Bewijzen voor instanties

I refuse to enter into any contract with ...................... STAAT DER NEDERLANDEN and I don Not Consent to any of these proceedings.

 

 

Voor informatie voor deze wetten neem contact op met

Justis:


Condulair dienstencentrum:


Kvk.
Politie.
Rijksoverheid.


Call centrum rechtspraak:


Ministerie van buitenlandse zaken:

 


Freddie Peschen Maatschappelijk werker gemeente Beekdaelen.


Ministerie van financiën:

Bezoekadres. 

Korte Voorhout 7

Postbus 20201

2500 EE Den Haag.

Telefoonnummer. 088 442 80 00.

Bel dit telefoonnummer niet als u vragen heeft over wetten en regels.

Daarvoor kunt u contact opnemen met Informatie Rijksoverheid.

 

Informatie Rijksoverheid:


De rechtbanken.

Deze Organisatie van de staat bevestigingen dat de deurwaarders en belastingdienst en iedereen wat volgens een mandaat werkt of volmacht moeten staan geristreerd en hun naam en achternaam en handtekening kunnen wij altijd laten legaliseren als dat niet kan is dit fraude ,dwang, valsheid in geschriften en ga maar door
9 wetten zijn er gemaakt waar meerdere onder het ministerie van justitie en veilig vallen dus strafrecht..

 

  • We hebben 80 politie aangiftes tegen deurwaarders.
  • Woo verzoeken deurwaarders zijn niet van de staat en dat ambtenaren van gemeente natuurlijke personen zijn net zoals de politie en officieren.
  • Rechtbanken legaliseren de deurwaarders niet 15 keer op papier.
  • Rechtbank bevestigd 2 x op papier dat ze niet bevoegd zijn om deurwaarders papieren te legaliseren.
  • Rechtbank Breda bevestigd mij dat er er ook niet beëindigde mensen op de gemeentes werken en dat niet zomaar iedereen een handtekening mag zetten alleen als je bevoegd bent en staat in geschreven bij het (cdc)
  • Ministerie van financiën bevestigd 140 x van verschillende leden dat belastingdienst Heerlen de ambtenaren niet kan legaliseren want niemand is daar bevoegd.
  • Justis staat achter de vereniging dat alle deurwaarders/ incassobureau s moeten staan ingeschreven met hun rechtspositie en rechtspersonen en moeten tekenen met naam.
  • Kamer van koophandel zegt dat de b.v deurwaarders fraude plegen ga na de politie
    (80 aangiftes)
  • Ministerie van buitenlandse zaken bevestigd dat er altijd een handtekening moet op staat als we een document van de staat krijgen anders kan er niet gelaiseerd worden want dan is de ambtenaar niet bevoegd
  • Freddie Peschen bevestigd dat de nieuwe wetten er zijn en niemand houdt zich eraan.
  • Rijksoverheid bevestigd alle wetten
  • Callcentrum rechtspraak bevestigd dat iedereen zich aan de wetten moet houden anders is het strafbaar.

 

Alles staat op band of op mail of op papier.

 

2020

Wet normalisering rechtspositie ambtenaren

Source:

 

Deze is voor 80 % van de ambtenaren wat hun rechtspositie kwijt zijn.
De andere 20 % werkt volgens mandaat of niet!

 

2021

Besluit van 11 juni 2021 tot wijziging van het Besluit van 1 december 2020 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Stb. 2020, 508)

Source:

 

Deze is voor alle B.V, stichtingen, verenigingen en corporaties iedere document moet altijd door de bestuurders worden getekend.

 

2022

Beschikking van de Minister van Justitie en Veiligheid van 7 januari 2022 tot plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet open overheid, zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo, de Wet Huis voor klokkenluiders, de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen en de Wet elektronische publicaties

Source:

 

Wet open overheid je kan vragen als ze een bevoegde ambtenaar zijn en als ze wel onder het ministerie werken (publiekrechtelijke rechtspersoon)


2022

Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Meldingen en Verzoeken 2022

Source:

 

Besluit van de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen, van 4 juli, nr 2022-184614, houdende vaststelling van het Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging van Belastingdienst/Toeslagen aan directeur-generaal Ketenregie in het kader van compensatie voor afgeloste publieke schulden (Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging van Belastingdienst/Toeslagen aan de directeur-generaal Ketenregie in het kader van afgeloste publieke schulden)

Source:

 

Volmacht mandaat organisatie

Iedere staats organisatie heeft een nieuwe volmacht gekregen en ze moeten nu met naam achter naam en handtekening tekenen

tik in bij Google: 
Volmacht mandaat (belastingdienst) 2022 en croll na de ondertekening.

 

Artikel 2. Ondertekening

De ondertekening in mandaat onderscheidenlijk ondermandaat luidt:

De Belastingdienst/Toeslagen,

namens deze,

<handtekening van de gemandateerde functionaris of ondergemandateerde medewerker>

[naam van de gemandateerde functionaris of ondergemandateerde medewerker],

[functie van de gemandateerde functionaris of ondergemandateerde medewerker].

 

Artikel 15. Volmacht en machtiging betreffende personeelsaangelegenheden

    • 1. Aan de afdelingshoofden, vakgroephoofden, teamleiders en teammanagers van de directie wordt volmacht en machtiging verleend tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op de personeelsaangelegenheden ten behoeve van medewerkers van de eigen organisatorische eenheid, voor zover het betreft:

      • a.het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;

      • b.het houden van personeelsgesprekken;

      • c.het beslissen over verlof van medewerkers;

      • d.het toekennen van kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, ten bedrage van minder dan € 250,– per medewerker, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur;

      • e.het accorderen van buitenlandse dienstreizen en declaraties van kosten in verband met buitenlandse dienstreizen op grond van de CAO Rijk.

    • 2. In aanvulling op het eerste lid wordt in het geval een teamleider of teammanager de beoordeling van een medewerker opmaakt, aan het afdelingshoofd of vakgroephoofd dat boven de teamleider of teammanager ressorteert ook volmacht en machtiging verleend met betrekking tot het vaststellen van deze beoordeling.

    2023

    Besluit van de ledenraad van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders van 8 juli 2022 houdende de vaststelling van de Gerechtsdeurwaardersverordening (Gerechtsdeurwaardersverordening)

    Source:


    2023

    Circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek

    Source:

     

    Je kan in Nederland iedere ambtenaar wat een document moet tekenen controleren als die wel bevoegd is dat doe via het CDC waar ze in het systeem staan.
    Via een legalisatie kan dat plaats vinden en als je aan geeft dat je verhuist naar een niet apostille land wat het verdrag heeft.
    Voor meer uitleg zal de vereniging iedereen via een nieuwsbrief inlichten.


    2023

    Gerechtsdeurwaarderswet

    Source:

     

    2024

    Advies Raad van State inzake het ontwerpbesluit Besluit kwaliteit incassodienstverlening

    Source:

     

    Deze is de genade klap voor alle B.V s wat zich voor doen als een gerechtsdeurwaarder en wat in hun omschrijving bij de kvk een sbi code 8291 hebben.
    Dankzij de wet bestuur toezicht rechtspersonen heeft de vereniging 80 politie aangifte s in samenwerking met het handelsregister waar ze onze bevindingen geen klacht noemen maar fraude.


    Vanaf 1 april 2024 moeten de bestuurders van de incassobureaus zich inschrijven als bestuurders en ook de doc

    Per 1 april regels voor incassodienstverlening

    Nieuwsbericht | 09-02-2024 | 14:30

     

    Incassodienstverleners moeten vanaf 1 april 2024 aan kwaliteitseisen voldoen en zich verplicht registreren. Met deze eisen en de registratieplicht uit de Wet Kwaliteit incassodienstverlening wordt het beroep voor het eerst gereguleerd in Nederland. Mensen met schulden worden hierdoor beter beschermd en schuldeisers weten beter wat incassodienstverleners voor hen kunnen doen. De wet moet ook leiden tot minder onprofessionele praktijken en beperkt het stapelen van incassokosten. De ministerraad heeft op voorstel van minister Weerwind voor Rechtsbescherming ingestemd met onderliggende regelgeving zodat de wet in werking kan treden.

     

    Minister Weerwind: “Incassodienstverlening noemen we niet voor niets dienstverlening: misstanden en onheuse bejegening horen er niet bij. Met deze eisen kan zowel een schuldeiser als een schuldenaar rekenen op kwaliteit en duidelijkheid bij het afhandelen van schulden en vorderingen. Zo kan iedereen op het werk van incassodienstverleners vertrouwen.”

    Kwaliteitseisen

    De kwaliteitseisen gelden voor alle partijen die zich bedrijfsmatig bezighouden met het innen van buitengerechtelijke incasso’s namens derden bij consumenten die in Nederland wonen. Ook als de vordering aan een ander is doorverkocht gelden deze kwaliteitseisen. De dienstverleners moeten zich verplicht registreren in een register dat voor iedereen in te zien is. Aan hun werk worden kwaliteitseisen gesteld op het gebied van vakbekwaamheid, omgang met schuldeisers en schuldenaren, informatievoorziening en klachtbehandeling. De wet bevat daarnaast een bepaling om de stapeling van incassokosten bij terugkerende vorderingen te beperken. De incassokosten mogen maximaal €140 euro per zes maanden bedragen als de maandelijkse vordering of het termijnbedrag lager is dan €266,67. De beperking van de incassokosten zal vanaf 1 oktober 2024 van kracht zijn.

    Toezicht en registratie

    Bestaande incassodienstverleners moeten zich binnen een jaar na 1 april 2024 registreren. Incassodienstverleners die starten met hun dienstverlening na 1 april moeten zich direct inschrijven. Screeningsautoriteit Justis zal het register voor incassodienstverleners beheren en buitengerechtelijke incassobureaus screenen. De Inspectie Justitie en Veiligheid gaat toezicht houden op de kwaliteitseisen en registratieplicht en kan handhaven als incassodienstverleners zich niet aan de regels houden.

    Source:

     

    KBVG

     

    Bedrijven opzoeken:

     

     
     
    Doxing:
     
    Michael van Leeuwen:
     

    Precontractuele aansprakelijkheid uitdrukkelijk voorzien in het nieuwe verbintenissenrecht

     16 februari 2024 (updated 16 februari 2024) Published by 

     

    Het nieuwe verbintenissenrecht geeft een wettelijke basis aan de precontractuele aansprakelijkheid. Het is dus van groot belang om de precontractuele fase niet lichtzinnig of roekeloos aan te vatten en de onderhandelingen naar het afsluiten van een contract toe zeer zorgzaam en te goeder trouw te voeren.

    Zoniet riskeert men buitencontractueel aansprakelijk gesteld te worden.

    1. De vrijheid tot contracteren blijft verzekerd
      Globaal genomen blijft de vrijheid tot contracteren behouden, zonder dat de keuze  verantwoord moet worden (met uitzondering voor de gevallen die de wet bepaalt).
      U bent dan ook nog steeds vrij om te contracteren met wie u wenst.
      Ook de contractuele inhoud is vrij te bepalen in zoverre deze voldoet aan de wettelijke geldigheidsvereisten.
      Tijdens de precontractuele fase blijven ook binnen het nieuwe verbintenissenrecht, de partijen vrij om onderhandelingen aan te vatten, te voeren en af te breken. Maar hierbij moet wel steeds te goeder trouw gehandeld worden.
      Tot zover niets nieuws dus.
      Goed om weten evenwel is dat het risico op precontractuele aansprakelijkheid begint te spelen vanaf het moment waarop u de contractuele besprekingen aanvat. Daar komen we later op terug.
    2. Informatie verstrekken tijdens de precontractuele fase
      In de precontractuele fase wordt verwacht dat partijen elkaar alle informatie verstrekken.
      Hiermee wordt bedoeld zowel de informatie die zij wettelijk verplicht zijn om aan elkaar te geven, de informatie conform de goede trouw en de gebruiken en de informatie die zij elkaar moeten geven rekening houdend met de hoedanigheid van de partijen, hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van het contract.
      Alle informatie waarvan u vermoedt dat uw contractpartij ze nodig heeft, moet u aan die partij bezorgen. Dit is belangrijk want een schending van deze informatieplicht kan leiden tot de nietigheid van het contract of tot precontractuele aansprakelijkheid.
    3. Precontractuele aansprakelijkheid nu wettelijk voorzien
      Belangrijke nieuwigheid in het nieuwe verbintenissenrecht is dat er aan de precontractuele aansprakelijkheid een wettelijke basis is gegeven.
      Wanneer de onderhandelingen foutief worden afgebroken, kan dit aanleiding geven tot buitencontractuele aansprakelijkheid. De benadeelde persoon moet in dat geval teruggeplaatst worden in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden indien er geen onderhandelingen hadden plaatsgevonden.
      Dit kon binnen het oude verbintenissenrecht ook al worden gevorderd op basis van precedenten in de rechtspraak, maar nu is de sanctie voor precontractuele aansprakelijkheid ook wettelijk vastgelegd.
      Zo is voortaan voorzien dat wanneer het rechtmatig vertrouwen is gewekt dat een contract zonder enige twijfel gesloten zal worden, de partij die de onderhandelingen beëindigt, aansprakelijk kan gehouden worden tot het herstel van het verlies van de verwachte netto-voordelen uit het niet gesloten contract.
      Dit zijn belangrijke gevolgen want ook al komt het contract niet tot stand, u kan alsnog gehouden worden tot de verwachte netto-voordelen uit het contract waarover u aan het onderhandelen was.
      Om aansprakelijkheid te voorkomen, kan het belangrijk zijn een precontractueel document (LOI) te ondertekenen waarin duidelijk wordt gemaakt dat onderhandelingen geen enkel resultaat garanderen en dat alle partijen weten dat niets gegarandeerd is totdat er uiteindelijk iets wordt ondertekend.
      We geven u enkele toepassingen bekeken vanuit verschillende vakgebieden:

     Handels- en economisch recht


    In het kader van het distributierecht, bestaat er een zeer specifieke verplichting om een precontractueel informatiedocument af te sluiten. Indien dat niet gebeurt, kunnen de gevolgen groot zijn, aangezien de nietigheid van de overeenkomst kan worden gevorderd, evenals bijkomende financiële aansprakelijkheid.

     Op vennootschapsrechtelijke vlak:

    precontractuele aansprakelijkheid in het kader van overnameovereenkomsten
    In het vennootschapsrecht komt de precontractuele aansprakelijkheid ook ter sprake in het kader van overnameovereenkomsten, en meer in het bijzonder in het kader van de “voor-contracten” die voorafgaandelijk aan een overnameovereenkomst worden gesloten. Deze worden vaak door de partijen als niet-bindend beschouwd. Men denkt bijvoorbeeld aan de letter of intent (LOI), principeakkoorden, memorandum of understanding, etc. Met deze precontractuele documenten beoogt men om in grote lijnen, de afspraken vast te leggen die worden gemaakt in het kader van de transactie. Deze precontractuele afspraken worden dan later bevestigd/verfijnd in een definitieve overnameovereenkomst.
    Als de partijen geen bindende kracht willen verlenen aan het voor-contract, moeten zij dit uitdrukkelijk vermelden in het voor-contract. Maar zelfs in een dergelijk geval, bestaat er in hoofde van de partijen de verplichting om te goeder trouw en op basis van de overeengekomen principes te onderhandelen. Dit impliceert dat de partijen moeten meewerken aan de onderhandelingen en dat zij de onderhandelingen niet zonder redelijke rechtvaardiging kunnen afbreken.
    Wat als een “redelijke rechtvaardiging” kan worden beschouwd om onderhandelingen af te breken, is een subjectieve kwestie die aan rechtbanken moet worden voorgelegd. Maar daar waar vroeger het principe van precontractuele aansprakelijkheid zelf door de rechter moest worden bevestigd, wordt dit principe nu uitdrukkelijk in de wet verankerd.

    1. Besluit
      Wenst u geen precontractuele aansprakelijkheid te lopen, dan moet u ervoor zorgen dat u elke contractbespreking te goeder trouw aanvat en voert. Ga dus niet roekeloos besprekingen aan in de veronderstelling dat u hier steeds onderuit kan zolang er niets ondertekend is. Ook zonder afgesloten contract riskeert u reeds aansprakelijk gesteld te worden.

    Hebt u toch een probleem met een afgesprongen onderhandeling of vreest u in dit kader aansprakelijk gesteld te worden, aarzel dan niet onze specialisten van Seeds of Law te raadplegen via info@seeds.law  of +32 (0)2 747 40 07.

    Meer weten over dit onderwerp?
    Contacteer onze experten of bel +32 (0)2 747 40 07
    bron: https://seeds.law/nl/nieuws-inzichten/precontractuele-aansprakelijkheid-uitdrukkelijk-voorzien-in-het-nieuwe-verbintenissenrecht

     

    Source:

     

    Rapport:Rapport “Blind voor mens en recht”

    Download

    Ondertekenaars

    • Eerste ondertekenaar
      Michiel van Nispen, Tweede Kamerlid
    • Mede ondertekenaar
      E.M. Sjerp, griffier

    Bijlagen

    BijlageDownload bestand:Tussen Ambitie en Uitvoering. Een contextanalyse van de dynamiek tussen media, politiek en beleid bij de totstandkoming en uitvoering van dertig jaar sociale zekerheid(PDF)

    Datum:26 februari 2024
    Getal:35867-6
    Rapport

     

    Source:

     

    Joshua 8:

    33 And all Israel, and their elders, and officers, and their judges, stood on this side the ark and on that side before the priests the Levites, which bare the ark of the covenant of the יְהֹוָה (LORD), as well the stranger, as he that was born among them; half of them over against mount Gerizim, and half of them over against mount Ebal; as Moses the servant of יְהֹוָה had commanded before, that they should bless the people of Israel.

     

    I put behind all earthly ties and allegiances to friends and family, giving up earthly citizenship for Kingdom citizenship.

     

    First Name:
    Exodus 17:9; Isaiah 45:1; James 2:9; Deuteronomy 1:17; 1 Peter 1:17; Revelation 18; Ezekiel 33:6; Colossians 4:7; Cestui Que Vie Act I.666 -I.666 Cha 11, 18 + 19 Cha 2, capitis deminutio minima / -media / -maxima

     

    Last name / given:
    Job 32:21-22; Isaiah 44:1-8; Exodus 17:1; Ezekiel 28:25; 1 kings 12:19; Numbers 1:2 + 3:15

     

    Nationality:
    Jeremiah 34:9; Exodus 9:1; Jonah 1:9; Romans 11; Isaiah 56:1-7

    1 Corinthians 6:19
    Acts 5:32; 2 Corinthians 6:16
    Leviticus 11:44; Article 4 and 15 UVRM / UDHR

    Inhabitant of the land of:
    Isaiah 24:17; 26:21; Psalm 33:13-14; Deuteronomy 10:14; Ezekiel 43

     

    Authority:
    Matthew 28:18-19; Mark 13:34; Revelation 1:6; Ezekiel 43; Sui Juris, Venia Aetatis, Divine Law, Dei Gratia

     

    Sojourner / תּוֹשָׁב:
    Genesis 26:3; Exodus 12:48; Leviticus 19:33-37; Article 13 UVRM / UDHR

     

    Conceived:
    Allegedly / Hearsay Nowhere in scriptures are birthdays mentioned except for kings
    Job 1:4-5; Genesis 40:20; Mark 6:21; Matthew 2:1; 14:6

     

    Born in / בַּיִת: (municipality / geographical location)
    Genesis 48:5; 1 Chronicles 3:1 + 5:17; Matthew 2:1

     

    Citizen of heaven:
    Philippians 3:20-21; Hebrews 11:16 + 12:22

     

     

    Seal:

    Name:
    Luke 13:35; Micha 4:5

     

    Title:
    Isaiah 9: 6 + 43:15; Exodus 20:11; Psalm 148: 11-14; 1 Timothy 6: 15; Revelation 19: 16

     

    Territory:
    Exodus 19:5 + 20:11; Psalm 146:5-6; 1 Peter 3:22; Revelation 14:7; Genesis 7:11; Revelation 8: 10

    Joshua 8:33-35; Ezra 7: 23-26; Deuteronomy 17:6 + 19:15; Matthew 18:15-20; 2 Corinthians 13:1; 1 Timothy 5:19; Hebrews 10:28; Isaiah 54:5 + 17; Revelation 18:23; Revelation 18

     

    Marine Traffic:

     

    Common Law Court:

    https://www.postnl.nl/

    https://www.wetrecht.nl/juridisch-bewijs-van-verzending-aangetekend-verzenden/

     

    Besluit Woo-verzoek over het bewijs van 'gratie Gods'

     

    Besluit op een verzoek om informatie over het bewijs van de 'gratie Gods'. De formule 'bij de gratie Gods' is in de aanhef bij wetgeving opgenomen. Het gaat om een verzoek op basis van de Wet open overheid (Woo).

