Genesis 2:

3 And God blessed the seventh day, and sanctified it: because that in it he had rested from all his work which God created and made.

2:3  וַיְבָרֶךְ אֱלֹהִים אֶת־יֹום הַשְּׁבִיעִי וַיְקַדֵּשׁ אֹתֹו כִּי בֹו שָׁבַת מִכָּל־מְלַאכְתֹּו אֲשֶׁר־בָּרָא אֱלֹהִים לַעֲשֹֽׂות׃ פ

2: 3 And God blessed the day of the seventh day, and sanctified unto him, that he dwelt among all the craftsmen, which the God created to do.

 

וַיְקַדֵּ֖שׁsanctify, consecrate, hallow, bless

 

Exodus 20:

8 Remember the sabbath day, to keep it holyH6942

 

קָדַשׁ qadash
to consecrate, sanctify, prepare, dedicate, be hallowed, be holy, be sanctified, be separate
to observe as holy, keep sacred
 

Matthew 28:

1 In the end of the sabbath, as it began to dawn (als het begon te lichten) toward the first day of the week, came Mary Magdalene and the other Mary to see the sepulchre.

 

Jubilees Chapter 49:
15 (10)

כי שני חלקי היום נתונים לאור והחלק השלישי לערב:

for two portions of the day are given to the light, and a third part to the evening.

 

Isaiah 66:
22 For as the new heavens and the new earth, which I will make, shall remain before me, saith the LORD, so shall your seed and your name remain.

23 And it shall come to pass, that from one new moon to another, and from one sabbath to another, shall all flesh come to worship before me, saith the LORD (YHWH).

 

Isaiah 58:

13 If thou turn away thy foot from the sabbath, from doing thy pleasure on my holy day; and call the sabbath a delight, the holy of the LORD, honourable; and shalt honour him, not doing thine own ways, nor finding thine own pleasure, nor speaking thine own words:

14 Then shalt thou delight thyself in the LORD; and I will cause thee to ride upon the high places of the earth, and feed thee with the heritage of Jacob thy father: for the mouth of the LORD hath spoken it.


Mark 15:
42 And now when the even (evening) was come, because it was the preparation, that is, the day before the sabbath,
 

Nehemiah 13:
19 Then I commanded that the gates of Jerusalem should be shut as darkness fell every Friday evening,[fn] not to be opened until the Sabbath ended. I sent some of my own servants to guard the gates so that no merchandise could be brought in on the Sabbath day.

 

Mark 15:
42 This all happened on Friday, the day of preparation,[fn] the day before the Sabbath. As evening approached,

 

Mark 16:
1 Saturday evening, when the Sabbath ended, Mary Magdalene, Mary the mother of James, and Salome went out and purchased burial spices so they could anoint Jesus' body.


Leviticus 23: (Day of Atonement)
32 This will be a Sabbath day of complete rest for you, and on that day you must deny yourselves. This day of rest will begin at sundown on the ninth day of the month and extend until sundown on the tenth day.”
 
Matthew 5:
17 Think not that I am come to destroy the law, or the prophets: I am not come to destroy, but to fulfil.
 

18 For verily I say unto you, Till heaven and earth pass, one jot or one tittle shall in no wise pass from the law, till all be fulfilled.

 

19 Whosoever therefore shall break one of these least commandments, and shall teach men so, he shall be called the least in the kingdom of heaven: but whosoever shall do and teach them, the same shall be called great in the kingdom of heaven.

 

Genesis 1:

5  וַיִּקְרָא אֱלֹהִים לָאֹור יֹום וְלַחֹשֶׁךְ קָרָא לָיְלָה וַֽיְהִי־עֶרֶב וַֽיְהִי־בֹקֶר יֹום אֶחָֽד׃ פ

And God called to the light of day, and to the darkness of the day to the night and to the evening, and to be the day of the other day.

 

Alleen wat GOD zelf ingesteld heeft,

is eeuwig tot in de eeuwigheid;

al het andere leidt tot eeuwige ondergang.

Genesis 2

Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

En God heeft den zevenden dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.

