 6, it tells us that fallen angels came down to earth and had children with the daughters of men that came to be known as the Nephilim. One of the key characteristics of these Nephilim were their giant size.
In Genesis 6:1-4, we read the following:
And it came to pass, when men began to multiply on the face of the earth, and daughters were born unto them, that the sons of God saw the daughters of men that they were fair; and they took them wives of all which they chose. And the LORD said, My spirit shall not always strive with man, for that he also is flesh: yet his days shall be an hundred and twenty years. There were giants in the earth in those days; and also after that, when the sons of God came in unto the daughters of men, and they bare children to them, the same became mighty men which were of old, men of renown.One of the key phrases in the passage above is “and also after that”. Most serious students of Bible prophecy understand that there were giants on the earth before the flood, but many do not realize that the Scriptures also tell us that there were giants on the earth after the flood.

MASSIVE SKULS OF THE NEPHILIM

 

The-Rephaim

Anunnaki, Nephilim, Fallen Angels, Titans, Cro Magnon of Atlantis, Skulls, hybrid race, 1800cc, 1743cc, Cro magnon skull LARGER than modern man, Out of Africa theory is wrong not all races originate in Africa. Atlantis and Lemuria are under water so anthropologists only look to Africa. smithsonian hides tall giant skeletons and skulls. ancient Caucasian skulls in North and South America, why hide them? research and see the truth. look up King tut’s haplogroup and DNA and compare to all other mummies world wide, all roads lead to Atlantis. race, racial, races, interracial

Five fossil human skulls show how the shape of the face and braincase of early humans changed over the past 2.5 million years.


It's easier to see the differences by looking at the skulls.

Prehistoric humans had a sloping forehead and a larger face, nose, and mouth.

Neanderthal-Cro-Magnon

In the very primitive skulls, their massive mouth protruded forward, and their chin receded.





Neanderthal-and-Cro-Magnon-skulls

Neanderthal-and-Cro-Magnon-comparison

Their brain was large, and they were probably very intelligent, but they certainly had slightly different personalities and abilities.

GIANT-SKELETONS-CHART

Goliath of Gath - archaeologists find his name inscribed in shattered pottery dated 1000BC - stood at around 9 feet (2,74 m)
and would not have to look down to meet the eyes of the 20th century 
Robert Pershing Wadlow

the late 
Martin Van Buren Bates could with his almost 8 feet (2,44m) tiptoe to reach and remove the helmet from Goliath's head

but could these modern Giants walk about with 125 pounds (56 kg) coat of armor and wield a spear wich head weighted 15 pounds (6,8 kg)

still all these were boys in comparison with what Joshua had to fight for the right of the Promised land

how tall are Giants when men feel like grasshoppers next to them

probably more than 13 feet tall (3,96 m)- as the reputed length of king Og of Bashan in where Golan was one of his 60 cities

Lovelock Cave Giant Jaw Comparison 


Red-Haired Giants of Nevada


Growing up in Nevada I had heard stories of the Sitecah from the Paiute Indians that lived in the area. They told of red-haired men and women of light colored skin as tall as 12 feet who originally lived in the area when the Paiutes had first arrived. Evidently these human giants liked to eat the Indians so they had problems making friends. The Indian tribes of the area finally joined and ambushed the giants killing most of them on the spot. The remaining giants took refuge in a cave. The Indians demanded they come out and fight but the giants refused. So, the Indians piled brush into the cave and set it on fire. Any giants that did run out were shot with arrows, the remaining giants were asphyxiated.

In the 1800s this cave was known as Horse Shoe Cave but is now called Lovelock Cave. Lovelock cave is located around 20 miles South of Lovelock Nevada.

n 1911 bat guano harvesters started working in this same cave. After digging out four feet of guano they found many broken arrows that the Indians had fired into the cave as well as other interesting artifacts, and yes, they found red-haired giants. Even in the shrunken mummified condition the skeletons ranged in height from 8 feet (2,44m) to just under 12 feet (3,66m). I did an internet search on this subject and found that the reported heights are very different from what I am stating here. (Internet says 6,5 feet (1,98m) to 8 feet (2,44m).
 I will leave it up to you to decide on the heights based on the photo of one of the cave giant's jaw bone and dental cast of a regular man's teeth. Most of the artifacts have been lost over time due to lack of interest from science. Go figure. However some of the artifacts are in the Humboldt Museum at Winnemucca Nevada and in the Nevada State Historical Society's museum at Reno.