    Source:

     

     

    Rechtssubject

    Een rechtssubject of persoon (in juridische zin) is een drager van subjectieve rechten en plichten. Deze bezit met andere woorden rechtspersoonlijkheid of juridische persoonlijkheid.

    In de meeste hedendaagse rechtsstelsels worden twee soorten rechtssubjecten erkend: natuurlijke personen (mensen) en rechtspersonen. (Ficties) De woorden 'rechtspersoonlijkheid' en 'rechtspersoon' moeten niet door elkaar worden gehaald: het eerste woord heeft betrekking op alle rechtssubjecten (personen), het tweede woord alleen op de rechtssubjecten die geen natuurlijke persoon zijn.

    Hoewel het woord iemand in het Nederlands normaal gesproken alleen op mensen slaat, wordt het in de Nederlandse wetgeving af en toe ook in deze ruime betekenis gebruikt, dus voor alle personen met inbegrip van rechtspersonen. Voorbeelden zijn de bepaling over de woonplaats van onder bewind gestelde personen (artikel 12 lid 2 van Boek 1 BW, het deel dat verder vooral over personen- en familierecht gaat) en de bepaling over goede trouw in het vermogensrecht (artikel 11 van Boek 3 BW).

    Rechtspersonen worden nader verdeeld in privaatrechtelijke rechtspersonen (bijvoorbeeld de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de vereniging) en publiekrechtelijke rechtspersonen (bijvoorbeeld de Staat, provincies, gemeenten en waterschappen) naargelang hun doel, dat ofwel privaat of publiek is. Private rechtspersonen dienen ter behartiging van private belangen (zoals bv. winstbejag), terwijl publiekrechtelijke rechtspersonen het algemeen belang dienen.

    Een gezin of familie is geen rechtssubject, maar bestaat uit twee of meer natuurlijke personen die ieder afzonderlijk rechtssubject zijn. Vormen twee echtgenoten of geregistreerde partners een vennootschap onder firma (vof), dan is deze ook een rechtssubject. Naar de huidige Nederlandse wetgeving is een vennootschap onder firma echter geen rechtspersoon. In rechtszaken wordt zij echter wel geaccepteerd als ware zij een rechtspersoon doordat de vof een afgescheiden vermogen heeft dat anders niet vatbaar zou zijn voor verhaal. De vof is dan dus de procespartij, eventueel kunnen daarnaast ook de vennoten procespartij zijn.

    In India zijn dieren onder bepaalde voorwaarden erkend als rechtssubject. In het middeleeuwse Europa kon men dieren aanklagen in een proces.[1]

    In de jaren 1970 vond in het Amerikaans milieurecht het principe ingang dat ecologische elementen zoals bomen of rivieren een subjectief recht konden doen gelden. Sedert begin 21e eeuw is het principe in sommige landen wet geworden.[2]

    Bronnen, noten en/of referenties

    1.  David Chauvet, La personnalité juridique des animaux jugés au Moyen Âge: XIIIe-XVIe siècles, 2012. ISBN 9782296569904
    2.  Hendrik Schoukens, Rechten van de natuur als paradigmashift. oikos.be (januari 2018). Gearchiveerd op 6 oktober 2019. Geraadpleegd op 5 oktober 2019.

     

    Source:

     

    Hoe bewijs je dat ze privaat (winstbejag) bezig zijn en niet het algemeen belang dienen?
    https://www.openaccessadvocate.nl/tijdschrift/vennootschapenonderneming/2012/9/VenO_0925-9643_2012_022_009_002

     

    Wet open overheid

    Wet toezicht accountantsorganisaties

     

     

     

    Artikel

    Valkuilen bij contracteren met publiekrechtelijke rechtspersonen

    Trefwoordencontracteren, overeenkomst, overheid, publiekrechtelijke rechtspersonenAuteursMr. M.J. WoodwardBronVennootschap & Onderneming, Aflevering 9, 2012

        • Inleiding

          Vele privaatrechtelijke rechtspersonen, waaronder ondernemingen, zullen op enig moment een overeenkomst sluiten met een publiekrechtelijke rechtspersoon (in de volksmond dikwijls de ‘overheid’ genoemd). Denkbaar is dat een onderneming goederen of diensten aanbiedt die een publiekrechtelijke rechtspersoon wenst te verwerven, een onderneming een samenwerking met een publiekrechtelijke rechtspersoon aangaat of een perceel grond van een publiekrechtelijke rechtspersoon koopt. Dikwijls is de verwachting dat de onderneming dan te maken heeft met een gelijkwaardige wederpartij. Daarmee wordt soms over het hoofd gezien dat publiekrechtelijke rechtspersonen – ook bij privaatrechtelijke rechtshandelingen – een bijzondere positie innemen in het rechtsverkeer.

          Door middel van deze bijdrage wordt beoogd de positie van publiekrechtelijke rechtspersonen in ons rechtsverkeer op een praktische wijze inzichtelijk te maken. Daartoe zal worden stilgestaan bij het onderscheid tussen publiekrechtelijke rechtspersonen en bestuursorganen en de mede daaruit voorvloeiende complicaties op het terrein van vertegenwoordiging en volmacht. Tevens zal worden ingegaan op de doorwerking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het privaatrecht en enige bijzonderheden die verband houden met de Wet openbaarheid van bestuur (WOB).

          Vanwege de praktische insteek van deze bijdrage wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de publiekrechtelijke rechtspersoon bevoegd is tot gebruikmaking van het privaatrecht (in plaats van het publiekrecht). Dat bij dit uitgangspunt regelmatig vraagtekens kunnen worden geplaatst, is reeds onderwerp geweest van vele artikelen en handboeken die naar aanleiding van het standaardarrest Staat/Windmill1 over dit onderwerp zijn verschenen. In deze bijdrage zal dit onderwerp onbesproken blijven.

        • Rechtspersonen en bestuursorganen

          Een privaatrechtelijke rechtspersoon kan niet zonder meer rechtshandelingen verrichten. Hij is immers een juridische entiteit. Voor deelname aan het rechtsverkeer is vereist dat een natuurlijke persoon deze rechtshandelingen namens de privaatrechtelijke rechtspersoon verricht. Welke personen daartoe zijn bevoegd, volgt in beginsel uit de statuten.

          Een soortgelijke systematiek geldt ten aanzien van de overheid. Als equivalent van de privaatrechtelijke rechtspersoon – en dus deelnemer aan het privaatrechtelijke rechtsverkeer – kent de wet de publiekrechtelijke rechtspersoon. De meest ‘bekende’ publiekrechtelijke rechtspersonen zijn opgesomd in artikel 2:1 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW):

          ‘De Staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen, alsmede alle lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende bevoegdheid is verleend, bezitten rechtspersoonlijkheid.’

          Indien daartoe in een formele wet een grondslag wordt geboden, kunnen ook andere lichamen waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen rechtspersoonlijkheid bezitten (art. 2:1 lid 2 BW). Evenals ten aanzien van privaatrechtelijke rechtspersonen geldt ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen dat zij – voor wat betreft het vermogensrecht – met natuurlijke personen gelijk worden gesteld (art. 2:5 BW). Dit betekent onder meer dat publiekrechtelijke rechtspersonen in de praktijk de contractspartner van privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen zijn.

          Zoals een privaatrechtelijke rechtspersoon slechts rechtshandelingen kan verrichten door tussenkomst van zijn bestuurders (of andere vertegenwoordigingsbevoegde personen), kan een publiekrechtelijke rechtspersoon slechts rechtshandelingen verrichten bij wege van zijn bestuursorganen. Onder een bestuursorgaan verstaat artikel 1:1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

          De bekendste – en in de praktijk meest voorkomende – bestuursorganen zijn op provincieniveau de colleges van gedeputeerde staten en provinciale staten en op gemeentelijk niveau het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. De wijze waarop deze bestuursorganen ‘hun’ publiekrechtelijke rechtspersonen vertegenwoordigen, is neergelegd in de Provinciewet (Provw) respectievelijk de Gemeentewet (Gemw). De inhoud van deze wetten is grotendeels vergelijkbaar. Hierna zal voornamelijk worden aangesloten bij de gemeentelijke situatie.

          Artikel 160 lid 1 Gemw wijst het college van burgemeester en wethouders aan als het bevoegde bestuursorgaan om ‘tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten’. Het contracteren met een privaatrechtelijke rechtspersoon kwalificeert als een dergelijke privaatrechtelijke rechtshandeling. In artikel 160 lid 2 Gemw is een nadere uitwerking van deze bepaling opgenomen voor enkele bijzondere privaatrechtelijke rechtshandelingen, waaronder ook voor het aangaan van publiek-private samenwerkingsvormen, waarbij ook de gemeenteraad moet worden geconsulteerd:

          ‘Het college besluit slechts tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raad een ontwerp-besluit is toegezonden en in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.’

          Volledigheidshalve moet erop worden gewezen dat de gemeenteraad ook desgevraagd of in geval van ingrijpende gevolgen voor de gemeente dient te worden ingelicht over voorgenomen privaatrechtelijke rechtshandelingen, zo volgt uit artikel 169 lid 4 Gemw:

          ‘(Het college en elk van zijn leden afzonderlijk) geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.’

          Ten slotte geldt dat in de praktijk een onwerkbare situatie zou ontstaan als telkens slechts het voltallige college van burgemeester en wethouders bevoegd zou zijn privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Derhalve voorziet de Gemw in de vertegenwoordiging van de gemeente in en buiten rechte door de burgemeester (art. 171 lid 1 Gemw).

          Kortom, uit het hiervoor geschetste wettelijke kader vloeit voort dat indien een privaatrechtelijke rechtspersoon wenst te contracteren met een publiekrechtelijke rechtspersoon (in dit voorbeeld ‘de gemeente’) de vertegenwoordigingsbevoegde – in dit geval de burgemeesterzijn handtekening onder de overeenkomst zal zetten. Hij is hiertoe slechts bevoegd nadat het college van burgemeester en wethouders daartoe heeft besloten en – in voorkomende gevallen – nadat de gemeenteraad daarover is ingelicht en zijn wensen en bedenkingen heeft geuit. Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt dat op dit contracteren in ieder geval de regels van het BW van toepassing zijn.

          In theorie is hiermee een sluitend systeem gecreëerd, maar in de praktijk treden diverse complicaties op. De belangrijkste daarvan is dat de gewenste overeenkomst tussen de gemeente en de privaatrechtelijke rechtspersoon het resultaat is van een langdurig onderhandelingsproces, waarbij normaliter aan gemeentezijde een aantal ambtenaren het woord heeft gevoerd. De burgemeester heeft dus niet daadwerkelijk namens de gemeente ‘aan tafel’ gezeten en het college van burgemeester en wethouders is evenmin op de hoogte van het onderhandelingsresultaat. Dit heeft in beginsel tot gevolg dat geen overeenkomst tot stand kan komen totdat – maar slechts nadat – de noodzakelijke besluitvorming op basis van de Gemw heeft plaatsgevonden.2

          Een praktische tegemoetkoming bestaat eruit dat de privaatrechtelijke rechtspersoon voorafgaand aan de daadwerkelijke onderhandelingen het college van burgemeester en wethouders verzoekt te besluiten tot het aangaan van een nader uit te onderhandelen overeenkomst. Vervolgens zullen de onderhandelingen van gemeentezijde dan kunnen worden gevoerd door één of meer ambtenaren. In het onderhandelingsresultaat zal vervolgens de ontbindende of opschortende voorwaarde (moeten) zijn opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders instemt met het eindresultaat van de onderhandelingen.

          Deze oplossing lijkt weliswaar praktisch en eenvoudig, maar kan – vanuit het perspectief van de privaatrechtelijke rechtspersoon – toch frustrerend zijn: gelet op de complexe besluitvormingsprocessen binnen de gemiddelde Nederlandse gemeente betekent een dergelijke voorwaarde niet zelden dat na het afronden van de onderhandelingen gedurende twee tot drie maanden een zwaard van Damocles boven de overeenkomst hangt.

          Deze oplossingsrichting is bovendien niet zonder grenzen. Een van die grenzen is gelegen in artikel 6:23 lid 1 BW. Dit artikellid bepaalt dat wanneer een partij die bij de niet-vervulling van een ontbindende of opschortende voorwaarde belang had de vervulling daarvan heeft belet, de voorwaarde als vervuld kan gelden indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen.

          Dat dit artikellid ook onverkort van toepassing kan zijn op overeenkomsten tussen een publiekrechtelijke rechtspersoon en een privaatrechtelijke rechtspersoon, ondervond recentelijk de gemeente Almere. Na jarenlange onderhandelingen met een supermarktondernemer verschool de gemeente zich achter de opschortende voorwaarde van instemming door het college van burgemeester en wethouders met de desbetreffende overeenkomst. De supermarktondernemer meende dat een overeenkomst tot stand was gekomen en beriep zich hierbij op artikel 6:23 lid 1 BW.

          In antwoord hierop stelde de gemeente zich op het standpunt dat van toepassing van artikel 6:23 lid 1 BW pas sprake kan zijn, indien tussen partijen een overeenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand is gekomen. Artikel 160 lid 1 aanhef en onder e Gemw brengt echter mee dat geen rechtsgeldige overeenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand kan komen zonder dat het college van burgemeester en wethouders tot het aangaan daarvan heeft besloten, zo beredeneerde de gemeente. De Hoge Raad oordeelde anders:

          ‘De bepaling van art. 160 lid 1, aanhef en onder e, Gemeentewet kent het college van B&W de bevoegdheid toe tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen. Deze bevoegdheid sluit niet uit dat (...) met instemming van B&W onderhandelingen over een voorgenomen privaatrechtelijke rechtshandeling namens de gemeente door ambtenaren kunnen worden gevoerd en dat als resultaat van die onderhandelingen een rechtshandeling tot stand komt onder de voorwaarde van goedkeuring door het college van B&W. In een dergelijk geval kan (...) een zodanige voorwaarde (door partijen of de rechter) worden aangemerkt als opschortende voorwaarde in de zin van art. 6:21 BW, zodat in voorkomend geval ook art. 6:23 lid 1 BW toepassing kan vinden. Daartoe is niet nodig dat de onderhandelaars van de zijde van de gemeente een mandaat (van B&W) hebben om de gemeente te binden, omdat vanwege de opschortende voorwaarde de overeenkomst de gemeente pas bindt nadat de voorwaarde in vervulling is gegaan (of op grond van art. 6:23 geacht wordt in vervulling te zijn gegaan).’3

          Dit voorbeeld maakt duidelijk dat het systeem van de artikelen 160 en 171 Gemw niet in alle gevallen sluit. In uitzonderlijke gevallen kan ook zonder uitdrukkelijke besluitvorming van het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 160 Gemw een overeenkomst tot stand komen.

        • Vertegenwoordiging en volmacht

          Hiervoor werd gesuggereerd dat overeenkomsten tussen een privaatrechtelijke rechtspersoon en de gemeente van gemeentezijde door de burgemeester moeten worden ondertekend en dat hieraan voorafgaand – behoudens enkele uitzonderlijke gevallen – een besluit van het college van burgemeester en wethouders is vereist. Naar de letter van de wet is dit een juiste gang van zaken. Echter vooral in grote gemeenten zou het volstrekt onhoudbaar zijn indien aan elke overeenkomst een specifiek besluit van het voltallige college ten grondslag moet liggen en elk besluit vervolgens ter ondertekening het bureau van de burgemeester dient te bereiken.

          In de praktijk kennen de meeste – zo niet alle – gemeenten daarom een regeling waarin delegatie (de overdracht van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten door een bestuursorgaan) en mandaat (de uitoefening van bevoegdheden in naam van een bestuursorgaan) van bevoegdheden zijn neergelegd en waarin tevens een lijst met gevolmachtigden is opgenomen.

          Deze laatstgenoemde figuur stamt rechtstreeks uit het vermogensrecht. Artikel 3:60 BW bepaalt dat volmacht de bevoegdheid is die een volmachtgever (in dezen: de burgemeester) verleent aan de ander, de gevolmachtigde (in dezen: de ambtenaar in kwestie), om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten.

          Bij de eerstgenoemde figuur, het mandaat, is een nadere toelichting op zijn plaats. Immers, in artikel 10:1 Awb is verankerd dat onder mandaat wordt verstaan: ‘de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen’.

          Besluiten kwalificeren als publiekrechtelijke rechtshandelingen, terwijl bij het contracteren met gemeenten juist privaatrechtelijke rechtshandelingen aan de orde zijn. Voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen voorziet artikel 10:12 Awb in een schakelbepaling, waarvan de inhoud erop neerkomt dat de bepalingen in de Awb over mandaat van overeenkomstige toepassing zijn indien een bestuursorgaan een volmacht verleent aan personen werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid (lees: ambtenaren) tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen.

          Een voorbeeld ter illustratie: gemeenten zijn dikwijls betrokken bij de verkoop van gronden aan projectontwikkelaars. In het geval van ambitieuze prestigeprojecten is denkbaar dat de ‘koninklijke route’ wordt gevolgd, zoals in de hiervoor geschetste wettelijke bepalingen is neergelegd. Indien de gemeente echter enige groenstroken wenst te verkopen, dan voorziet dikwijls de algemene delegatie-, mandaat- en volmachtregeling in mandatering van (bijvoorbeeld) het hoofd van de afdeling grondzaken om namens het college te besluiten tot de grondverkoop, alsmede in de volmacht om de grondverkoopovereenkomst namens de burgemeester te tekenen.

          Een nadeel van deze oplossing vanuit het perspectief van de contractuele wederpartij van de gemeente is dat niet alle gemeenten zo attent zijn om de algemene delegatie-, mandaat- en volmachtregeling op de gemeentelijke website te publiceren. Voor zover de regeling weliswaar op een algemeen toegankelijke locatie is gepubliceerd, is vaak niet of nauwelijks te verifiëren of sprake is van een actuele regeling. In een aantal gevallen wordt aan de titel van de regeling weliswaar een specifiek jaartal toegevoegd, maar daarmee is nog niet gezegd dat de regeling ook jaarlijks wordt bijgewerkt en opnieuw wordt vastgesteld.

          Aanbevelenswaardig is daarom, voorafgaand aan ondertekening van de overeenkomst met de gemeente, nadrukkelijk navraag te doen naar (bescheiden waaruit blijkt van) de bevoegdheid van de voorgenomen ‘ondertekenaar’ van gemeentezijde. Immers, indien een ambtenaar zijn volmacht overschrijdt, heeft dit in beginsel tot gevolg dat tussen de gemeente en een privaatrechtelijke rechtspersoon geen overeenkomst tot stand komt.4 In een dergelijk geval is sprake van onbevoegde vertegenwoordiging.

          Dit is anders in het geval de gemeente de door de ambtenaar onbevoegd verrichte rechtshandeling bekrachtigt. Dan kan in weerwil van de onbevoegde vertegenwoordiging alsnog een overeenkomst tot stand komen. De gedachte hierachter is dat de gemeente er geen belang bij heeft wanneer een rechtshandeling niet aan haar wordt toegerekend, als zij daarbij juist is gebaat. Tenzij voor de totstandkoming van de rechtshandeling een vormvereiste geldt (zoals het verlijden van een notariële akte voor de levering van een onroerende zaak), kan normaliter worden volstaan met een schriftelijke bevestiging van de gemeente dat zij de rechtshandeling bekrachtigt.