 

in it He rested

Phrase

h7673   

שָׁבַת shabath

 

2:3  וַיְבָרֶךְ אֱלֹהִים אֶת־יֹום הַשְּׁבִיעִי וַיְקַדֵּשׁ אֹתֹו כִּי בֹו שָׁבַת מִכָּל־מְלַאכְתֹּו אֲשֶׁר־בָּרָא אֱלֹהִים לַעֲשֹֽׂות׃ פ

 

Genesis 2:

2 By the seventh day God finished the work that he had been doing, and he ceased on the seventh day all the work that he had been doing.

 

Strong's H6942 - qadash

 
קָדַשׁ
Transliteration
qadash
Pronunciation
kä·dash' (Key)
 
Part of Speech
verb
Root Word (Etymology)
A primitive root
Dictionary Aids

TWOT Reference: 1990

KJV Translation Count — Total: 172x
The KJV translates Strong's H6942 in the following manner: sanctify (108x), hallow (25x), dedicate (10x), holy (7x), prepare (7x), consecrate (5x), appointed (1x), bid (1x), purified (1x), miscellaneous (7x).
Outline of Biblical Usage [?]
  1. to consecrate, sanctify, prepare, dedicate, be hallowed, be holy, be sanctified, be separate

    1. (Qal)

      1. to be set apart, be consecrated

      2. to be hallowed

      3. consecrated, tabooed

    2. (Niphal)

      1. to show oneself sacred or majestic

      2. to be honoured, be treated as sacred

      3. to be holy

    3. (Piel)

      1. to set apart as sacred, consecrate, dedicate

      2. to observe as holy, keep sacred

      3. to honour as sacred, hallow

      4. to consecrate

    4. (Pual)

      1. to be consecrated

      2. consecrated, dedicated

    5. (Hiphil)

      1. to set apart, devote, consecrate

      2. to regard or treat as sacred or hallow

      3. to consecrate

    6. (Hithpael)

      1. to keep oneself apart or separate

      2. to cause Himself to be hallowed (of God)

      3. to be observed as holy

      4. to consecrate oneself

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
קָדַשׁ qâdash, kaw-dash'; a primitive root; to be (causatively, make, pronounce or observe as) clean (ceremonially or morally):—appoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), × wholly.
Gesenius' Hebrew-Chaldee Lexicon [?]

 

Exodus 31:

Het heiligen van den sabbat

12 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken (zegel, verbond) tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE (YHWH) ben, Die u heilige.

14 Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.

15 Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.

16 Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.

17 Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken (zegel, verbond) in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en zich verkwikt heeft. (Israel = niet Joden oftewel de stam Juda alleen. dwz IEDER mens op aarde die YHWH zijn geboden en instructies opvolgd en zich aan de sabbath houdt)

De stenen tafelen

18 En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.

Openbaring 14:

12 Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.

Éfeze 4:

30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.

Mattheus 28:
De opstanding
1 En laat na den sabbat (Zaterdag), als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week (Zondag), kwam Maria Magdaléna, en de andere Maria, om het graf te bezien.

Exodus 27: 
21 In de tent der samenkomst, van buiten den voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van den avond tot den morgen, voor het aangezicht des HEEREN; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen Israëls. 

Je dag begint met rusten en je eindigd met werken bij YHWH.

Leviticus 23:
32 Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten.


Exodus 24:
16 En de heerlijkheid des HEEREN woonde op den berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op den zevenden dag riep Hij Mozes uit het midden der wolk.

Judit 8:

5 Op het dak van haar huis had ze voor zichzelf een tent gemaakt. Ze ging als weduwe gekleed en droeg een rouwkleed om haar middel. 
6 Sinds de dood van haar man vastte ze iedere dagbehalve op sabbat en de dag daarvoor, daags vóór en op nieuwe maan en tijdens de feest- en hoogtijdagen die door het volk van Israël werden gevierd.

Lukas 18: (Statenvertaling)
12 Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.
(Latijn) Ieiuno bis in sabbato decimas do omnium quae possideo
Ik vast tweemaal op zaterdag en geef tienden van alles wat ik bezit.
Op zaterdag vast ik tweemaal en ik geef tienden van alles wat ik bezit.

decimas do omnium quae possideo - Ik geef tienden van alles wat ik bezit

ieiuno bis - ik vast tweemaal

in sabato - op zaterdag

 

1 Korinthiërs 11:

1 Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik (Paulus) van Christus.