National Geographic Photo From the 1920s 

giants today in Afganistan


MASSIVE SKULS

Secret Space ANNUNAKI - King Tut Nephilim Skull, Royal Egyptian Blue Blood Reptilian Hybrids

THE BOOK OF JUBILEES. Page 26

Chap. VII. 1. And in the seventh week, in the first year thereof, in this jubilee, Noah planted vines on this
hill upon which the ark had rested, named Lûbâr, the Ararat Mountains, and they produced fruit in the fourth
year, and he watched their fruit and gathered them in this year in the seventh month, and he made wine of it,
and put it into a vessel and kept it until the fifth year, until the first day of the new moon of the first month. 
2. And he celebrated this day in rejoicing as a festival,' and he made a sacrifice unto the Lord, a young one from among the oxen and a ram and a sheep, each seven years old, and a young goat, that he might thereby obtain pardon for himself and his sons. 
3. And he prepared the goat first, and he placed of its blood upon the flesh of the altar which he
had made, and all the fat he laid upon the altar where he was sacrificing to the Lord, and of the ox and the sheep he also placed the flesh upon the altar. 
4. And he made all the fruit offerings thereof mixed with oil upon them, and thereupon he first scattered wine upon the fire on the altar, and placed incense upon the altar, and a sweet savor ascended which was acceptable before the Lord his God. 
5. And he and his children rejoiced and drank of this wine in joy." 
6. And it was evening, and he went into his tent, and he lay down drunken, and he slept, and he was uncovered in his tent while sleeping. 
7. And Ham saw his father naked, and going out he told it to his two brothers without. 
8. And Shem took his garment and arose, he and Japheth, and they carried the garment upon their
shoulders, and their faces backward, and covered the shame of their father. 9. And Noah awoke from his sleep
and learned everything that his youngest son had done to him; and he cursed his son and said : " Cursed be Canaan, St. slaving servant shall he be to his brothers." And he blessed Shem : " Blessed be the Lord God of Shem, and

1. Cf. chap. vi. vs. 21 and 22.
2.The writer apologetically describes the wine as having been 

THE BOOK OF JUBILEES. Page 27
drunk by Noah on the occasion of a religious festival. may Canaan be his servant ; and may the Lord extendJapheth and may the Lord dwell in the tent of Shem, and Canaan shall be his servant !
" 11. And Ham knew that his father had cursed his youngest son, and he became displeased with him because he had cursed his son and he separated himself from his father, he and his sons with him, Chush, and Meshrêm, and Pûd, and Canaan. 
12. And he built for himself a city, and called its name after the name of his wife Nêêlâta-Mêk.' 
13. And Japheth saw it and became envious of his brother, and he too built a city, and called its name after the name of his wife Adalênsês. 
14. But Shem dwelt with his father Noah, and he built a city by the side of his father on the hill, and he too called its name by the name of his wife Sêdûkâtêlbâb. 
15. And behold these three cities are near Mount Lfibir: Sêdûkâtêlbâb on the side of the hill on the east; Nêûltemâûk on the south side ; and Adalânêsês toward the west ; and these are the sons of Shem : Elâm, and Asûr, and Arpakeed: this is the generation after the second year of the flood (?)" these are the children of Noah. 
16. And in the twenty-eighth jubilee he began to command the sons of his sons the ordinances and the commandments all as he had learned them and the judgments, and he testified to his sons that they should observe righteousness, and that they should cover the shame of their flesh, and that they should bless him who created them, and should honor father and mother, and each should love his neighbor, and should preserve their souls from all fornication and from all uncleanness and unrighteousness. 
17. For on account of these three things the deluge came over the earth, namely on account of fornication, in which the Watchmen indulged against the commandments of their law, with the daughters of men, and took to themselves wives from all

1. Very little reliance can be placed upon these names as the MSS. vary,
and nearly all trace of the etymology is lost. The copyists naturally made
mistakes in writing them.
2. Here is a lacuna in the Ethiopic text.