          Ook indien de privaatrechtelijke rechtspersoon op grond van gedragingen of verklaringen van de gemeente erop mocht vertrouwen dat de ambtenaar bevoegd was tot het verrichten van de rechtshandeling (‘opgewekte schijn’), kan onder omstandigheden – ondanks de onbevoegde vertegenwoordiging – alsnog een overeenkomst tot stand komen. De jurisprudentie over dit onderwerp is buitengewoon casuïstisch, aangezien de rechter zal moeten vaststellen of in het concrete geval door de gemeente (of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon) de schijn van bevoegde vertegenwoordiging is gewekt. Enig houvast is te vinden in het befaamde arrest Kleuterschool Babbel:

          ‘Het (...) eerste middel komt terecht op tegen ’s Hofs oordeel dat voor de vraag of een Gemeente voor de gedragingen van een wethouder kan worden aangesproken, beslissend is of de wethouder in de Gemeentewet als orgaan van de Gemeente wordt erkend. De gedragingen van een wethouder kunnen immers ook dan een onrechtmatige daad van de Gemeente opleveren, wanneer zij in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de gemeente hebben te gelden. Aangenomen moet worden dat dit het geval is, wanneer de gedragingen van een wethouder van onderwijs bestaan in het doen van uitlatingen in zijn hoedanigheid ter zake van de aansprakelijkheid voor gebreken in de bouw van een in de gemeente gevestigde kleuterschool.’5

          Een recent voorbeeld van een geslaagd beroep op een door een publiekrechtelijke rechtspersoon gewekt vertrouwen heeft betrekking op de redding van voetbalclub Vitesse. Medio 2001 verkeerde de voetbalclub in een financiële noodsituatie. Enkele private financiers van Vitesse hadden een reddingsplan opgesteld, op basis waarvan op initiatief van de portefeuillehouder financiën van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: GS) crisisbesprekingen zijn gevoerd, waarbij vier van de vijf Gelderse gedeputeerden aanwezig waren. Daarbij zijn plannen besproken op grond waarvan ook de provincie een financiële bijdrage zou leveren. De private financiers hebben vervolgens uitvoering gegeven aan hun aandeel van de plannen en zeer aanzienlijke financiële verplichtingen op zich genomen. Voor de financiële hulpplannen van GS bleek uiteindelijk onvoldoende politiek draagvlak te bestaan bij provinciale staten van Gelderland (hierna: PS).

          Vitesse en haar financiers hebben vervolgens schadevergoeding gevorderd van de provincie omdat de toezeggingen van de gedeputeerden niet waren nagekomen, onder meer resulterende in het mislopen door Vitesse van een korting op de huurprijs voor stadion ‘Gelredome’. Nadat het Gerechtshof Arnhem de ‘hoofdregel’ – dat in beginsel alleen bevoegd gedane toezeggingen de provincie kunnen binden, tenzij de provincie zélf door een handelen of nalaten de (toerekenbare) schijn heeft gewekt dat de toezegging bevoegd namens de provincie is gedaan6 – reeds had bevestigd, oordeelde de Hoge Raad na een jarenlang juridisch gevecht dat slechts onder bijzondere omstandigheden aansprakelijkheid van de provincie kan worden aangenomen voor toezeggingen van haar gedeputeerden. Volgens de Hoge Raad hadden de gedragingen van de gedeputeerden in deze zaak in het maatschappelijk verkeer echter te gelden als gedragingen van de provincie (en niet als handelingen op eigen naam), waarmee Vitesse en haar financiers zijn bewogen zeer aanzienlijke financiële verplichtingen aan te gaan. Het lag niet op de weg van Vitesse en haar financiers navraag te doen naar de bevoegdheid van de gedeputeerden om toezeggingen te doen. In de gegeven omstandigheden mocht van de gedeputeerden worden verwacht voldoende duidelijk een voorbehoud te maken ter zake de toestemming van PS, dan wel uitdrukkelijk te waarschuwen dat de provincie slechts een inspanningsverplichting op zich nam. Nu de gedeputeerden dit hadden nagelaten, heeft de provincie Vitesse en haar financiers op het verkeerde been gezet en jegens hen onrechtmatig gehandeld.7

        • Doorwerking algemene beginselen van behoorlijk bestuur

          Een meer publiekrechtelijke ‘vertaling’ van de hiervoor besproken problematiek van onbevoegde vertegenwoordiging is of bij de desbetreffende privaatrechtelijke rechtspersoon het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de overeenkomst rechtsgeldig werd aangegaan en/of ondertekend, alsmede of dientengevolge het vertrouwensbeginsel met zich brengt dat de gemeente dit gerechtvaardigde vertrouwen gestand moet doen.

          Het vertrouwensbeginsel is een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze rechtsbeginselen zijn deels gecodificeerd (in de Awb) en deels ongecodificeerd (volgen uit de jurisprudentie en doctrine) en normeren in de eerste plaats het publiekrechtelijk handelen van bestuursorganen. Deze beginselen kunnen daarnaast ook een rol spelen bij privaatrechtelijke rechtshandelingen van publiekrechtelijke rechtspersonen.8 Artikel 3:14 BW bepaalt immers dat een bevoegdheid die iemand (onder wie ook publiekrechtelijke rechtspersonen) krachtens het privaatrecht toekomt, niet mag worden uitgeoefend in strijd met de geschreven of ongeschreven regels van het publiekrecht. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn voorbeelden van dergelijke regels van publiekrecht.

          De Awb kent een soortgelijke bepaling. In artikel 3:1 lid 2 Awb is neergelegd dat de in de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 Awb gecodificeerde beginselen van overeenkomstige toepassing zijn op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten, waaronder dus ook privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover de aard van die rechtshandeling zich daartegen niet verzet. Als gevolg hiervan zijn publiekrechtelijke rechtspersonen onder meer gehouden alle nodige kennis te verzamelen over de relevante feiten en de af te wegen belangen, mogen zij geen misbruik maken van toegekende bevoegdheden en mogen de gevolgen van de te sluiten overeenkomst voor één of meer betrokkenen geen onevenredig nadelige gevolgen hebben in verhouding tot het met de overeenkomst te dienen doel.

          De belangrijkste consequentie van deze bepalingen uit het BW en de Awb is dat publiekrechtelijke rechtspersonen in verhouding tot privaatrechtelijke rechtspersonen minder vrijheid genieten bij het maken van de keuze met wie en onder welke voorwaarden zij wensen te contracteren. Het gelijkheidsbeginsel speelt hierbij een grote rol. Aan de hand van transparante en objectieve criteria moet een publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen aangeven waarom hij bijvoorbeeld wel met de ene privaatrechtelijke rechtspersoon, maar niet met de andere privaatrechtelijke rechtspersoon in zee wil gaan, of waarom hij bijvoorbeeld in het ene geval wel een bankgarantie verlangt van de privaatrechtelijke rechtspersoon met wie hij contracteert en in het andere geval niet.9

          Ter illustratie dient het aanbestedingsrecht. Dit rechtsgebied is als geen ander erop gericht een gelijk speelveld te garanderen, zodat iedere mogelijke contractspartner van de aanbestedende overheidspartij een gelijke kans heeft in aanmerking te komen voor het sluiten van een overeenkomst met de desbetreffende publiekrechtelijke rechtspersoon. Veelal maakt een conceptovereenkomst deel uit van de stukken die in de aanbestedingsprocedure voor alle partijen beschikbaar zijn, opdat alle potentiële contractspartners zich zien verzekerd van een gelijkluidend aanbod.

          Vervolgens rijst de vraag wat de gevolgen kunnen zijn indien een overeenkomst tussen een publiekrechtelijke rechtspersoon en een privaatrechtelijke rechtspersoon tot stand komt in strijd met één of meer van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

          Uit artikel 3:40 lid 1 BW volgt dat een overeenkomst die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde nietig is. Met de zinsnede ‘goede zeden of de openbare orde’ heeft de wetgever bedoeld te verwijzen naar de normen van ongeschreven recht die in de samenleving als fundamenteel worden ervaren,10 waaronder enige algemene beginselen van behoorlijk bestuur.11 Ook overeenkomsten in strijd met een dwingende wetsbepaling zijn in beginsel nietig, tenzij de wetsbepaling uitsluitend strekt ter bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst, in welk geval de overeenkomst vernietigbaar is (art. 3:40 lid 2 BW). In dat laatste geval is de overeenkomst geldig, tenzij een beroep wordt gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst en dit beroep wordt gehonoreerd. Nietigheid vindt daarentegen van rechtswege plaats. Mogelijk is overigens dat slechts één of meer bedingen uit de overeenkomst nietig zijn en niet de gehele overeenkomst (art. 3:41 BW).

          Ter afsluiting van deze paragraaf kan nog de vraag worden opgeworpen in hoeverre naast de doorwerking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het privaatrechtelijk handelen van publiekrechtelijke rechtspersonen, ruimte bestaat voor de toepassing van de typisch privaatrechtelijke notie van de redelijkheid en billijkheid. Binnen de juridische doctrine is hierover een nadrukkelijk verschil van mening zichtbaar. Gelet op de praktische insteek van deze bijdrage voert het te ver hierop in detail in te gaan. Volstaan wordt met het signaleren dat het ene ‘kamp’ van mening is dat met de toepassing van de redelijkheid en billijkheid uit het BW geen wezenlijk ander resultaat kan worden bereikt dan door de toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het andere ‘kamp’ stelt zich op het standpunt dat deze grootheden niet op één lijn zijn te stellen, omdat bijvoorbeeld de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uitdrukkelijker dan de redelijkheid en billijkheid in verschillende soorten zijn te onderscheiden en daardoor een meer gedifferentieerde benadering mogelijk maken.12

        • Geheimhouding vs. Wet openbaarheid van bestuur

          Het ligt in het hart van menig ondernemer dat hij zijn afspraken en overeenkomsten met derden voor zijn concurrenten verborgen wenst te houden. Deze geheimhouding waarborgt tot op een zekere hoogte een voordeel van deze ondernemer ten opzichte van zijn concurrenten. Dit verklaart ook waarom de meeste overeenkomsten waarbij alleen privaatrechtelijke rechtspersonen zijn betrokken een geheimhoudingsclausule bevatten, dikwijls vergezeld van stevige boetebedragen in geval van overtreding daarvan. In het licht hiervan zullen privaatrechtelijke rechtspersonen vaak in hun overeenkomsten met publiekrechtelijke rechtspersonen soortgelijke geheimhoudingsclausules willen opnemen.

          Publiekrechtelijke rechtspersonen zullen aan deze wens niet zonder meer tegemoet kunnen komen, aangezien zij in veel gevallen deze geheimhouding niet kunnen garanderen. Hieraan staat de WOB in de weg. Op basis van deze wet kan eenieder een verzoek om informatie – neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid – richten tot een bestuursorgaan (art. 3 lid 1 WOB). Een bestuurlijke aangelegenheid is in de WOB gedefinieerd als een aangelegenheid die betrekking heeft op het beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en uitvoering daarvan.

          In dit verband wordt geen onderscheid gemaakt tussen ‘publiekrechtelijke aangelegenheden’ en ‘privaatrechtelijke aangelegenheden’. Informatie neergelegd in documenten over te sluiten en gesloten overeenkomsten met privaatrechtelijke rechtspersonen (waaronder de overeenkomsten zelf) zijn daarmee voor eenieder op te vragen bij een bestuursorgaan. In beginsel dient het bestuursorgaan de verzochte informatie te verstrekken. Ter bescherming van derden – waaronder in een voorkomend geval ook privaatrechtelijke rechtspersonen – kent de WOB enige uitzonderingen en beperkingen op deze verplichte informatieverstrekking.

          De voor privaatrechtelijke rechtspersonen meest belangrijke uitzondering is neergelegd in artikel 10 lid 1 sub c WOB: het verstrekken van informatie over bedrijfs- en fabricagegegevens die door privaatrechtelijke rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld, dient achterwege te blijven. Volgens vaste jurisprudentie dient het begrip ‘bedrijfs- en fabricagegegevens’ restrictief te worden uitgelegd:

          ‘Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens worden aangemerkt.’13

          In de praktijk kan met een beroep op dit artikellid meestal – maar niet altijd14 – worden voorkomen dat ten minste de meest concurrentiegevoelige informatie over prijzen, hoeveelheden, toeleveranciers en afnemers moet worden openbaar gemaakt. Van belang is dat de verstrekker van de informatie de vertrouwelijkheid daarvan heeft beoogd en dat dit ook blijkt uit het document.15

          Verstrekking van informatie door een bestuursorgaan kan eveneens achterwege blijven indien daarmee de onevenredige bevoordeling of benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken (rechts)personen of derden wordt voorkomen en hun belangen dienen te prevaleren boven het belang dat is gemoeid met de verstrekking van de verzochte informatie (art. 10 lid 2 sub g WOB). Denkbaar is daarom dat deze uitzonderingsgrond wordt aangewend om te voorkomen dat gevoelige informatie bij concurrenten terechtkomt, in het bijzonder wanneer ook contractueel geheimhouding is overeengekomen. In de jurisprudentie wordt echter als uitgangspunt gehanteerd:

          ‘Voor zover het college aanvoert dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat met één van de betrokkenen geheimhouding is overeengekomen, oordeelt de Afdeling dat dit een factor van belang kan zijn voor zover het gaat om gegevens die slechts op grond van de belofte van geheimhouding zijn verstrekt.’16

          Een bestuursorgaan kan met een beroep op deze uitzonderingsgrond dus niet zonder meer aan openbaarmaking ontkomen als contractueel is overeengekomen niet tot openbaarmaking te zullen overgaan. De contractuele geheimhouding is echter wel een aspect dat het bestuursorgaan in zijn belangenafweging kan betrekken.

          In sommige gevallen zijn privaatrechtelijke rechtspersonen juist gebaat bij het vergaren van informatie. Te denken valt aan de projectontwikkelaar die inzicht wenst in de totstandkoming van grondprijzen binnen een gemeente of informatie wil vergaren over exploitatieberekeningen. In dergelijke gevallen mag de verstrekking van informatie door de gemeente achterwege blijven, indien het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de gemeente (art. 10 lid 2 sub b WOB).17

          Ondanks deze – en diverse in relatie tot privaatrechtelijke rechtspersonen minder toepasselijke – uitzonderingsgronden en beperkingen op het beginsel van verplichte informatieverstrekking door bestuursorganen dienen privaatrechtelijke rechtspersonen telkens in het achterhoofd te houden dat de documenten die zij in het kader van een onderhandelings- en contracteringsproces aan de overheid verstrekken, mogelijk ook aan anderen moeten worden verstrekt. Dit risico kan enigszins worden beperkt door nadrukkelijk aan te geven dat de verstrekte informatie vertrouwelijk is. Ook het opnemen van een geheimhoudingsclausule in de overeenkomst kan daartoe bijdragen.

        • Conclusie

          In deze bijdrage heb ik inzichtelijk gemaakt dat het contracteren tussen publiekrechtelijke rechtspersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen primair wordt beheerst door de gebruikelijke spelregels van het BW. Gelet op het feit dat overeenkomsten met publiekrechtelijke rechtspersonen echter op een meer formele wijze tot stand komen dan overeenkomsten tussen louter private partijen, omdat de vertegenwoordiging van publiekrechtelijke rechtspersonen niet altijd eenvoudig is te doorgronden en met name omdat vele publiekrechtelijke normen doorwerken in het privaatrechtelijk handelen van publiekrechtelijke rechtspersonen, is het contracteren met publiekrechtelijke rechtspersonen geen sinecure.

      • [Een sinecure is een ambt waaraan een salaris of bepaalde privileges gekoppeld zijn, maar waar geen of vrijwel geen verplichtingen tegenover staan. De term werd oorspronkelijk voor bepaalde kerkelijke ambten gebruikt, maar wordt ook voor staatkundige functies gebruikt.]

    Noten

      • 1 HR 26 januari 1990, NJ 1991, 393.

      • 2 Vgl. voor recente voorbeelden: Rb. Arnhem 1 juni 2011, RCR 2011, 91 en Hof Arnhem 13 december 2011, NJF 2012, 67.

      • 3 HR 1 juni 2012, LJN BV1748, r.o. 3.10.2.

      • 4 Vgl. o.m. HR 31 januari 1997, NJ 1998, 704 m.nt. C.J.H. Brunner (Reisbureau De Globe BV/Provincie Groningen).

      • 5 Vgl. o.m. HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 (Kleuterschool Babbel).

      • 6 Hof Arnhem 3 juni 2008, LJN BD6676, r.o. 4.7.

      • 7 HR 25 juni 2010, AB 2010, 334 m.nt. F.J. van Ommeren en NJ 2010, 371.

      • 8 HR 27 maart 1987, NJ 1987, 727.

      • 9 A.A. van Rossum, Van contact naar contract, Den Haag: Vereniging Nederlandse Gemeenten 2003, p. 60.

      • 10 J.H. Nieuwenhuis e.a., Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, toelichting bij art. 3:40 BW.

      • 11 Vgl. o.m. HR 3 april 1998, NJ 1998, 588 (Alkemade/Hornkamp).

      • 12 Een overzicht is opgenomen in A.A. van Rossum, Contracteren met de overheid, Tijdschrift Contracteren 2005, p. 92.

      • 13 O.m. ABRvS 29 april 2008, LJN BD0771 en ABRvS 6 juni 2012, LJN BW7607.

      • 14 Vgl. bijv. ABRvS 30 mei 2012, LJN BW6910.

      • 15 Rb. Haarlem 17 september 2009, LJN BJ8008.

      • 16 ABRvS 20 juni 2007, LJN BA7618.

      • 17 ABRvS 18 februari 2009, AB 2009, 171.

     

     

     

    Reacties op dit artikel

    • Beste,
      Ik heb aan de gemeente gevraagd om een kavelkoopcontract na te leven dat zij met een burger(s) heeft afgesloten. Ik heb om een besluit/beschikking gevraagd om te motiveren waarom zijn dat wel of niet willen doen. M.i. zouden ze dat moeten doen inhet kader van het vertrouwensbeginsel (abbb). Echter de afdeling "civiel recht" stelt zich op het standpunt dat zij dat niet hoeft te geven , omdat ze een privaatrecht afdeling zijn. M.i. is een afdeling van de gemeente deel van het bestuursorgaan, er werken immers ook ambtenaren. Kunt u mij laten weten of deze afdeling zich terecht of onterecht mag beroepen op hun civiele status en daardoor geen bescikkingen/besluiten af te geven in publiekrechtelijke zin?

     

    Source:

     

     

    Update

     

    Helaas is het niet langer mogelijk maatwerkbrieven aan te vragen. Het is qua kosten niet langer haalbaar. Dat is meer dan spijtig, maar er is niets aan te doen. Alleen lopende zaken zullen nog worden afgehandeld.

    Het is tevens niet langer mogelijk om elke vraag persoonlijk te beantwoorden. Het is dus zaak om zelf na te denken en zelfstandig invulling te geven aan de voorbeeldbrieven op de website.

    Het blijft belangrijk te weten wat je doet en waarom je er voor kiest. Het systeem heeft machtige wapens als beslaglegging, loonbeslag, enzovoort. Daar moet je altijd rekening mee houden.

    Sommige mensen denken misschien “Oh, wat leuk! Zo kom ik lekker handig en makkelijk van mijn verzekering of huurcontract af!”. Die mensen hebben de essentie niet begrepen. Die essentie is dat als jij het systeem loslaat het er alles aan zal doen jou tegen te werken. Het gaat dus hoe dan ook pijn doen.

    Dus ‘de gratie Gods waarmee wetten getekend zijn ontbreekt’ is niet zo maar even een toverformule voor een gezellige kostenreductie, nee het is het begin van je hele leven op z’n kop zetten. Dat betekend dat je voorbereid moet zijn op de wapens die het systeem inzet en dat betekent dat je weet dat dit kan gaan komen. Anders moet je er niet aan beginnen.

    Durf of kun je dat niet aan, doe het dan niet. Wil je geen pijn leiden of klappen krijgen, ga dan niet in de ring staan. Het is de keuze tussen nu losbreken of straks nog verder klem komen te zitten zodra de social credits stap voor stap ingevoerd worden.

    Bezint eer ge begint! Alleen de strijdvaardigen kunnen het aan.

     

     

    Source:

     

    Mijn reactie op de reactie van de deurwaarder:

     

    "Het bestaan van een opperwezen wordt niet (meer) algemeen geaccepteerd en dit opperwezen, mocht
    het bestaan, heeft geen formele bemoeienis met de totstandkoming van wetgeving in Nederland."

     

    Dit klopt want het zijn niet יְהוָה ZIJN WETTEN, maar die van de mensen steeds meer nieuwe verzonnen wetten om mensen tot slaven te maken van hun eigen systeem.

     

    § 4.2. Aanhef

      Aanwijzing 4.5. Aanhef van een wet

        • Voor de aanhef van een wet wordt het volgende model gebruikt:

          Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

          Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

          Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [considerans];

          Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

        • Indien het een rijkswet betreft, luidt de laatste alinea:

          Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

         

        Source:

         

         

        "De bij mijn kantoor in behandeling zijnde zaken betreffen geen wederkerige overeenkomst (contract)
        maar een verbintenis uit de wet (verkeersboete)."

         

         

        Verbintenis uit de wet

         

         

        Verbintenis uit de wet

        Als een verbintenis ontstaat uit de wet, dan is sprake van een gebeurtenis of handeling waar de wet het gevolg aan verbindt van het ontstaan van een verbintenis. Er is dus geen overeenkomst voor nodig, om dit gevolg (een verbintenis) te doen ontstaan. Daarbij gelden vaak regels van dwingend recht. Deze zijn te onderscheiden van regels van regelend recht. Regels van regelend recht gelden, indien partijen geen andere afspraken maken.

        De volgende verplichtingen ontstaan uit de wet

        - onrechtmatige daad 

        - zaakwaarneming

        - onverschuldigde betaling 

        - ongerechtvaardigde verrijking

         

        Source:

         

         

        Dwingend recht is het geheel van rechtsregels waarvan niet mag worden afgeweken.

        Dwingend recht in het Nederlands privaatrecht

        Dwingend recht in het Nederlands bestuursrecht

         

         

        Wat is een PEP-lijst?

         

        Op de PEP-lijst staan Politically Exposed Persons (PEP). Een PEP is een persoon die prominent actief is, of is geweest, in de politiek of een hoge functie heeft binnen de Nederlandse overheid. Als je politiek actieve directe familieleden of naasten hebt of hebt gehad, sta je vermeld in de PEP als familie van die persoon.

        Het raadplegen van de PEP-lijst helpt witwassen, terrorisme en andere criminaliteit tegen te gaan in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Deze wet stelt dat financiële instellingen verplicht zijn om te controleren of ze te maken hebben met personen die vanuit een politieke functie actief zijn. Dit omdat voorkomen moet worden dat banden met hen worden aangegaan met als om doel misbruik te maken van de bevoegdheden die zij hebben. Financiële instellingen controleren in het kader van 'Know Your Customer' of ze te maken hebben met een PEP, zodat zij extra alert kunnen handelen.

        Personen die op een PEP-lijst staan, bekleden onder andere functies als:
        - staatshoofd, regeringsleider, minister of staatssecretaris;
        - parlementslid of lid van een soortgelijk wetgevend orgaan;
        - lid van het bestuur van een politieke partij;
        - lid van een hooggerechtshof, constitutioneel hof of een andere hoge rechtelijke instantie;
        - ambassadeur, zaakgelastigde of hoge officier van de strijdkrachten.

         

        Andere vragen

         

         

        Source:

         

        Deurwaarder heeft geen toestemming

         

        Een deurwaarder mag alleen beslag leggen met toestemming van de rechter. Vraag de deurwaarder daarom altijd of hij toestemming heeft en vraag bewijs hiervan. Dit is een officieel document zoals een vonnis.

        Heeft u een schuld bij een overheidsorganisatie zoals de gemeente of de Belastingdienst? Dan is toestemming van de rechter niet nodig. U krijgt dan een dwangbevel. Hiermee geeft de overheid toestemming voor het beslag.

        Toestemming via akte

        Legt de deurwaarder beslag namens uw hypotheekverstrekker of pandhouder, bijvoorbeeld de bank? Dan is toestemming van een rechter of overheid niet altijd nodig. Meestal gaf u zelf al toestemming toen u de hypotheekakte of pandakte tekende.

        Weet u niet of het beslag namens uw hypotheekverstrekker terecht is? Neem dan contact met op met een van onze juristen.

        Geen toestemming

        Heeft de deurwaarder geen toestemming? Dan is het beslag onrechtmatig. De deurwaarder mag uw spullen of geld niet in beslag nemen.

         

        Source:

         

        Een dwangbevel is een namens de overheid uitgevaardigd schriftelijk bevel, gericht aan een persoon of rechtspersoon. Door dat 'bevel' verkrijgt het betreffende overheidsorgaan de mogelijkheid om een geldsom bij de betrokken persoon te incasseren. Voordat een dwangbevel mag worden uitgevaardigd moet er eerst worden aangemaand.

         

        Source:

         

         

        Daar gaan we vrienden.. Via deze link gaan we de fraude melden wat anbi instelling het CJIB pleegt. Dit is hun kvk nummer ( 01176224) wat je erbij moet zetten en dit is het RSIN (822088538) nummer. Ze plegen valsheid in geschrifte, dwang, verduisteren geld van donateurs want er is geen schenkingsformulier, dhr Verkade wat hun brieven schrijft werkt niet bij het CJIB bevestigd het kvk. Als

        Geen verplichte Zorgverzekering

         

         

        Rechter bepaalt dat overheid mensen niet verplicht mag verzekeren voor zorg

         

         

        woensdag, 25 april 2018 19:59 Hits: 13382

         

        Er is onlangs een uitspraak gedaan door de rechtbank in Den Haag die wel eens een bom kan leggen onder de verplichte zorgverzekering.

        Wanneer iemand weigert zelf een zorgverzekering af te sluiten, dan doet de overheid dit via het CAK bij een zorgverzekeraar, maar dat blijkt nu onrechtmatig.


        Je hebt gelukkig nog altijd mensen die ondanks alle intimidatie en regelgeving in dit land blijven strijden voor hun burgerrechten.

        In Den Haag zit een dergelijke club:

        Nationale Bond tegen Overheidszaken & politieke partij Forum voor Den Haag behartigen de belangen van onze veiligheid, ouderen, zorg, pensioenen, welvaart en democratie gebaseerd op Westerse culturele normen & waarden uit belang van ons mooie landje...

        De oprichter en voorzitter, J. Zwarts, voert klaarblijkelijk al een jarenlange strijd tegen de verplichte zorgverzekering en heeft nu een belangrijke overwinning geboekt.

         

        Hij schrijft op de website:

        Grote doorbraak in de 'verplichte' illegale zorgverzekering, die een schending zijn in uw burgerrechten!

        Na 13 jaar strijden is het J. Zwarts (Voorzitter/oprichter) gelukt om eindelijk vanuit Civiel (burger)recht de onrechtmatige vorderingen die Bestuursrechtelijk verplicht worden gesteld nietig te verklaren.

        Vastgesteld is in het burgerrecht dat de verplichte zorgverzekering vanuit Burgerwetboek 1 Artikel 1, u vrij bent om een dienstbaarheid (zoals zorgverzekering) te dulden of niet te dulden. Ook is de wilsverklaring (Burgerwetboek 3 Artikel 33) door de uitspraak bevestigd, waaruit moet blijken dat u een contract bent aangegaan op vrijwillige basis vanuit Burgerwetboek 3 Artikel 44 (onrechtmatig contract onder dwang is vernietigbaar).

        CONCLUSIE: CAK (voormalig Zorginstituut Nederland), UWV, Banken, Gemeentelijke instanties en Incassobureaus zijn in samenspanning onrechtmatig vorderingen en strafbare feiten aan het plegen door voor eigen rechtertje te spelen waarin het Burgerrecht wordt geschonden (wij zijn in bezit van bewijzen), wat nu is vastgesteld door de Civiele rechter!

        De Nationale Bond tegen Overheidszaken zal nu de gerechtelijke uitspraak inzetten voor strafrechtelijke vervolging tegen de bovengenoemde partijen.

        En verder:

        De verplichte zorgverzekering is een grootschalige illegale zwendel, waarbij de mensen- /burgerrechten worden geschonden met strafbare feiten. Er bestaat namelijk geen enkele wet waarin de Nederlandse Staat de bevoegdheid heeft om zijn eigen burgers in dwang/slavernij te plaatsen door hen een dwangcontract op te leggen met een commerciële private onderneming zoals de zorgverzekeraars, die vervolgens de dividenden (ons geld) uitkeren aan rijke aandeelhouders. De ingevoerde zorgverzekeringswet uit 2005 is onrechtmatig, gezien er sprake is van een rechtstreekse onaanvaardbare doorkruising van Rechten en misbruik van bevoegdheid!

        Uitleg: Mag de Overheid de burger dan ook dwang, boetes en schulden opleggen, door bijvoorbeeld een verplichte wet in te voeren voor dagelijkse boodschappen bij een “speciaal aangewezen supermarkt” of verplichte wet voor mobiel-/tv- of internetabonnementen?

        Het antwoord is NEEN, de zorgverzekeraars zijn commerciële private ondernemingen en geen Overheidsinstituten. Het is dus bij de wet verboden om verplichte Bestuursrechtelijke (=Overheid) premies op te leggen op vrije burgers, die het recht hebben om zelf te bepalen met welke private bedrijven zij wel of geen zaken willen doen.

        Dan wordt er verwezen naar een vonnis van de kantonrechter in Den Haag, waar de zorgverzekeringsmaatschappij VGZ een vordering instelt tegen Zwarts voor het betalen van achterstallige premies.

        Echter, Zwarts heeft nooit een zorgverzekering aangevraagd en afgesloten bij VGZ en aangezien VGZ geen overeenkomst kan overleggen, wijst de rechter terecht de vordering af.

        VGZ claimt in haar eis dat Zwarts verplicht is verzekerd en ook niet bij een andere zorgverzekeraar staat geregistreerd als zijnde verzekerd, maar kan geen overeenkomst overleggen en weigert verder uitleg te geven over hoe Zwarts dan bij hen verzekerd is geraakt.

        Het antwoord daarop is waarschijnlijk te vinden op de website van de rijksoverheid:

        Aanmelden bij zorgverzekeraar

        Als u niet verzekerd bent, stuurt het CAK u daarover een brief. U moet dan binnen 3 maanden een zorgverzekering afsluiten of aantonen dat u zich niet hoeft te verzekeren (bijvoorbeeld wegens gemoedsbezwaren). Doet u dat niet, dan krijgt u een boete.

        Na 2 boetes meldt het CAK u aan bij een zorgverzekeraar. Het CAK houdt dan 12 maanden premie in op uw inkomsten. Dit is de zogeheten bestuursrechtelijke premie (130% van de standaardpremie). Heeft u geen vast inkomen? Dan krijgt u een acceptgiro toegestuurd.

        U hoeft de premie voor de zorgverzekering niet met terugwerkende kracht te betalen. In de periode waarin u niet was verzekerd betaalt u de kosten voor medische zorg wel zelf.

        Wat niet duidelijk wordt uitgelegd bij de overheid is wat er gebeurt na die periode van 12 maanden.

        Wij hebben daarover contact opgenomen met het CAK en die vertellen ons dat zij de onverzekerde aanmelden bij een zorgverzekeraar en dat deze na die periode van 12 maanden weer zelf zaken doet met de klant.

        In het geval van Zwarts hebben we dan waarschijnlijk een door het CAK (overheid) aangemelde zorgverzekering, waarvan de rechtbank dan nu oordeelt dat deze niet rechtsgeldig is, omdat Zwarts niet zelf die verzekering heeft afgesloten.

        Deze uitspraak is heel belangrijk, want hiermee heeft de rechter erkend dat niemand anders voor jou contracten kan afsluiten met commerciële bedrijven. Dus, een overheid mag jou niet verplicht aanmelden als verzekerde bij een zorgverzekeraar. Ze kunnen dat wel doen, maar die verzekering mist dan iedere rechtsgeldigheid en de zorgverzekeraar krijgt dan ook geen gelijk van de rechter wanneer ze betaling van premies eisen.

        De verdere implicaties van dit alles zijn dan ook potentieel enorm, want dat betekent dat volgens deze uitspraak de overheid de wet met voeten treedt.

        Zoals bij Zwarts op de website staat:

        Burgerwetboek 1 art. 1 stelt, dat een burger namelijk vrij en bevoegd is om een dienstbaarheid wel of niet te willen dulden, een verplichte zorgverzekering is dwang (Art. 284 Strafrecht) en door het plegen van dwang worden burgers tot slavernij (Art. 273f SR) gedwongen (Art. 365 SR) om hun inkomsten af te staan in samenspanning (Art. 51 & 80 SR) van ambtenaren, bestuursrechters, gerechtsdeurwaarders en zorgverzekeraars (Art. 285 & 285b SR).

        Met deze uitspraak is de verplichte zorgverzekering uiteraard nog niet van de baan, maar vormt het wel een basis om strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen de overheid.

        De overheid moet op vele fronten een halt worden toegeroepen, van de orgaanroof uit jouw lichaam tot het voor jou afsluiten van zorgverzekeringen, het zijn allemaal zaken die de grondwettelijke rechten en zelfs de internationaal vastgelegde mensenrechten van burgers aantasten.

        Dus, wat dat betreft: hulde aan J. Zwarts en steun hem en zijn club in hun verdere missie welke een strijd is voor ons allemaal!

           

        Source:

         

         

         

        Nieuwe donorwet schending mensenrechten (video)

         

         

        maandag, 19 februari 2018 15:01 Hits: 16181

         

        De rust is weergekeerd en je hoort plots helemaal niets meer over het gedrocht dat donorwet heet en waarmee je automatisch een onderdelenmagazijn van de overheid wordt.

        Afgezien van het feit dat politiek Den Haag verraad heeft gepleegd ten opzichte van haar eigen burgers, is het ook nog eens een flagrante schending van de mensenrechten.


        Als er niet heel snel iets gebeurt, dan zal ons land en met name ook de volgende generatie, te maken krijgen met een overheid die de beschikking krijgt over hun organen bij overlijden.

        In de praktijk zullen heel veel mensen niet beseffen of simpelweg vergeten dat ze expliciet moeten aangeven dat ze geen donor willen zijn, waardoor miljoenen mensen het risico lopen op een snijtafel te belanden waar hun organen worden weggehaald op een moment dat ze nog niet eens dood zijn. Voordat we verdergaan, navolgend wat belangrijke feiten over het orgaanoogsten, te beluisteren in de volgende indringende video die we al eens eerder publiceerden.


        Een lezer zegt er het volgende over (dank!):

        Op 13 januari 2017 plaatste Niburu het artikel, geef je lichaam niet in handen van de overheid.

        Daarin werd ook een brief gepubliceerd van een lezer die een oproep deed aan de Eerste Kamerleden met het verzoek het eigendomsrecht van je lichaam te respecteren.

        Deze brief was afkomstig van mij en ik vind het zeer teleurstellend dat de wet is aangenomen.

        Zelf heb ik veel mensen benaderd die ook daadwerkelijk deze brief en nog een andere hebben ondertekend en verstuurd.

        Nu blijkt nog maar eens weer dat de regering totaal geen boodschap heeft aan, hoe de bevolking hier over denkt, en gewoon ze'n eigen gang gaat.

        Het is een kwalijke zaak dat wensen van burgers met voeten worden getreden en ik vind dit onacceptabel.

        Daarom ben ik stellig van plan, aangifte te doen tegen deze wet van Pia Dijkstra en de regering.

        Als de heer Wilders een uitspraak doet die niet iedereen zint, dan is half Nederland in rep en roer en doet men op grote schaal aangifte.

        Nu een regering ons kostbaarste bezit automatisch in beslag neemt/onteigend doen we niks?!

        Dat kan niet waar zijn, deze regering zou eigenlijk morgen al via een kort geding voor de rechter moeten worden gesleept wegens beroving van ons lichaam.

        Als we nu niet in actie komen tegen deze wet, dan worden we automatisch afgevoerd richting de slachtbank.

        En een dag later stuurt hij het volgende:

        Eigenlijk zou ik iedereen "die tegen de nieuwe donorregistratie wet is" willen oproepen om actie te ondernemen.

        Het is wettelijk niet toegestaan andermans bezittingen/lichaam (automatisch) in bezit te nemen.

        Hier moeten we ons zeker tegen verzetten.

        Dit is schending van de mensenrechten, recht van eigendom.

        Mijn vraag aan jullie is om in een artikel duidelijk te maken dat het zeer onwaarschijnlijk is of onmogelijk, dat deze wet doorgang vind en dat deze in strijd is met de mensenrechten, recht van eigendom.

        Als mijn berichtje van gisteren een bijdrage kan leveren in zo'n artikel of een deel ervan, dan kan dat gebruikt worden.

        Waar het mij om gaat is dat deze wet geen doorgang mag hebben en dat er actie moet worden ondernomen.

        En zo is het maar net, en dan komt natuurlijk de volgende vraag: Wie moet deze kar gaan trekken?

        Wij zijn met te weinig om hier zelf een actieve rol in te kunnen spelen, behalve publiciteit en daarom hadden we contact opgenomen met de Stichting Privacy First, omdat zij eerder rechtszaken hebben gevoerd tegen de overheid.

        Het antwoord dat we terugkregen van de Voorzitter, Bas Filippini, luidt als volgt:

        We hebben besloten niet hier nu aan mee te doen gezien onze prioriteiten met andere zaken. We gaan wel kijken wat voor acties we gaan voeren inzake de nieuwe donorwet. Wij kunnen ons altijd nog aansluiten bij een dergelijke rechtszaak!

        Zover zijn we op dit moment en de vraag is dan ook: Zijn er mensen die een actieve rol willen spelen in het opzetten en/of meewerken aan een strijdplan om de overheid aan te klagen? Wij zullen dan de geïnteresseerden met elkaar in contact brengen, zo goed mogelijk ondersteunen en uiteraard de verdere ontwikkelingen publiceren.

         

        Source:

         

         

        Inschrijven functionaris publiekrechtelijk rechtspersoon

         

        Source:

         

        Bewijzen

         

        Beste Leden,

        Wij gaan in deze Nieuwsbrief u de bewijzen laten zien die onze vereniging zowel schriftelijk en als audiobestanden verzameld heeft, we maken zo voor onze leden het mogelijk om de instanties die van toepassing zijn op deze manier te confronteren met de onderzoeksresultaten, zodat er hopelijk een einde komt aan deze oplichtingspraktijken en de fraudeurs.

        Om aan te tonen dat rechters, officieren en de politie niet bevoegd zijn, hebben wij van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op papier bevestigd gekregen dat alle rechters natuurpersonen zijn. Natuurpersonen betekend dat ze niet onder de staat vallen, wat inhoud dat ze niet ingeschreven staat bij de KvK onder formulier 18 en 20.