THE BOOK OF JUBILEES. Page 28 and 29
whom they chose and made the beginning of unicleanness. 
18. And they begat sons, the Naphidêm, and they were all unlike and they devoured one another: the giant slew the Naphil, and the Naphil slew Eljô, and EIjô the children of men, and all publicly practised every unrighteousness and shed much blood, and the earth was filled with unrighteousness; and after all these the animals, and the beasts, and the birds, and whatever walks and moves on the earth;
and much blood was spilt on the earth, and all the thoughts and deeds of men were wicked in all the days. 
19. And the Lord destroyed everything from the face of the; earth on account of their deeds and on account of the blood which was spilt over the earth. 
20. And we were left, I and you, my sons, and everything that entered with us into the ark, and behold I am the first to see your works that ye do not walk in righteousness, for in the path of destruction have you commenced to walk, and are separating yourselves each from his neighbor, and are envious the one of the other, and are not in harmony each with his neighbor and his brother. 
21. And yet, my sons, for I see and behold the satans have commenced to lead astray you and your children; and now I fear on your behalf that after my death ye will spill the blood of men over the face of the earth, and that ye too will be destroyed from its face. 
22. For every one that sheds the blood of any man, and every one that eats the blood in any flesh, shall
all be destroyed from the earth. 
23. And there shall not be left any man who eats blood and who sheds blood upon the earth, and there shall not be left aloiie for him any seed or children under heaven ; for they will go into Sheol, and into the place of judgment they will descend, in the darkness of the deep they will all be cast by a terrible death. 
24. With regard to all blood over you which is in all the days that ye sacrifice an animal or a beast or whatever flies over the earth, and do a good deed concerning your souls in your covering of that which has been spilt over the face of the earth. 
25. And ye shall not be like him that eats with blood; be strong that no one eat blood in your presence: bury the blood in the earth; for as I have been commanded, I testify to you and, your children " together with all flesh". 
26. And ye shall not eat the soul with the meat, that ye be not those of whom, your blood, that is,
your soul( be demanded from the hands of every one that sheddeth blood on the earth- 
27. For the earth will not be clean of the blood which has been spilt upon it, .but only by the blood of him that shed it will the earth be cleansed in all the generations of the earth. 
28. And now, my children, obey and practise righteousness and justice so that ye be planted in righteousness upon the whole face Of the earth, and that your renown be elevated before my God who has saved me from the water of the deluge. 
29. And, behold, ye will proceed and build for yourselves cities and will plant in them all the plants that are upon the earth and every tree that bears fruit; for three years its fruit shall not be gathered to eat it, and in the fourth year the fruit shall be sanctified, and the first fruits which they gather shall be brought before the Lord our God, the Most High, who created heaven and. earth and all things, so, that they bring in fatness the first of the wine and oil as first fruits upon the altar of the Lord who
receives it; and what is left the servants of the house of the Lord shall eat before the altar which he has accepted.
30. And in the fifth year make the release, so that ye release them, in righteousness and justice, and you shall be just and all your plants shall be right. 
31. For thus did Enoch, the father of your father Methusaleh, command his sons, and Methusaleh his son Lamech, and Lamech commanded me all the things which his father commanded him; but I command it to you, my children, just as Enoch commanded his son in his first jubilee; while he was alive, in his generation the seventh, he commanded and testified to his son and to the sons of his sons until the day of his Death. 1. 

1. We notice here the principle of the traditions of the fathers so potent in
the theology of New Testament Judaism. Cf. also c. x. II.

 

Een quote uit de serie Shadow hunters:

"Nephilim facilis descensus verni"