        Ook hebben we via Rechtspraak op papier bevestiging dat alle rechtbanken pas staan ingeschreven vanaf 1 juli 2021, en het voor 1 juli 2021 niet nodig was, omdat toen nog niet de wet toezicht bestuur rechtspersonen WBTR in werking was. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2021/06/15/informatieblad-wet-bestuur-en-toezicht-rechtspersonen

        In een telefoongesprek met de Kamer van Koophandel staat op geluidsband dat rechtbank Maastricht, Den Haag en Zeeland-West-Brabant niet bevoegd zijn, deze mensen niet staan ingeschreven, en voor 1 juli 2021 een andere inschrijving hadden bij de KvK zoals personeelsvereniging en carnavalsvereniging.

        De gebouwen van de Rechtspraak stonden wel ingeschreven, alle rechtbanken waren niet bevoegd tot 1 juli 2021. Dus heeft nooit een rechtbank bestaan!  Na 2021 hebben de rechters de kans gehad om zich in te schrijven onder een publiekelijk rechtspersoon als functionaris die een volmacht heeft om besluiten te maken als rechter/ griffier. Dit is niet gebeurd.

        Omdat de wet Besturen toezicht rechtspersonen is gekomen, moeten functionarissen ingeschreven staan bij de KvK. onder formulier 22. Dat houd in dat ze onder de staat vallen. 

        Inschrijving van formulier 18 en 22 bij de KvK is verplicht, dit is op band bevestigt door KvK.

        Wrakingsverzoeken
        Rechters staan nog steeds niet ingeschreven. Dankzij rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt ons bevestigd via email dat niet alleen hun rechters maar alle rechters natuurpersonen zijn. Een natuur persoon kan nooit onder publieke rechtspersoon vallen, een natuurpersoon is handels onbekwaam dus mag geen besluiten maken zonder een uitspraak van de rechtspraak .

        Ook zijn er WOO-verzoeken ingediend nadat de heer Plate meerdere malen onnodig gearresteerd was. De heer Plate heeft gevraagd via Woo-verzoek of de politieagenten onder de staat vallen, en ook heeft hij gevraagd of ze bevoegd waren, heet publiekelijk rechtspersoon. Hij kreeg als antwoord terug dat politieagenten natuurpersonen zijn, ook de Officier van Justitie is een natuurpersoon.

        Hier meer over openbare lichamen. 
        https://www.navigator.nl/document/id503497eb84c14437a76ccee786bb3faf/belastingheffing-over-particulierpensioen-en-overheidspensioen-in-grensoverschrijdende-situaties-fiscale-monografieen-nr-144-6312-openbare-lichamen?ctx=WKNL_CSL_2166

        Wij hebben voor u alle bewijzen op papier en deze blootgelegd, het is nu aan u, de leden om intern bij de desbetreffende instanties de boel wakker te gaan maken! Wij zouden het zeer oprijs stellen om van jullie de bewijzen te ontvangen en te horen wat jullie er mee hebben bereikt!

        Alle bewijzen kunt u ook terug vinden op ons telegramkanaal https://t.me/+bF0g7SNdpyIxMzBk ook de bewijzen over de deurwaarders staan daarop! Die kunt u al gebruiken! Ook zullen wij daar in een volgende nieuwsbrief daar verder op ingaan!

        Met vriendelijk groet,
        Team Plate

         

         

        Schenkingsovereenkomst

         

        OVEREENKOMST VAN SCHENKING

        De ondergetekenden:

        1. de echtgenoten / partners: de heer .............................., geboren te .............................. op .................., BSN ..................; mevrouw .............................., geboren te .............................. op .................., BSN ..................; beiden hierna gezamenlijk te noemen de schenker, met elkander gehuwd in .............................. en wonende aan de .............................. te ..............................,
        2. de heer / mevrouw .............................., hierna te noemen de begiftigde, geboren te .............................. op .................., wonende aan de .............................. te ..............................;

         

        de schenker en de begiftigde hierna gemeenschappelijk te noemen "partijen",

         

        Overwegende:

        • dat partijen met elkaar een overeenkomst van schenking aangaan;
        • dat partijen wel / niet een familiaire verhouding hebben, namelijk ..............................;
        • dat partijen de voorwaarden van de schenking schriftelijk willen vastleggen.

        Artikel 1: VOORWERP VAN OVEREENKOMST

        1. De schenker en de begiftigde zijn op .................. een overeenkomst van schenking aangegaan, op grond waarvan door de schenker aan de begiftigde is geschonken een bedrag van € .................. in de vorm van contanten / in de vorm van kwijtschelding op een schuld of op bankrekening .................. gestort.
        2. De begiftigde verklaart hierbij de bovengenoemde schenking te hebben aanvaard en ontvangen.


        Artikel 2: OVERIGE BEPALINGEN

        1. De eventueel verschuldigde schenkingsrechten komen voor rekening van de schenker / de begiftigde. De betaling zal plaatsvinden vóór .................. Er is een vrijstelling van € .................. van toepassing en de verschuldigde schenkingsrechten bedragen € ..................
        2. De schenker heeft bij de schenking bepaald dat de schenking met de uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng in de nalatenschap van de schenker is geschied.
        3. De schenker heeft bij de schenking bepaald dat hetgeen geschonken is, alsmede de vruchten daarvan, vallen buiten elke huwelijksvermogensgemeenschap, zowel de wettelijke als de contractuele, waarin de begiftigde is gehuwd of ooit huwen zal en buiten ieder verrekenbeding of deelgenootschap betrekking hebbende op of verband houdende met een huwelijk of een buitenechtelijke samenlevingsovereenkomst.


        Artikel 3: TOEPASSELIJK RECHT EN FORUMKEUZE

        1. Op deze overeenkomst is het Nederlands recht van toepassing.
        2. Alle geschillen voortvloeiende uit of verband houdende met de uitvoering van deze overeenkomst worden door de schenker en de begiftigde in eerste aanleg aanhangig gemaakt bij de gerechtelijke instantie waaronder de woonplaats van de schenker / begiftigde ressorteert.

         

         

        Aldus in drievoud opgesteld en ondertekend te .............................. op ..................


        De schenker: .............................. 


        De begiftigde: ..............................

         

        Source:

         

        ANBI

        Beste Leden,

        Wij gaan in deze Nieuwsbrief u de bewijzen laten inzien die onze vereniging schriftelijk en als audiobestanden verzameld heeft, we maken zo voor onze leden het mogelijk om de instanties die van toepassing zijn op deze manier te confronteren met de onderzoeksresultaten, zodat er hopelijk een einde komt aan deze oplichtingspraktijken en de fraudeurs.

        We gaan nu samen kijken naar wat eigenlijk ANBI's zijn, https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/bijzondere_regelingen/goede_doelen/algemeen_nut_beogende_instellingen/belastingregels_algemeen_nut_beogende_instellingen zo kunt u voor u zelf meekijken aan welke ANBI's u eigenlijk wetende of onwetend betaald. Het CJIB, de wooncorporaties, zorgverzekeringen en ook alle instanties van de staat etc. vallen hieronder. 

        Via deze link: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/aftrek-en-kortingen/content/anbi-status-controleren kunt u controleren of de instelling een ( culturele ) ANBI is.

        Ons advies is echter wel om eerst de factuur van een ANBI instelling te betalen en daarna terug te halen via de ANBI teruggave bij de belastingdienst. De ANBI teruggave kan tot 5 jaar terug gedaan worden!

        U bent uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor uw eigen keuze! 
        Dit blijkt uit WOO-onderzoeken en bandopnamens die onze vereniging gemaakt heeft. Er is bevestigd vanuit de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst dat diverse instanties op deze manier valsheid in geschrifte plegen. Dit houd ook in dat het CJIB geen dwangbetaling mag opleggen, geen beslagleggingen mogen uitvoeren of u vast mogen zetten.

        Ook is op bandopname bevestigd door de Kamer van Koophandel dat de heer Verkade niet als bevoegd rechtspersoon werkzaam is in deze ANBI-instelling (CJIB). Wederom FRAUDE !

        Een ANBI-instelling bestaat uit giften en donaties, dat kan nooit uit een opgelegd bedrag ontstaan, sterker nog, bijkomende incassokosten en dwang sommeringen. We hebben immers geen schenking overeenstemming of donateurschap met deze ANBI instelling. Dit is bevestigd door Binnenlandse zaken!

        Alle instanties die onder de overheid vallen zijn dan ook automatisch een ANBI-instelling.

        Met vriendelijk groet,
        Team Plate

        U kunt als lid gebruik maken van de bewijzen die wij in deze nieuwsbrief toegevoegd hebben!

        Indien u een aangifte doet en bezwaar indient, zien we graag het bezwaarschrift tegemoet met een envelop en 2 postzegels zodat we hem via de vereniging kunnen tekenen en rechtsgeldig kunnen maken. Omdat wij een privaat rechtelijke rechtspersoon zijn, moeten wij het op deze manier indienen. Bij een natuurpersoon is deze niet rechtsgeldig. Graag zien wij ook een kopie van de aangifte tegemoet, zodat we alles kunnen bundelen. 

         

        3e Kamer der Statengeneraal

        STICHTING 3E KAMER DER STATENGENERAAL

        als ik minister was
        HEEMSTEDE | RSIN: 863891263
        https://www.alsikministerwasdan.nl (opent nieuw venster)

        • Begindatum: 21-06-2022

         

         

        De stichting

        Colofon & contact

        De naam van de stichting is: 3de Kamer der Statengeneraal.

        Stichting (RSIN 8638.91.263) is opgericht op 21 april 2022 en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer: 86193813.

        Contactgegevens: www.alsikministerwas.nl

        E-mail: 3dekamer@kpnmail.nl

         

        De samenstelling van het bestuur is als volgt:

        • voorzitter: de heer D.H.M. (Tom) van Rijn te Heemstede, gepensioneerd organisatieadviseur
        • secretaris: mevrouw R. van Rijn te Vught, zelfstandig ondernemer
        • penningmeester: de heer K. Mutsaers, Tilburg, voormalig accountant

        Alle bestuursleden werken onbezoldigd aan het initiatief.

         

        2.1. De stichting heeft ten doel: het onderhouden van een (online) platform waarop oplossingen voor onder andere maatschappelijke problemen en situaties kunnen worden gepubliceerd, alsmede al hetgeen daarmee samenhangt.

        2.2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

        a. het opzetten en beheren van een (online) platform;

        b. het ondersteunen en ontwikkelen van initiatieven die met deze oplossingen samenhangen;

        c. dienstverlening aan, het behartigen van belangen van en het bevorderen van de samenwerking tussen de verschillende ministeries en/of andere overheidsinstanties;

        d. het verrichten van alle andere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

        2.3. De stichting heeft geen winstoogmerk.

         

        Source:

         

        HUIS

        STICHTING HAVENSTEDER ROTTERDAM | RSIN: 2769931

        Begindatum: 01-01-2012

         

        ZORG

        STICHTING MENZISFONDS WAGENINGEN | RSIN: 820226634

        Begindatum: 24-12-2008

         

        Anbi status opzoeken

         

        KVK bedrijven informatie opvragen gratis

         

        Mandaat, delegatie en volmacht

         

        Dagelijks nemen bestuursorganen allerlei besluiten op grond van wettelijke bepalingen. Het bestuursorgaan hoeft de bevoegdheden niet zelf uit te oefenen, maar kan deze overdragen (delegatie) of mandateren. Het voorkomen van overbelasting van het bestuursorgaan of het versnellen van besluitvormingsprocedures kunnen redenen zijn bevoegdheden te delegeren of mandateren.

        De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat in titel 10.1 het kader voor de verdeling van bevoegdheden via delegatie en mandaat: welke bevoegdheden mogen bij ambtenaren worden neergelegd, welke bij niet-ondergeschikten van het bestuursorgaan. In artikel 3:61 Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de voorwaarden waaronder een volmacht verleend kan worden geregeld. Via de schakelbepaling van artikel 3:79 BW is artikel 3:61 BW ook van toepassing op een bestuursorgaan. Wat heeft het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan dan nog te zeggen? Bij het werken binnen en voor een overheidsorgaan blijft altijd de vraag: wie is bevoegd en wat is de reikwijdte van die bevoegdheid? Die vraag lijkt eenvoudig te beantwoorden, maar ligt vaak lastiger dan gedacht.

        Delegatie

        Als een bestuursorgaan zijn bevoegdheid om bepaalde besluiten te nemen overdraagt aan een ander bestuursorgaan, is sprake van delegatie. Een bestuursorgaan kan een bevoegdheid alleen delegeren als de wet dit toestaat. Het bestuursorgaan dat een bevoegdheid via delegatie overdraagt, kan deze bevoegdheid zelf niet meer uitoefenen. Het bestuursorgaan dat de bevoegdheid overgedragen heeft gekregen, oefent deze bevoegdheid uit op eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid. Hij is voor die uitoefening dan ook zelf juridisch verantwoordelijk en daarmee ook de verwerende partij in bezwaar of beroep tegen een besluit dat op basis van de gedelegeerde bevoegdheid is genomen.

        Mandaat

        Naast delegatie bestaat ook de mogelijkheid om namens (in naam van) een bestuursorgaan een besluit te nemen. Er is dan sprake van mandaat. Kenmerkend voor mandaat is dat het bestuursorgaan dat mandaat verleent zelf de verantwoordelijkheid en zeggenschap behoudt. Hieruit volgt dat het besluit dat is genomen onder mandaat geldt als een besluit van het bestuursorgaan dat de bevoegdheid heeft gemandateerd. Omdat geen overdracht van bevoegdheden plaatsvindt, blijft de mandaatgever zelf ook gerechtigd om de bevoegdheid uit te oefenen.

        Volmacht en machtiging

        Onder volmacht wordt verstaan de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke handelingen uit naam van degene die de volmacht heeft verleend. Hieruit volgt dat de overeenkomst die is gesloten op basis van een volmacht moet worden beschouwd als een overeenkomsten dat namens het publiekrechtelijke lichaam is gesloten. Omdat geen overdracht van bevoegdheden plaatsvindt, blijft de volmachtgever eveneens gerechtigd om privaatrechtelijke handelingen te verrichten.
        Als je een feitelijke handeling verricht namens het bestuursorgaan, dan noem je dat een machtiging. De Algemene wet bestuursrecht spreekt over handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke handeling zijn. Een voorbeeld is het voeren van verweer namens het bestuursorgaan in een gerechtelijke procedure.

        Voor volmacht en machtiging gelden dezelfde regels als voor mandaat. Dit blijkt uit artikel 10:12 Awb dat de bepalingen over mandaat van overeenkomstige toepassing verklaart op het verlenen van een volmacht of een machtiging. In artikel 10:21 Awb is vastgelegd dat de bepalingen over delegatie van overeenkomstige toepassing zijn indien een bestuursorgaan zijn bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten overdraagt aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.

        Mandaat en delegatie in gemeenschappelijke regelingen

        Decentrale overheden in Nederland werken op allerlei terreinen met elkaar samen in gemeenschappelijke regelingen. Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en afhankelijk van het soort gemeenschappelijke regeling kunnen aan het bestuur bevoegdheden worden overgedragen (gedelegeerd) en/of gemandateerd. Dat kunnen alleen bevoegdheden zijn die aansluiten bij het doel waarvoor de gemeenschappelijke regeling is opgericht. Bij het opzetten en uitvoeren van zo'n samenwerkingsverband rijzen in de praktijk allerlei vragen over de taak- en bevoegdheidsverdeling. Zoals wie een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur moet afhandelen: het betreffende bestuursorgaan van de gemeenschappelijke regeling of van de deelnemer die het betreft? Mag de gemeenschappelijke regeling namens de deelnemers klachten of bezwaarschriften afhandelen?

        Mandaat- en delegatiebesluiten

        Als bevoegdheden worden gedelegeerd of de uitoefening daarvan via mandaat namens het bevoegd gezag mag plaatsvinden, dan dient dit in een vastgesteld mandaat- en delegatiebesluit te zijn vastgelegd. Dit besluit dient voor de burger toegankelijk te zijn en moet bekend gemaakt worden zodat kan worden nagegaan of een besluit is genomen door een daartoe bevoegde functionaris. Voordat een mandaat- en delegatiebesluit wordt vastgesteld, moet worden nagegaan of de betreffende bevoegdheden gedelegeerd of gemandateerd mogen worden. Voor delegatie is een wettelijke grondslag vereist, de aard van een bevoegdheid kan zich tegen mandaat verzetten. De randvoorwaarden waaronder delegatie en mandaat plaatsvindt, moeten duidelijk zijn en niet in strijd met de rechtszekerheid. In een mandaat- en delegatiebesluit van een organisatie, worden vaak ook de volmachten en machtigingen meegenomen.

        Risico’s onbevoegd genomen besluiten

        Als een bevoegdheid niet op een juiste wijze is overgedragen of namens het bestuursorgaan wordt uitgeoefend door een medewerker die daartoe niet is gemandateerd, kan dat vervelende gevolgen hebben. Bijvoorbeeld: een medewerker verkeert in de onterechte veronderstelling dat hij bevoegd was om een bepaald besluit te nemen dan wel een bepaalde rechtshandeling te verrichten. Welk effect heeft het onbevoegd nemen van een besluit dan wel het onbevoegd verrichten van een rechtshandeling? Kan de andere partij het besluit ongegrond (laten) verklaren of de rechtshandeling (laten) vernietigen? Of wordt deze andere partij door de wet in bescherming genomen?

        Een belanghebbende kan bij een onbevoegd genomen besluit in bezwaar of beroep vernietiging van het besluit vragen. Het bestuursorgaan kan in een beslissing op bezwaar een bevoegdheidsgebrek repareren en een rechter kan de rechtsgevolgen van een onbevoegd genomen besluit in stand laten of het bestuursorgaan opdragen het gebrek alsnog te herstellen. Maar dat vindt alleen plaats als de belanghebbende daardoor niet in zijn of haar belangen wordt geschaad en gaat meestal gepaard met een proceskostenveroordeling.

        Zowel de Awb als het BW bevatten bepalingen waarmee de andere partij tot op zekere hoogte beschermd wordt. In de jurisprudentie zijn deze zogenaamde beschermingsbepalingen nader uitgewerkt.

        Cursussen mandaat en delegatie

        Vijverberg verzorgt ook cursussen over mandaat en delegatie. Kijk hier voor het cursusaanbod op het terrein van het algemeen bestuursrecht.

        Ondersteuning Vijverberg

        Wilt u een mandaatbesluit laten opstellen, vraagt u zich af welke gevolgen de keuze voor delegatie of mandaat heeft voor een gemeenschappelijke regeling of heeft u andere vragen over mandaat, delegatie, volmacht of machtiging? Onze advocaten en adviseurs helpen u graag. Neem contact op met onze specialisten: 079-3631919 of mail ons.

         

        Algemeen bestuursrecht

         

        Cursus Mandaat en delegatie: nooit meer onbevoegd

        Actualiseer in 1 dagdeel je kennis over mandaat en delegatie.

         

         

        Advies nodig?

        Bel ons: 079-3631919 of stuur een mail. Wij helpen u graag.

        Source:

         

        Eigenaar van Telefoonnummer: van wie is dit nummer?

         

        Download and print, put it on windows and doors. Read it. If you do not exercise your rights, you have none.

         

        Handtekeningen

         

        HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN
        VAN DE EUROPESE UNIE

         

         

        Akten van geboorte, van overlijden en de akten houdende attestaties de vita (Afd. 4, Titel 4, Boek 1 B.W.)

         

        Source:

         

         

        Akte van overlijden opvragen, zo werkt het

        / Door 

         

        Je kunt een akte van overlijden opvragen bij de gemeente waarin iemand is overleden. Dat is ook de gemeente waarbij je het overlijden meldt. Degene die de uitvaart verzorgt, zal dit normaal gezien voor je regelen.

        Een overlijdensakte is een akte van de gemeente waarin de plaats, datum en tijdstip van overlijden staan. Je kunt daarmee bewijzen dat iemand niet meer in leven is. De originele akte van overlijden blijft bij de gemeente, dus je kunt alleen een uittreksel opvragen.

        Met een akte van overlijden kun je bewijzen dat iemand niet meer in leven is. Een bank of verzekeraar kan er om vragen voordat ze je verder helpen. Je hebt het ook nodig als je bij het CTR wilt navragen of er een testament is. De gemeente geeft het overlijden door aan de fiscus, de SVB, het pensioenfonds en de zorgverzekering. Dat gaat dus vanzelf. Een notaris kan zelf in het systeem van de gemeente kijken. Ook voor de notaris heb je dus geen overlijdensakte nodig.

        Wie mag een akte van overlijden opvragen?

        Normaal gezien krijg je de akte van overlijden van degene die de uitvaart verzorgt. Die regelt dit dus voor je bij de gemeente. In een andere situatie kun je als belanghebbende zelf contact opnemen met de gemeente.

        Wie geeft de akte van overlijden af?

        De akte van overlijden wordt afgegeven door de gemeente waarin iemand is overleden. Dat is ook de gemeente waarbij je het overlijden meldt.

        Waar heb je een akte van overlijden voor nodig?

        Met een akte van overlijden kun je bewijzen dat iemand niet meer in leven is. Een bank of verzekeraar kan er om vragen voordat ze je verder helpen. Je hebt het ook nodig als je bij het CTR wilt navragen of er een testament is. De gemeente geeft het overlijden door aan de fiscus, de SVB, het pensioenfonds en de zorgverzekering. Dat gaat dus vanzelf. Een notaris kan zelf in het systeem van de gemeente kijken. Ook voor de notaris heb je dus geen overlijdensakte nodig.

        Wat zijn de kosten voor het opvragen van een akte van overlijden?

        De gemeente brengt voor de akte van overlijden een klein bedrag aan leges in rekening. In 2023 zijn de kosten voor het opvragen van een overlijdensakte € 15,70.

         

         

        Aansprakelijkstelling

         

        Aansprakelijkstelling

        Als u schade lijdt door toedoen van een ander is het belangrijk die ander aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Als u een rechtsbijstandsverzekering heeft, dan kunnen zij mogelijk de schade voor u verhalen. Anders zult u dat zelf moeten doen. Daarvoor kunt u gebruik maken van onze voorbeeld aansprakelijkstelling.

        Het is belangrijk dat u de veroorzaker schriftelijk aansprakelijk stelt op het moment dat u bekend raakt met schade. Een aansprakelijkstelling bevat in ieder geval:

        • een ondubbelzinnige zin waarin de veroorzaker aansprakelijk wordt gesteld;
        • een beschrijving van de gebeurtenis;
        • de geschatte schade en hoe deze is opgebouwd;
        • het feit dat de totale schade nog kan veranderen;
        • een betalingstermijn.

        Bewijsmateriaal

        Als u de veroorzaker aansprakelijk wilt stellen, is het van belang bewijsmateriaal te verzamelen. Denk bijvoorbeeld aan foto’s van de schade en de situatie. Maar ook gegevens van getuigen, een eventueel een politierapport of medisch dossier kunnen op een later moment nog belangrijk worden.

        Per aangetekende en gewone post

        Het is belangrijk dat de brief de veroorzaker bereikt. Wij adviseren daarom om de brief zowel per aangetekende post als per gewone post te versturen. Bewaar het bewijs van verzending zorgvuldig!

         

        Download de Aansprakelijkstelling

         

        Source:

         

        Voor de mensen welke te maken hebben met het INCASSO-BUREAU voor het binnenhalen van de NIET-BETAALDE WATERSCHAP-BELASTING het volgende.

        Je krijgt te maken met CANNOCK CHASE PUBLIC
        Van Heemstraweg 58, 6651KH Druten
        Postbus 103, 6650AC Druten
        0487515123
        0487516505
        postbuspublic@cannockchase.nl
        01-04-1987
        16-08-1991

        Dit PRIVATE-BEDRIJF geeft zich uit als CANNOCK CHASE, dit staat op hun INCASSO-BRIEF.
        Echter het BEDRIJF waar je mee te maken krijgt is MANDAAT BV ( Statutaire naam ).
        De namen welke op je staan, welke zich uitgeven als DEURWAARDE zijn ONBEZOLDIGD in gehuurd, en DIT ZIJN GEEN BEËDIGDE DEURWAARDERS, ONBEZOLDIGD betekend niet op de LOONLIJST staan.

        Alle WATERSCHAPPEN, GEMEENTEN enz, hebben een CONTRACT afgesloten met Cannock Chase Public ( MANDAAT BV Kvk 10030766 ), dit in opdracht van Markus-Gerardus-Jozef
        Harbers ( Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat KvK 52766179 )

        NU KOMT HET: Boven MANDAAT BV staat CANNOCK CHASE HOLDING BV (KvK 59436697 ) Dit is een INVESTERING-MAATSCHAPPIJ met €32.000.000,- op de BALANCE.
        Dit geld komt van AXIOM PARTNERS GmbH,Alte Steinhauserstrasse 1, 6330 Cham, Zwitserland
        Chancellerie d'Etat,Zwitserland ( KvK Zwitserland CHE-259.972.007) via CANNOCK CHASE EDR HOLDING BV ( KvK 59436697 ) De entree 222, 1101EE Amsterdam.
        Dit is een Grachten PAND in Amsterdam waar meerder ADVOCATEN KANTOREN zitten.

        KORTOM: ONZE CONTRIBUTIE VAN DE WATERSCHAPPEN EN GEMEENTEN WORDEN BINNEN-GEHAALD DOOR EEN ZWITSERS-BEDRIJF.
        VOOR ALLE DUIDELIJKHEID, ZE HEBBEN EEN CONSENT VAN JE NODIG MET DE VRAAG OF JE ALSTUBLIEFT HUN VORDERING WIL BETALEN.
        ALS DIT GEEN WITWASSEN VAN GELD IS, HOE DUIDELIJK WIL JE HET HEBBEN.

         

        Niet boven maar in de wet

         

        Rapport van de Commissie herziening wetgeving
        ambtsdelicten Kamerleden en bewindspersonen
        Juli 2021

         

        De ministers zijn verantwoordelijk toch? 

        Echter hebben die besloten misdadigers te zijn en zichzelf vrij gesteld van strafrechtelijk vervolging.

        Dit geeft aan dat deze misdadigers in vereniging een misdaadorganisatie zijn deelnemen op welke manier ook aan een organisatie die dat oormerk draagt, is strafbaar in de wet art 140 SR  

         

        Rapport | 14-07-2021

        Een werkbare en faire regeling voor de opsporing, vervolging en berechting van ambtsdelicten van Kamerleden en bewindspersonen.

         

        Source:

         

        Wetboek van Strafrecht

         

        Geraadpleegd op 09-03-2024.
        Geldend van 01-07-2016 t/m 31-12-2016

         

        Artikel 140 SR

          • 1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

          • 2. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

          • 3. Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.

          • 4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.

           

           

          Artikel 140a     

          • 1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

          • 2. Oprichters, leiders of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

           

           

          Wetboek van Strafrecht

           

          Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2023.

          Zie het overzicht van wijzigingen.

          Geraadpleegd op 09-03-2024.

          Geldend van 01-01-2024 t/m heden

           

          Artikel 140 SR

          • 1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

          • 2. De voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie.

          • 3. Indien een organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, wordt het in het eerste lid bedoelde feit gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

          • 4. Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.

          • 5. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.

           

           

          Artikel 140a SR

            • 1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

            • 2. Oprichters, leiders of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

             

            Source:

             

            • Een Rechtspersoon is een juridische constructie.
            • Juridisch is een woord dat aangeeft dat er gekeken wordt of iets wel of niet klopt met datgene dat in de verschillende wetboeken staat beschreven. 'Juridisch correct' betekent dus dat het klopt volgens het wetboek.

             

            Juridisch

            Volgens ‘het recht’. Het recht is een systeem van afgesproken regels die duidelijk maken wat wel of niet mag. Die regels zijn vastgelegd in verschillende wetboeken. Juridisch is een woord dat aangeeft dat er gekeken wordt of iets wel of niet klopt met datgene dat in de verschillende wetboeken staat beschreven. ‘Juridisch correct’ betekent dus dat het klopt volgens het wetboek. Dat hoeft echter niet altijd te betekenen dat het ook het beste is.

             

            Source:

             

            Wetboek is de aanduiding voor verzamelingen van geschreven wetten. Het opstellen van wetboeken heet codificatie
             

            » wetboek › code.

            CODE

            • als trefwoord met bijbehorende synoniemen:
              code (zn) :geheimschrift, symbooltaal code (zn) :codewoord code (zn) :sleutel code (zn) :wetboek code (zn) :regels
            • als synoniem van een ander trefwoord:
              vorm (zn) :code, erecode, gedragscode, conventie, fatsoen, formaliteit, manier, manieren, omgangsvorm, omgangsvormen, plichtplegingmanier (zn) :code, erecode, gedrag, gedragscode, manieren, omgangsvorm, omgangsvormen, zedecijfer (zn) :code, geheimschriftsleutel (zn) :code, codering

             

            gramma: letter, bill, writing, learning, scriptures, written.

            a letter
            any writing, a document or record
            a note of hand, bill, bond, account, written acknowledgement of a debt
            a letter, an epistle
            the sacred writings (of the OT)
            letters, i.e. learning
            of sacred learning


            write, describe, subscribe, recorded, write up.
            to write, record, enrol
            (Qal)
            to write, inscribe, engrave, write in, write on
            to write down, describe in writing
            to register, enrol, record
            to decree
            (Niphal)
            to be written
            to be written down, be recorded, be enrolled
            (Piel) to continue writing

             

             

             

            The Role of Law

              Authors/Editors: 

              View Chapters

               

               

              Abstract:

              Examines the role of law—the instrumental way through which groups and individuals in society use law as a means of promoting, enforcing, and institutionalizing interests or objectives. Like policy, law exists as a means by which governments codify rules about how individuals and firms should behave in order to achieve economic and social policy outcomes, particularly in the criminal, civil, and regulatory domains. Law leads to economic and social policy outcomes by (1) incentivizing behavior change through coercion or sanctions; (2) serving as a focal point for coordinating behavior; and (3) creating a culture of compliance. Law also plays the more foundational constitutive role of defining governance process and providing a means for citizens—nonelites—to challenge and contest the exercise of power. Attention to the microfoundations of laws’ effectiveness can help policy makers and citizens design laws and strategies more likely to achieve success. Spotlights how effective and equitable legal institutions emerge.

               

              Dutch:

              De rol van het recht Abstract:

              Onderzoekt de rol van het recht: de instrumentele manier waarop groepen en individuen in de samenleving het recht gebruiken als middel om belangen of doelstellingen te bevorderen, af te dwingen en te institutionaliseren. Net als beleid bestaat het recht als een middel waarmee overheden regels kunnen codificeren over hoe individuen en bedrijven zich moeten gedragen om economische en sociale beleidsresultaten te bereiken, vooral op strafrechtelijk, civiel en regelgevend gebied. Het recht leidt tot economische en sociale beleidsresultaten door (1) gedragsverandering te stimuleren door middel van dwang of sancties; (2) dienen als centraal punt voor het coördineren van gedrag; en (3) het creëren van een cultuur van compliance. Het recht speelt ook de meer fundamentele constitutieve rol van het definiëren van het bestuursproces en het bieden van een middel voor burgers – niet-elites – om de uitoefening van macht uit te dagen en te betwisten. Aandacht voor de microfundamenten van de effectiviteit van wetten kan beleidsmakers en burgers helpen bij het ontwerpen van wetten en strategieën die meer kans op succes hebben. Belicht hoe effectieve en rechtvaardige juridische instellingen ontstaan.

               

              Source:

               

              o.vrijwillige controle: een niet bij of krachtens de wet verplichte controle van financiële verantwoordingen van ondernemingen of instellingen die inhoudelijk overeenkomt met een wettelijke controle;

               

               

               

              Een Rechtspersoon = een rechts subject met rechtspersoonlijkheid  de natuurlijk persoon is een rechts subject  art 2:5 BW

              Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, >tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. < vermogensrecht is boek 3 BW art 3:33 BW is het tegendeel  en het verschil tussen de natuurlijk en rechtspersoon in verbintenissen recht boek 6 op de eenzijdige en tweezijdige verbintenis  alleen een mens IN Persoon kan zijn wil toe rechtshandelen met rechtsgevolgen verklaren een rechtspersoon niet. zo kan er dus geen rechtsgevolg tot stand gebracht worden door een rechtspersoon. in een eenzijdige rechtshandeling richting een natuurlijk persoon van uit een rechtspersoon

               

               

              Ik probeer mij ervan te distantiëren, maar wordt onder dwang weer in hetzelfde potje gegooid als iedereen die dat wel of niet wil.

               

              DWANG is strafbaar en van rechtswegen dus nietig art 365 sr art 284 sr art 285 sr art 285b sr art 273f sr art 274 dus art 4 uvrm  het nietig zijn kan dan ook vernietigt worden buiten rechtelijk in het privaatrecht door art 3:44 BW art 49 BW art 3:50 BW art 3:53 BW en klaar is kees

               

              Alles waar iets anders voorstaat dan civiel of straf rechter is geen feiten rechter. echter heeft elke rechter de taak eerst het recht vastte stellen stap die daar overheen is het geen onafhankelijk rechter

               

               

               

              Precontractuele aansprakelijkheid uitdrukkelijk voorzien in het nieuwe verbintenissenrecht

               16 februari 2024 (updated 16 februari 2024) Published by 

               

              Het nieuwe verbintenissenrecht geeft een wettelijke basis aan de precontractuele aansprakelijkheid. Het is dus van groot belang om de precontractuele fase niet lichtzinnig of roekeloos aan te vatten en de onderhandelingen naar het afsluiten van een contract toe zeer zorgzaam en te goeder trouw te voeren.

              Zoniet riskeert men buitencontractueel aansprakelijk gesteld te worden.

              1. De vrijheid tot contracteren blijft verzekerd
                Globaal genomen blijft de vrijheid tot contracteren behouden, zonder dat de keuze  verantwoord moet worden (met uitzondering voor de gevallen die de wet bepaalt).
                U bent dan ook nog steeds vrij om te contracteren met wie u wenst.
                Ook de contractuele inhoud is vrij te bepalen in zoverre deze voldoet aan de wettelijke geldigheidsvereisten.
                Tijdens de precontractuele fase blijven ook binnen het nieuwe verbintenissenrecht, de partijen vrij om onderhandelingen aan te vatten, te voeren en af te breken. Maar hierbij moet wel steeds te goeder trouw gehandeld worden.
                Tot zover niets nieuws dus.
                Goed om weten evenwel is dat het risico op precontractuele aansprakelijkheid begint te spelen vanaf het moment waarop u de contractuele besprekingen aanvat. Daar komen we later op terug.
              2. Informatie verstrekken tijdens de precontractuele fase
                In de precontractuele fase wordt verwacht dat partijen elkaar alle informatie verstrekken.
                Hiermee wordt bedoeld zowel de informatie die zij wettelijk verplicht zijn om aan elkaar te geven, de informatie conform de goede trouw en de gebruiken en de informatie die zij elkaar moeten geven rekening houdend met de hoedanigheid van de partijen, hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van het contract.
                Alle informatie waarvan u vermoedt dat uw contractpartij ze nodig heeft, moet u aan die partij bezorgen. Dit is belangrijk want een schending van deze informatieplicht kan leiden tot de nietigheid van het contract of tot precontractuele aansprakelijkheid.
              3. Precontractuele aansprakelijkheid nu wettelijk voorzien
                Belangrijke nieuwigheid in het nieuwe verbintenissenrecht is dat er aan de precontractuele aansprakelijkheid een wettelijke basis is gegeven.
                Wanneer de onderhandelingen foutief worden afgebroken, kan dit aanleiding geven tot buitencontractuele aansprakelijkheid. De benadeelde persoon moet in dat geval teruggeplaatst worden in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden indien er geen onderhandelingen hadden plaatsgevonden.
                Dit kon binnen het oude verbintenissenrecht ook al worden gevorderd op basis van precedenten in de rechtspraak, maar nu is de sanctie voor precontractuele aansprakelijkheid ook wettelijk vastgelegd.
                Zo is voortaan voorzien dat wanneer het rechtmatig vertrouwen is gewekt dat een contract zonder enige twijfel gesloten zal worden, de partij die de onderhandelingen beëindigt, aansprakelijk kan gehouden worden tot het herstel van het verlies van de verwachte netto-voordelen uit het niet gesloten contract.
                Dit zijn belangrijke gevolgen want ook al komt het contract niet tot stand, u kan alsnog gehouden worden tot de verwachte netto-voordelen uit het contract waarover u aan het onderhandelen was.
                Om aansprakelijkheid te voorkomen, kan het belangrijk zijn een precontractueel document (LOI) te ondertekenen waarin duidelijk wordt gemaakt dat onderhandelingen geen enkel resultaat garanderen en dat alle partijen weten dat niets gegarandeerd is totdat er uiteindelijk iets wordt ondertekend.
                We geven u enkele toepassingen bekeken vanuit verschillende vakgebieden:

               Handels- en economisch recht


              In het kader van het distributierecht, bestaat er een zeer specifieke verplichting om een precontractueel informatiedocument af te sluiten. Indien dat niet gebeurt, kunnen de gevolgen groot zijn, aangezien de nietigheid van de overeenkomst kan worden gevorderd, evenals bijkomende financiële aansprakelijkheid.

               Op vennootschapsrechtelijke vlak:

              precontractuele aansprakelijkheid in het kader van overnameovereenkomsten
              In het vennootschapsrecht komt de precontractuele aansprakelijkheid ook ter sprake in het kader van overnameovereenkomsten, en meer in het bijzonder in het kader van de “voor-contracten” die voorafgaandelijk aan een overnameovereenkomst worden gesloten. Deze worden vaak door de partijen als niet-bindend beschouwd. Men denkt bijvoorbeeld aan de letter of intent (LOI), principeakkoorden, memorandum of understanding, etc. Met deze precontractuele documenten beoogt men om in grote lijnen, de afspraken vast te leggen die worden gemaakt in het kader van de transactie. Deze precontractuele afspraken worden dan later bevestigd/verfijnd in een definitieve overnameovereenkomst.
              Als de partijen geen bindende kracht willen verlenen aan het voor-contract, moeten zij dit uitdrukkelijk vermelden in het voor-contract. Maar zelfs in een dergelijk geval, bestaat er in hoofde van de partijen de verplichting om te goeder trouw en op basis van de overeengekomen principes te onderhandelen. Dit impliceert dat de partijen moeten meewerken aan de onderhandelingen en dat zij de onderhandelingen niet zonder redelijke rechtvaardiging kunnen afbreken.
              Wat als een “redelijke rechtvaardiging” kan worden beschouwd om onderhandelingen af te breken, is een subjectieve kwestie die aan rechtbanken moet worden voorgelegd. Maar daar waar vroeger het principe van precontractuele aansprakelijkheid zelf door de rechter moest worden bevestigd, wordt dit principe nu uitdrukkelijk in de wet verankerd.

              1. Besluit
                Wenst u geen precontractuele aansprakelijkheid te lopen, dan moet u ervoor zorgen dat u elke contractbespreking te goeder trouw aanvat en voert. Ga dus niet roekeloos besprekingen aan in de veronderstelling dat u hier steeds onderuit kan zolang er niets ondertekend is. Ook zonder afgesloten contract riskeert u reeds aansprakelijk gesteld te worden.

              Hebt u toch een probleem met een afgesprongen onderhandeling of vreest u in dit kader aansprakelijk gesteld te worden, aarzel dan niet onze specialisten van Seeds of Law te raadplegen via info@seeds.law  of +32 (0)2 747 40 07.

              Meer weten over dit onderwerp?
              Contacteer onze experten of bel +32 (0)2 747 40 07


              bron:

              https://seeds.law/nl/nieuws-inzichten/precontractuele-aansprakelijkheid-uitdrukkelijk-voorzien-in-het-nieuwe-verbintenissenrecht

               

               

               OVER DE AUTEUR:Michael Van Leeuwen

               

              Source:

               

              https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/woningwet-per-2022

               

              Denken als jurist

              Hoofdstuk 5: Rechtsbronnen

              R. Janse

               

              Inleiding

               

              Het recht bestaat uit verschillende type normen: gedragsnormen, sanctienormen en bevoegdheidsverlenende normen. Het recht is daarin niet uniek. Ook in ethische theorieën, kerkgenootschappen, sportfederaties, sociale verbanden, om maar een paar voorbeelden te noemen, zijn een of meerdere van deze typen te vinden. Wat maakt dat een norm een rechtsnorm is? Het antwoord is dat rechtsnormen die normen zijn die te vinden zijn in een van de rechtsbronnen. Over die rechtsbronnen van Nederlands recht gaat dit hoofdstuk.

               

              De bronnen van Nederlands recht zijn van oudsher de wet, jurisprudentie en ongeschreven recht, dat kan worden onderverdeeld in ongeschreven recht en ongeschreven rechtsbeginselen. In de loop van de twintigste eeuw is de Nederlandse rechtsorde in toenemende mate verweven geraakt met de internationale rechtsorde. Daarom zijn inmiddels ook internationale verdragen, internationaal gewoonterecht, besluiten van internationale organisaties, internationale jurisprudentie en EU-recht rechtsbronnen van Nederlands recht. Aan die vervlechting van de nationale en internationale rechtsorde wordt in dit hoofdstuk kort aandacht besteed.

               

              Het criterium om te herkennen of een norm een rechtsnorm is, is formeel. Gekeken wordt naar de bron waaruit de norm voortkomt. Er geldt geen inhoudelijk criterium om te bepalen of een norm een rechtsnorm is. Dat een norm vanuit moreel of religieus oogpunt verwerpelijk is of tekort schiet, is dus geen argument om te zeggen dat de norm geen rechtsnorm is.

               

              Wie of wat bepaalt wat de formele rechtsbronnen zijn? In het Nederlands recht staat nergens, ook niet in het Statuut van het Koninkrijk of in de Grondwet, opgesomd welke de formele rechtsbronnen zijn. Een dergelijke opsomming kan overigens ook geen echt antwoord op de vraag geven. Er zou immers een circelredenering ontstaan, want wie of wat bepaalt dat de norm met zo’n opsomming als rechtsnorm geldt? Wat als rechtsbron geldt, is uiteindelijk een conventie, een al lang bestaande, stilzwijgende afspraak tussen juristen, die aanvaard wordt door de rest van de samenleving. Met andere woorden: we weten welke de formele rechtsbronnen zijn door te kijken welke maatstaven door burgers en gezagsdragers in de rechtsorde feitelijk gebruikt worden om normen als rechtsnormen te erkennen.

               

              De wet als bron van Nederlands recht

               

              De wet is de belangrijkste bron van Nederlands recht. Een jurist die op zoek gaat naar toepasselijke rechtsnormen, zal altijd eerst kijken of deze te vinden zijn in de wet, en in veruit de meeste gevallen is tenminste een deel van de toepasselijke rechtsnormen opgenomen in de wet. Het Nederlands recht wordt daarom gerekend tot de zogenaamde civil law rechtsstelsels, die te vinden zijn in alle landen op het Europese vasteland. Het uitgangspunt van dergelijke stelsels is dat recht neergelegd is in wetten en wetboeken. Het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, het Engelstalige deel van Canada, en Australië zijn voorbeelden van common law stelsels. In dergelijke rechtsstelsels is het belangrijkste deel van het recht ontwikkeld in een lange geschiedenis van rechtspraak. Een jurist op zoek naar toepasselijke rechtsregels, zal in dergelijke stelsels in eerste instantie kijken naar standaard rechterlijke uitspraken. In de praktijk is het verschil tussen civil law en common law stelsels overigens niet meer zo groot: in civil law stelsels zijn rechtspraak en ongeschreven recht belangrijke bronnen van recht, in common law stelsels is wetgeving een steeds belangrijker bron van recht geworden.

               

              De mate waarin de wet in Nederland het geldende recht bevat, verschilt per rechtsgebied. Het materiële en formele strafrecht bijvoorbeeld leunen sterk op de wet, omdat rechtszekerheid en democratische legitimiteit in dit rechtsgebied van uitzonderlijk groot belang zijn. In veel andere rechtsgebieden is verhoudingsgewijs meer recht te vinden in jurisprudentie of ongeschreven recht. Het aansprakelijkheidsrecht (onrechtmatige daad) is daarvan een voorbeeld: de wet bevat de hoofdregels en uitgangspunten, de jurisprudentie is verantwoordelijk voor de uitwerking op allerlei deelterreinen van het maatschappelijk verkeer.

               

              Een van de eigenaardigheden van het recht is dat er bijna altijd uitzonderingen zijn. Dat is ook zo wanneer onder woorden moet worden gebracht wat de kenmerken zijn van een wet. Die uitzonderingen blijven verder buiten beschouwing. De hoofdregel is dat een wet drie kenmerken heeft. Ten eerste is een wet een algemene regel: zij is van toepassing op een onbepaald aantal personen en gevallen. Ten tweede is een wet uitgevaardigd door een instantie die tot wetgeving bevoegd is. Ten derde heeft een wet externe werking: zij is bedoeld voor personen en gevallen die zich buiten die wetgevende instantie bevinden; regels die betrekking hebben op het interne functioneren van wetgevende organen zijn geen wetten. Zo hebben de Tweede en de Eerste Kamer een reglement, waarin de gang van zaken in het parlement wordt geregeld, bijvoorbeeld met betrekking tot de te volgen procedure bij de verkiezing van een nieuwe kamervoorzitter. Op burgers, bedrijven en overheden hebben dergelijke interne regels geen betrekking; de regels hebben geen externe werking. Als een regel afkomstig is van een tot wetgeving bevoegd orgaan, algemeen is en externe werking heeft, spreken we van een wet in materiële zin.

               

              Er zijn verschillende tot wetgeving bevoegde organen. Een daarvan is de Staten-Generaal en regering gezamenlijk (zie artikel 81 van de Grondwet). De wetten die deze wetgever vaststelt, worden wetten in formele zin genoemd. Voor zover deze wetten ook voldoen aan de kenmerken van algemeenheid en externe werking, zijn dit dus wetten in formele zin die tevens wetten in materiële zin zijn. Het feit dat wetten in formele zin worden uitgevaardigd door de volksvertegenwoordiging en de regering gezamenlijk en dat een zware procedure moet worden doorlopen voordat deze dergelijke wetten vast worden gesteld (zie artikel 82 Grondwet) geven aan dat deze wetten de hoogste door nationale wetgevers gemaakte wetten zijn. Het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Algemene Wet Bestuursrecht, het Burgerlijk Wetboek, kortom, de belangrijkste wetten in alle rechtsgebieden zijn wetten in formele zin. De grondwet zelf is dat ook. Het verschil met een gewone wet in formele zin is dat de procedure om haar te wijzigen nog zwaarder is.

               

              Er zijn tal van andere tot wetgeving bevoegde organen, zowel in de rijksoverheid als lagere overheden. Op centraal niveau zijn dit bijvoorbeeld de regering (artikel 89 lid 1 Grondwet), die verantwoordelijk is voor Algemene Maatregelen van Bestuur (AMVB) en de minister, die ministeriële regelingen vaststelt. Op decentraal niveau zijn de Provincie (artikel 127 Grondwet) en de Gemeente (artikel 127 Grondwet) verantwoordelijk voor respectievelijk Provinciale en Gemeentelijke verordeningen. De regels die deze tot wetgeving bevoegde organen maken, zijn geen wetten in formele zin (want dat zijn alleen wetten gemaakt door Staten-Generaal en Regering gezamenlijk), maar wel wetten in materiële zin (voor zover ze algemeen zijn en externe werking hebben).

               

              Zo nu en dan komt het voor dat regelingen met elkaar botsen. De vraag is dan welke wetsbepaling moet worden toegepast. Daarvoor zijn voorrangsregels: een hogere wet gaat boven een lagere wet; een bijzondere wet gaat boven een algemene wet en een jongere wet gaat boven een oudere wet. Zijn wetten gelijk in rang, dan gelden de regels dat een jongere wet voor een oudere gaat en een bijzondere voor een algemene. Er is een uitzondering op deze voorrangsregels: de rechter mag niet toetsen of een wet in formele zin in overeenstemming is met de grondwet. Dit heet het toetsingsverbod en is neergelegd in artikel 120 van de Grondwet. Alleen de formele wetgever zelf kan een eventuele tegenstrijdigheid tussen een wet in formele zin en de grondwet opheffen. Bij wetten van lagere wetgevers (inclusief bijvoorbeeld de regering of een minister) mag de rechter wel nagaan of de wet in overeenstemming is met de grondwet. Is dat niet het geval, dan laat de rechter de lagere wet buiten toepassing, waardoor deze weliswaar op papier blijft bestaan, maar in feite ophoudt te bestaan. Andere rechters zullen de lagere wet namelijk ook buiten toepassing laten.

               

              De jurisprudentie als bron van Nederlands recht

               

              Soms wordt het woord jurisprudentie gebruikt voor alle rechterlijke uitspraken die zijn gedaan sinds de inwerkingtreding van het (oud) Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafrecht en andere wetboeken. Soms verwijst het woord naar een zeer beperkt deel van alle uitspraken, namelijk naar die uitspraken die baanbrekend zijn geweest in de zin dat zij een nieuwe rechtsregel bevatten. Voor de behandeling van de rechtsbronnen is alleen die laatste betekenis van het woord jurisprudentie van belang: niet alleen in de wet, maar ook in rechterlijke uitspraken zijn rechtsnormen te vinden.

               

              Het is niet vanzelfsprekend dat rechterlijke uitspraken rechtsnormen bevatten. Ten eerste heeft de rechter geen uitdrukkelijke bevoegdheid tot wetgeving. Hooguit kan deze bevoegdheid met enige moeite worden afgeleid uit een aantal wettelijke bepalingen, zoals artikel 13 van de Wet algemene bepalingen en artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Ten tweede is de rechter, anders dan de wetgever, niet gekozen of verantwoording verschuldigd aan gekozen vertegenwoordigers in bijvoorbeeld de Staten-Generaal of de gemeenteraad. De rechter wordt benoemd voor het leven. Rechterlijke rechtsvorming is een vreemde eend in de bijt van de democratie. Ten derde moet de rechter onder tijdsdruk beslissen en beschikt hij, anders dan tot wetgeving bevoegde instanties, niet over een uitgebreide ambtelijke ondersteuning die hem kan adviseren over bijvoorbeeld de economische en sociale gevolgen van de beslissing. Ten slotte doet zich bij rechterlijke rechtsvorming voor de procespartijen de merkwaardige situatie voor dat zij pas achteraf te weten komen hoe de regel luidde, hetgeen onwenselijk is vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid. Deze zorgen over de bevoegdheid, democratische legitimiteit, de expertise van de rechter en de rechtszekerheid bij de vorming van nieuwe rechtsnormen blijven hier verder buiten beschouwing. Laat alleen gezegd zijn dat in de meeste (maar niet alle) gevallen een adequaat antwoord kan worden gegeven op alle genoemde bezwaren. De aandacht gaat hier uit naar twee elementaire vragen. Waarom vormt de rechter nieuw recht? Hoe kan een rechterlijke uitspraak in een geschil tussen partijen de status van een rechtsnorm krijgen?

               

              De laatste vraag is het gemakkelijkst te beantwoorden. Strikt genomen is een rechterlijke uitspraak iets anders dan een wet: een rechterlijke uitspraak is bindend voor specifieke partijen (bepaald individu, bepaald bedrijf) in een specifiek geschil (bepaalde plaats en tijd); een wet is bindend voor een onbepaald aantal personen en geschillen (het eerder besproken kenmerk van algemeenheid). Toch kan een baanbrekende uitspraak, dat wil zeggen een uitspraak waarin de rechter een nieuwe regel formuleert om het voorliggende geschil te beslechten, in de praktijk werken als een wet. Dat komt door precedentwerking: als een rechter een nieuwe rechtsnorm heeft geformuleerd, zeker wanneer deze rechter de hoogste rechter is in een bepaald rechtsgebied (de Hoge Raad of de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld), dan zullen lagere rechters deze regel doorgaans overnemen wanneer zich vergelijkbare gevallen voordoen. Zodoende ontstaat in feite een nieuwe wet: de in de uitspraak geformuleerde regel is in de praktijk van toepassing op een onbepaald aantal gevallen en personen.

               

              Twee opmerkingen om misverstanden te voorkomen. Niet alleen hoogste rechters, ook rechters in eerste aanleg of in hoger beroep kunnen baanbrekende regels formuleren. Vaak zal de formulering en toepassing van een nieuwe regel door een lagere rechter worden voorgelegd aan de hoogste rechter, maar dat gebeurt niet altijd.

              Afgezien daarvan, als bijvoorbeeld de Hoge Raad akkoord is met een nieuwe regel die voor het eerst geformuleerd is door een lagere rechter, dan ligt de oorsprong van de nieuwe regel dus bij die lagere rechter. Het Runescape-arrest is een duidelijk voorbeeld. Het recht verandert door rechtspraak, en veranderingen beginnen vaak in eerste aanleg of in hoger beroep. Rechters op alle niveaus, en trouwens ook advocaten of officieren van justitie die de rechter uitdagen om de nieuwe norm te formuleren, spelen zodoende een belangrijke rol bij rechterlijke rechtsvorming. De tweede opmerking is dat de rechter niet wettelijk verplicht is een door een andere rechter geformuleerde, nieuwe regel over te nemen en toe te passen op een vergelijkbaar geval (in common law stelsels bestaat deze verplichting wel, dit is de stare decisis-doctrine, ´blijf bij de besloten zaken´). Artikel 12 van de Wet algemene bepalingen verzet zich tegen een dergelijke stare decisis-doctrine in het Nederlands recht: ´Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn´. Precedentwerking ontstaat doordat rechters zich in de praktijk doorgaans houden aan wat in eerdere gevallen door rechters is beslist, zeker wanneer deze rechter de hoogste rechter is, bijvoorbeeld de Hoge Raad.

               

              Ingewikkelder is de vraag waarom de rechter recht vormt. De kern van het antwoord is dat wetten soms onvoldoende houvast bieden om een beslissing te kunnen nemen over een voorliggend geschil. Met andere woorden: de rechter kan verschillende invullingen geven aan het toepasselijke recht. Bovendien moet de rechter binnen een bepaalde termijn beslissen; hij kan de beslissing niet uitstellen omdat het toepasselijke recht onduidelijk zou zijn, sterker, hij zou dan artikel 13 overtreden van de Wet Algemene Bepalingen: ´De regter die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der wet, kan uit hoofde van regtsweigering vervolgd worden´. Met de beslissing geeft de rechter een bepaalde invulling aan het recht, formuleert hij een nieuwe regel, die dankzij de reeds genoemde precedentwerking als een soort wet kan worden beschouwd.

               

              Een vervolgvraag is waarom de wet regelmatig onvoldoende houvast biedt? Daarvoor kunnen tal van redenen zijn. Een aantal verdient vermelding. Ten eerste kan de betekenis van een woord dat in de wet gebruikt wordt in een bepaalde situatie onduidelijk zijn. Neem artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht: ´Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal…´. In 99% van de gevallen is duidelijk of het voorwerp dat de verdachte zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, al dan niet een goed is. Maar soms is dat twijfelachtig: elektrische stroom was in 1923 een voorbeeld; belminuten, een pincode en virtuele amuletten zijn recentere voorbeelden. Met de beslissing dat elektrische stroom al dan niet een goed is, formuleert de rechter in feite een nieuwe norm: vanaf nu geldt dat het wegnemen van elektrische stroom, belminuten enzovoort wel of niet een goed is.

               

              Een tweede reden is dat de wet algemene begrippen en open normen bevat, dat wil zeggen begrippen en normen die door de wetgever bewust zo zijn geformuleerd dat ze pas kunnen worden toegepast nadat ze zijn geconcretiseerd. Voorbeelden zijn opzet, schuld, overmacht, billijkheid en redelijkheid, strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, enzovoort. Drie zeer verschillende voorbeelden.

               

              Het eerste voorbeeld is een klassieker uit het strafrecht: het Opticien-arrest.1. (HR 15 Oktober 1923, NJ 1923,1329)

              In het najaar van 1922 raakt een man zijn bril of lorgnet kwijt, zonder welke hij niet kan zien. Hij gaat vlak voor tien uur s’avonds naar een opticien aan de Keizersgracht 506, die zo vriendelijk is hem te helpen, maar daarmee wel een feit begaat dat strafbaar is gesteld in artikel 9 van de Verordening op de Winkelsluiting te Amsterdam. De Hoge Raad acht het feit echter niet strafbaar, omdat de opticien handelde in een noodtoestand, bestaande uit een conflict van plichten: enerzijds de plicht zich aan de wettelijke plicht van de Verordening te houden en anderzijds de plicht een ´zeer hulpbehoevende´ man te helpen. Volgens de Hoge Raad was deze noodtoestand in de zin van een conflict van plichten overmacht in de zin van artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht: ´Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen´. Met dit arrest gaf de Hoge Raad een nieuwe invulling aan het algemene, in de wet niet nader omschreven begrip overmacht, namelijk overmacht in de zin van een noodtoestand, die in het algemeen kan worden omschreven ´als de situatie waarin de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren´.2. (ECLI:NL:HR:2008:BC7923, HR 16 september 2008)

              Een ander voorbeeld is de Onwaardige deelgenoot.3. (ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, HR 7 december 1990 (onwaardige deelgenoot), NJ 1991, 93) Deze zaak ging over een 40-jarige man die veroordeeld was wegens moord op de 72-jarige, hulpbehoevende, welgestelde mevrouw Van Wylick. De man had de vrouw verpleegd en verzorgd; was vervolgens met haar in het huwelijk getreden, zonder huwelijkse voorwaarden, waarmee mevrouw beoogde hem financieel te begunstigen; en had haar 5 weken later vergiftigd. Na zijn strafrechtelijke veroordeling vorderde hij zijn aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap en in de nalatenschap. Naar de letter van de wet, in het bijzonder artikel 1: 100 lid 1 BW, kon hij daar inderdaad aanspraak op maken: ´De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden...´. Toch wees de Hoge Raad zijn vorderingen af met een beroep op artikel 6:2 BW lid 2 BW, dat door het Hof eerder was geconcretiseerd als de beginselen dat ´hij die opzettelijk de dood van een ander veroorzaakt, die hem begunstigd heeft, geen voordeel uit die begunstiging behoort te kunnen trekken´ en dat ´men geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander´.4. (r.o. 5.10 en 5.13) Artikel 6:2 BW is een duidelijk voorbeeld van een open norm. Lid 1 luidt: Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. En lid 2: Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

              Ook het derde voorbeeld gaat over een op zichzelf duidelijke regel, waarvan de toepassing in de concrete omstandigheden onwenselijk is in het licht van artikel 6:2 lid 2 BW: het inmiddels klassieke arrest Van Hese/ De Schelde.5. (ECLI:NL:HR:2000:AA5635, HR 28 april 2000, NJ 2000, 430) Deze trieste zaak ging over Van Hese, die van 1959 tot 1963 als schilder in dienst was bij scheepswerf De Schelde. Gedurende zijn werkzaamheden stond hij bloot aan asbeststof. In 1996 werd mesothelioom vastgesteld, een vorm van kanker die maar één oorzaak heeft: het inademen van asbeststof. Later dat jaar overleed hij op 61-jarige leeftijd. De nabestaanden stelden daarop een vordering in voor vergoeding van materiële en immateriële schade tegen De Schelde op grond van art. 7A:1638x oud BW (nu artikel 7:658 BW). Daarin staat dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij arbeid doet verrichten door werknemers, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.

               

              Het was wel duidelijk dat De Schelde tekort was geschoten in de nakoming van deze verplichting en aansprakelijk was voor de schade van Van Hese. Maar De Schelde wees op art. 3:310 lid 2 BW: een rechtsvordering tot vergoeding van schade verloopt, indien de schade een gevolg is van verontreiniging van lucht, water of bodem, dertig jaar na de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt. Van Hese werd 33 na de blootstelling ziek. Deze regel is op zichzelf glashelder. Maar de toepassing ervan was, nog afgezien van het gezichtspunt van de individuele gerechtigheid, om verschillende redenen moeilijk te aanvaarden. Zo had de wetgever met de lange verjaringstermijn van 3:310 lid 2 BW werknemers juist willen beschermen tegen ziektes die zich pas na lange tijd openbaren. De Hoge Raad besloot dan ook om, onder bepaalde door hem geformuleerde voorwaarden, waaraan in dit geval was voldaan, de verjaringstermijn buiten toepassing te laten met een beroep op artikel art. 6:2 lid 2 BW: een tussen partijen krachtens

               

              Ongeschreven recht als bron van Nederlands recht

               

              De wet wordt door een tot wetgeving bevoegde instantie gemaakt. Jurisprudentie wordt gevormd door rechters. In beide gevallen wordt recht dus bewust gemaakt door een juridische autoriteit. Ongeschreven recht wordt niet bewust gemaakt. Het ontstaat in de loop der tijd in de samenleving. Het wordt ook niet door juridische autoriteiten gemaakt, maar door bepaalde groepen of door een onbepaald aantal mensen in de samenleving. Ongeschreven recht kan wel worden geïdentificeerd, geformuleerd en toegepast door juridische autoriteiten, in het bijzonder door rechters. Het is een rechtsbron.

              Er zijn twee vormen van ongeschreven recht: ongeschreven rechtsbeginselen en gewoonterecht. Ongeschreven rechtsbeginselen zijn juridische waarden die de maatstaf vormen voor gedrag. Het verschil met geschreven rechtsbeginselen, zoals de redelijkheid en de billijkheid in artikel 6:2 BW, is dat zij nergens in de wet met zoveel woorden te vinden zijn. Ter illustratie het Valkenhorst-arrest.6. (ECLI:NL:HR:1994:ZC1337, Hoge Raad 15 april 1994, NJ 1994, 608) Deze zaak ging over Maria de R, die in 1935 als buitenechtelijk kind werd geboren in Moederheil in Breda, inmiddels geëxploiteerd door de stichting Valkenhorst, een kraamkliniek voor ongehuwde moeders. Maria wilde van Valkenhorst inzage in de destijds door haar moeder aan Moederheil verstrekte gegevens over de identiteit van haar vader. Valkenhorst weigerde met een beroep op haar geheimhoudingsverplichting als hulpverleenster. Onder druk van vergelijkbare verzoeken besloot Valkenhorst in oktober 1991 niet langer onder alle omstandigheden vast te houden aan de geheimhoudingsverplichting. Informatie over de verwekker werd sindsdien verstrekt met toestemming van de moeder of als de moeder al is overleden. De moeder van Maria de R. leefde nog en weigerde toestemming. De kern van het aan de Hoge Raad voorgelegde geschil is was dan ook of Valkenhorst verstrekking van de gegevens afhankelijk mocht maken van toestemming van de moeder. Het was een duidelijk geval van botsende belangen: enerzijds het belang van een meerderjarig kind om te weten door wie het is verwekt en anderzijds het belang van de moeder - en via haar van de inrichting - om dat om redenen van privacy ook tegenover haar kind verborgen te houden. Nadat Maria de R. de zaak verloor bij de rechtbank en bij het hof, oordeelde de Hoge Raad in cassatie dat het belang van het kind prevaleert boven dat van de moeder: niet alleen gaat het om een ´vitaal belang´ voor het kind, bovendien is de natuurlijke moeder in de regel mede verantwoordelijkheid voor het bestaan van dat kind. Het belang van het kind had evenwel geen wettelijke grondslag. De Hoge Raad leidde daarom ´het recht van het kind om te weten van wie het afstamt´ af uit een ´algemeen persoonlijkheidsrecht´ dat ´ten grondslag ligt´ aan ´grondrechten als het recht op respect voor het privéleven, het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op vrijheid van meningsuiting´. Dit algemene persoonlijkheidsrecht, dat nergens met zoveel woorden in de wet is neergelegd, maar als het ware de onuitgesproken basis vormt van een aantal grondrechten, aldus de Hoge Raad, is een duidelijk voorbeeld van een ongeschreven rechtsbeginsel. Overigens, voor wie nieuwsgierig is naar de rechtsgevolgen van de uitspraak: Valkenhorst kreeg van de Hoge Raad vijf dagen om Maria de R. inzage te verlenen in de dossiers over haar afstamming.

               

              Gewoonterecht ontstaat, zoals gezegd, in de loop der tijd in de samenleving. Er moet aan twee voorwaarden voldaan zijn om het bestaan van gewoonterecht te kunnen vaststellen. Ten eerste moet in de samenleving, of in een bepaalde groep in de samenleving, de praktijk bestaan om zich in bepaalde situaties op een bepaald manier te gedragen. Dit wordt de materiële voorwaarde genoemd. Ten tweede moet in de samenleving, of een bepaalde groep in de samenleving, de overtuiging bestaan dat dergelijk gedrag ook rechtens juist is, dat mensen zich op die manier behoren te gedragen. Er moet een rechtsovertuiging zijn dat het gedrag juridisch wenselijk is. Dit wordt de intellectuele voorwaarde genoemd.

               

              De meerlaagse rechtsorde: doorwerking, directe werking en voorrang

               

              In Nederland geldend recht is niet alleen te vinden is in de tot dusver besproken Nederlandse wetgeving, jurisprudentie en ongeschreven recht, maar ook in bronnen van internationaal en Europees recht, zoals verordeningen van de EU, sommige artikelen uit het Europees Sociaal Handvest of jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Daarom wordt de Nederlandse rechtsorde een gelaagde of meerlaagse rechtsorde genoemd: behalve de laag rechtsnormen die door Nederlandse juridische autoriteiten (wetgevers, rechters) zijn gemaakt of worden vastgesteld (in het geval van gewoonterecht), zijn er lagen rechtsnormen die gemaakt of vastgesteld worden door juridische autoriteiten van de Europese Unie en de internationale rechtsorde. Met andere woorden, de Nederlandse wetgever heeft niet het monopolie op de vorming van in Nederland geldend recht.

              In feite is de situatie nog wat ingewikkelder, omdat Nederlandse juridische autoriteiten (wetgevers, rechters) vaak uitleg geven aan rechtsnormen die afkomstig zijn uit de internationale rechtsorde, zodat de precieze betekenis van internationale normen door bijvoorbeeld de Nederlandse rechter wordt bepaald. Bovendien wordt een groot deel van internationaal en Europees recht toegepast en uitgevoerd door Nederlandse juridische autoriteiten. De verwerkelijking van internationaal en Europees recht is in belangrijke mate afhankelijk van nationale rechtsordes. De verschillende lagen kunnen zodoende niet strikt van elkaar worden gescheiden, maar zijn deels communicerende vaten.

               

              In deze inleiding kunnen we ons beperken tot de belangrijkste bronnen van internationaal en Europees recht: verdragen, internationale jurisprudentie en besluiten van internationale organisaties. Verdragen (soms ook genoemd conventie, handvest of traktaat) zijn overeenkomsten tussen staten onderling, tussen staten en internationale organisatie of tussen internationale organisaties onderling. Verdragen zijn gebaseerd op wilsovereenstemming en scheppen wederzijdse rechten en plichten voor partijen. Belangrijke verdragen voor de Nederlandse rechtsorde zijn het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zoals in hoofdstuk 11 van Denken als jurist (Eerlijk proces) zal blijken, het Verdrag van de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Een tweede rechtsbron is internationale jurisprudentie, bijvoorbeeld van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Tenslotte zijn er besluiten van internationale organisaties, waaraan ook burgers rechten en plichten kunnen ontlenen. De voor de Nederlandse rechtsorde belangrijkste besluiten van een internationale organisatie zijn de verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Europese Unie (zie art. 288 VWEU).

               

              Het is in deze inleiding tot het recht niet nodig in te gaan op de kenmerken van deze verschillende rechtsbronnen van internationaal en Europees recht. Met het oog op de betekenis van het EVRM voor met name hoofdstuk 11 (Eerlijk proces) is het echter wel nuttig om nog iets dieper in te gaan op het begrip meerlaagse rechtsorde. Het Europees recht, dat een bijzondere positie inneemt, blijft daarbij buiten beschouwing.

               

              Drie vragen zijn van belang voor een goed begrip van de meerlaagse rechtsorde. Zijn alle regels van internationaal recht geldig in de nationale rechtsorde, dat wil zeggen, hebben dergelijke regels in Nederland automatisch de status van recht? Dit wordt doorwerking genoemd. Kunnen burgers zich bij de Nederlandse rechter beroepen op die regels van internationaal recht? Dit wordt directe werking genoemd. Stel dat een regel van internationaal recht botst met een regel van nationaal recht, welke regel gaat dan voor? Deze automatische gelding wordt voorrang genoemd. Bij de bespreking van de drie vragen wordt steeds alleen de Nederlandse situatie besproken; in andere landen zijn er vaak (deels) andere manieren om vorm te geven aan de verhouding tussen internationaal en nationaal recht, dat blijft hier buiten beeld.

               

              In Nederland is het gehele internationale recht automatisch onderdeel van de nationale rechtsorde. Er is géén omzetting (bijvoorbeeld middels een wet in formele zin) van internationaal recht in nationaal recht nodig vóórdat internationaal recht in de Nederlandse rechtsorde geldt. De Hoge Raad heeft deze automatische doorwerking aangenomen in het klassieke Grenstraktaat Aken-arrest (HR 3 maart 1919, NJ 1919, 317). Dit geldt in beginsel voor alle bronnen van internationaal recht. In artikel 92 van de Grondwet wordt in het bijzonder vermeld dat besluiten van internationale organisaties gelding hebben in de Nederlandse rechtsorde. Dit artikel bepaalt namelijk dat aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving kunnen worden opgedragen: ´Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91 i, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen´.

              De kernbepaling over directe ofwel rechtstreekse werking is artikel 93 van de Grondwet. Daarin staat: ´Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt´. Burgers kunnen bepalingen van internationaal recht inroepen bij de Nederlandse rechter, en de rechter past deze regels van internationaal recht toe, mits aan twee voorwaarden is voldaan: de regels van internationaal recht zijn bekendgemaakt en moeten ´naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden´. De vraag is natuurlijk welke bepalingen van internationaal recht rechtstreeks werkend zijn, ofwel verbindend voor een ieder, dat wil zeggen: voor alle burgers. De Hoge Raad heeft hier een tweetrapsraket geïntroduceerd. Ten eerste moet de rechter zich afvragen of verdragspartijen zijn overeengekomen aan een bepaling geen rechtstreekse werking toe te kennen. Als dat onduidelijk is, dan volgt de tweede stap: is de inhoud van de bepaling van dien aard dat zij voldoende duidelijk is om, zonder verdere uitwerking in de nationale rechtsorde, als objectief recht te kunnen functioneren? Zoals de Hoge Raad zegt: ´Enkel de inhoud van de bepaling zelf is beslissend: verplicht deze de Nederlandse wetgever tot het treffen van een nationale regeling met bepaalde inhoud of strekking, of is deze van dien aard dat de bepaling in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kan functioneren?´7. (ECLI:NL:HR:1986:AC9402, HR 30 mei 1986, NJ 1986, 688.) Van een aantal bepalingen staat vast dat zij voldoende duidelijk zijn om als objectief recht te kunnen functioneren. Dit geldt bijvoorbeeld voor alle materiële bepalingen van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, een verdrag dat in 1948 gesloten is door leden van de Raad van Europa (niet te verwarren met de Europese Unie), en het Internationale Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR), een verdrag uit 1966 dat gesloten is door leden van de Verenigde Naties. Voor andere verdragen moet de rechter het per verdragsbepaling bekijken. Twee voorbeelden zijn het Spoorwegstaking-arrest en het SGP-arrest.


              De eerste zaak ging over acties die werknemers van de NS in het najaar van 1983 voerden onder verantwoordelijkheid en leiding van de vakbonden.8. (ECLI:NL:HR:1986:AC9402, Hoge Raad, 30 mei 1986, NJ 1986, 688 m.nt. P.A. Stein) De NS spande een kort geding aan tegen de bonden met de stelling dat de acties onrechtmatig waren en vorderde dat de bonden hun leden moesten oproepen de staking te beëindigen en de bonden zich moesten onthouden van steun aan de acties. De bonden deden beroep op artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), dat handelt over ´het recht van werknemers en werkgevers om collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten´. De vraag was of deze bepaling directe werking heeft. De Hoge Raad concludeerde bevestigend: ´Of de verdragsluitende Staten al dan niet hebben beoogd aan art. 6 lid 4 ESH directe werking toe te kennen, is niet van belang nu noch uit de tekst, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Verdrag valt af te leiden dat zij zijn overeengekomen dat aan art. 6 lid 4 die werking niet mag worden toegekend. Bij deze stand van zaken is naar Nederlands recht enkel de inhoud van de bepaling zelf beslissend: verplicht deze de Nederlandse wetgever tot het treffen van een nationale regeling met bepaalde inhoud of strekking, of is deze van dien aard dat de bepaling in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kan functioneren? Art. 6 lid 4 is — in tegenstelling tot de meeste andere bepalingen van het ESH en met name ook tot de overige leden van dit artikel — zo geredigeerd dat de betrokken verdragsstaten niet een verplichting tot regelgeving wordt opgelegd, maar integendeel aldus dat werknemers en werkgevers zich op het door de betrokken verdragsstaten binnen zekere grenzen erkende recht in de nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen´.

               

              De SGP-zaak draaide om de opvatting van deze politieke partij dat de vrouw geen passief kiesrecht toekomt voor de algemeen vertegenwoordigende overheidsorganen. Vrouwen konden zich namens deze partij niet kandidaat stellen voor bijvoorbeeld de Gemeenteraadverkiezingen of verkiezingen van de Tweede Kamer. De afwijzing van het passief vrouwenkiesrecht was gebaseerd op de overtuiging dat krachtens Gods scheppingsorde man en vrouw weliswaar volstrekt gelijkwaardig zijn, maar niet gelijk zijn en dat elk van hen een eigen specifieke, van elkaar onderscheiden roeping en plaats heeft ontvangen. In deze orde is de vrouw ondergeschikt aan de met verantwoordelijkheid beklede man, zij het beslist niet minderwaardig. De Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann spande een zaak aan tegen de Staat. De stelling was dat de Staat onrechtmatig handelde door niet de maatregelen te nemen welke art. 7, aanhef en onder (a) en (c), van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (kortom: het Vrouwenverdrag). Daarin staat: De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen, en verzekeren vrouwen in het bijzonder het recht om op gelijke voet met mannen: (a) hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en volksstemmingen, en verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen; … (c) deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land. In cassatie moest de Hoge Raad beoordelen of deze bepaling van het Vrouwenverdrag directe werking heeft. Hij concludeerde dat dit het geval is. De Stichting Clara Wichmann kon deze bepaling uit een internationaal verdrag dus inroepen voor de Nederlandse rechter. Overigens oordeelde de Hoge Raad dat de staat inderdaad in strijd met artikel 7 sub a en c had gehandeld.

               

              De derde vraag gaat over voorrang: stel dat een bepaling van nationaal recht strijdig is met een bepaling van internationaal recht die een ieder verbindend is, en dit conflict is niet op te lossen met behulp van interpretatie, welke bepaling gaat dan voor? Het antwoord staat in artikel 94 van de Grondwet: ´Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties´. Twee opmerkingen ter verduidelijking. De eerste is dat ook wetten in formele zin dus getoetst kunnen worden aan een ieder verbindende verdragsbepalingen en dat zij in geval van strijdigheid onverbindend zijn. Dat is vermeldenswaardig, omdat wetten in formele zin volgens artikel 120 van de Grondwet niet mogen worden getoetst aan de Nederlandse grondwet, zoals eerder in dit hoofdstuk werd vermeld: ´De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen´ (Nb wetten betekent hier wetten in formele zin, wetten van andere wetgevers mogen wel getoetst worden). De tweede opmerking is dat verdragsbepalingen die niet een ieder kunnen verbinden, evenals internationaal gewoonterecht, geen voorrang hebben boven strijdig nationaal recht.

               

              Praktisch: kenbronnen

               

              In dit hoofdstuk zijn de rechtsbronnen behandeld van Nederlands recht. Onder rechtsbron werd verstaan het criterium om te bepalen of een norm een rechtsnorm is. Het woord rechtsbron kan echter ook in een meer praktische zin worden opgevat: waar moet je zoeken om wetten, verdragen en rechterlijke uitspraken te vinden? Met andere woorden: wat zijn de kenbronnen van Nederlands recht. Daarover kort het volgende.

               


              Wetten in formele zin en amvb’s worden gepubliceerd in het Staatsblad, ministeriële regelingen in de Staatscourant. Al deze wetten zijn te vinden op http://wetten.overheid.nl/

               

              De belangrijkste regelingen van de decentrale overheid, provinciale en gemeentelijke verordeningen, zijn te vinden op https://zoek.overheid.nl/lokale_wet_en_regelgeving

               

              Internationale verdragen worden gepubliceerd in het Traktatenblad en zijn te vinden via http://wetten.overheid.nl

               

              De jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is te vinden op http://www.echr.coe.int/

               

              Europees recht, inclusief de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, is te vinden op http://eur-lex.europa.eu/homepage.html

               

              Literatuur

              M. de Blois, Grondslagen van het recht 1: Hoofdlijnen, 2016 P.W. Brouwer e.a., Recht, een introductie, 2004 P. B. Cliteur en A. Ellian, Inleiding Recht, 2017 J.C. Hage (red), Recht, vaardig en zeker; Een inleiding in het recht, 2010 J.C. Hage en B. Akkermans (ed), Introduction to law, 2014 A.M. Honoré, About Law: An Introduction, 1996 N Horbach, R, Lefeber en O. Ribbelink (red.), Handboek Internationaal Recht, 2007 P.A. Nollkaemper, Kern van het internationaal publiekrecht, 2016 J.G.J. Rinkes e.a., Van Apeldoorn’s Inleiding tot de Studie van het Nederlandse recht, 2009

               

              Jurisprudentie

              HR 15 Oktober 1923, NJ 1923,1329 (Opticien)

              ECLI:NL:HR:1986:AC9402, Hoge Raad, 30 mei 1986, NJ 1986, 688 m.nt. P.A. Stein (SGP)
              ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, HR 7 december 1990, NJ 1991, 93 (onwaardige deelgenoot)

              ECLI:NL:HR:1994:ZC1337, Hoge Raad 15 april 1994, NJ 1994, 608 (Valkenhorst)

              ECLI:NL:HR:2000:AA5635, HR 28 april 2000, NJ 2000, 430

              ECLI:NL:HR:2008:BC7923, HR 16 september 2008 ECLI:NL:HR:2010:BK4549, HR 9 april 2010

               

               

              Source:

               

              Ontdek meer van:
              Strafrecht - verdieping
              3894STR8GY
              Universiteit van Amsterdam
              88 documenten
              Ga naar vak
              7
              Werkstuk/essay - Annotatie Roekeloosheid - Cijfer 7,5
              100% (5)
              27
              Samenvattingen Verdieping Materieel Strafrecht - Comparative Concepts of Criminal Law
              100% (4)
              2
              Beslissing voorbeeld Rb voorbedachte raad
              Strafrecht - verdieping
              Geen
              19
              Strafrecht kennisclips + aantal vragen
              Strafrecht - verdieping
              Geen
              15
              Informatie voor tentamen
              Strafrecht - verdieping
              Geen
              5
              Studiebulletin Strafrecht en privaatrecht 2019-2020 week 2
              Strafrecht - verdieping
              Geen