2 En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.

 

Jesaja 62:

5 Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen (Sabbath, 10 geboden); en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.

 

 

Nehemiah 10:
31 And if the people of the land bring ware or any victuals on the sabbath day to sell, that we would not buy it of them on the sabbath, or on the holy day: and that we would leave the seventh year, and the exaction (afpersing) of every debt.

 

Nehemiah 13:

16 There dwelt men of Tyre also therein, which brought fish, and all manner of ware, and sold on the sabbath unto the children of Judah, and in Jerusalem.

17 Then I contended with the nobles of Judah, and said unto them, What evil thing is this that ye do, and profane the sabbath day?

18 Did not your fathers thus, and did not our God bring all this evil upon us, and upon this city? yet ye bring more wrath upon Israel by profaning the sabbath.

19 And it came to pass, that when the gates of Jerusalem began to be dark before the sabbath, I commanded that the gates should be shut, and charged that they should not be opened till after the sabbath: and some of my servants set I at the gates, that there should no burden be brought in on the sabbath day.

20 So the merchants and sellers of all kind of ware lodged without Jerusalem once or twice.

21 Then I testified against them, and said unto them, Why lodge ye about the wall? if ye do so again, I will lay hands on you. From that time forth came they no more on the sabbath.

 

 

Nehemiah 13:

22 And I commanded the Levites that they should cleanse themselves, and that they should come and keep the gates, to sanctify the sabbath day. Remember me, O my God, concerning this also, and spare me according to the greatness of thy mercy.

 

Numbers 11:

32 So the people went out and caught quail all that day and throughout the night and all the next day, too. No one gathered less than fifty bushels [fn]! They spread the quail all around the camp to dry.

 

Genesis 1:
8 God called the space “sky.” And evening passed and morning came, marking the second day.
 
 

Lexicon :: Strong's H1242 - boqer

בֹּקֶר

Transliteration
boqer
Pronunciation
bō'·ker (Key)
 
Part of Speech
masculine noun
Root Word (Etymology)
Dictionary Aids

TWOT Reference: 274c

KJV Translation Count — Total: 205x
The KJV translates Strong's H1242 in the following manner: morning (191x), morrow (7x), day (3x), days (with H6153) (1x), early (3x).
Outline of Biblical Usage [?]
  1. morning, break of day

    1. morning

      1. of end of night

      2. of coming of daylight

      3. of coming of sunrise

      4. of beginning of day

      5. of bright joy after night of distress (fig.)

    2. morrow, next day, next morning

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
בֹּקֶר bôqer, bo'-ker; from H1239; properly, dawn (as the break of day); generally, morning:—(+) day, early, morning, morrow.
 

Torah Portions

Source: https://www.hebcal.com/sedrot/bo

 

YHWH is zeer zeer serieus met zijn 10 geboden en die gelden voor alle mensen(rassen) en vreemdelingen/nephelims/aliëns/gevallen engelen/demonen/duivels.
Als je bij YHVH's volk wilt horen dan moet jij je aan deze geboden voldoen en Hij noemt ze dan zijn volk 'Israël'.

 

Ik weet niet of je deze al wist maar wij (Alle volken en naties) hebben verschillende soorten sabbatten te onderhouden van onze YHWH. 


Waaronder de Nieuwe maansabbat en de 7e dag sabbat (zaterdag zonsopgang tot zonrdag zonsopgang sabbat). Ook zijn er bepaalde feestdagen die als extra sabbat gelden.

 

Matthéüs 5:

De roeping der discipelen

13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.

14 Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.

15 Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;

16 Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

 

Exodus 23:

10 Gij zult ook zes jaar uw land bezaaien, en deszelfs inkomst verzamelen;

11 Maar in het zevende zult gij het rusten en stil liggen laten, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten des velds eten mogen; alzo zult gij ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen.

12 Zes dagen zult gij uw werken doen; maar op den zevenden dag zult gij rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon uwer dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe.


Op Sjabbat en Joodse Feestdagen mag je o.a.: (Dit zijn joodse/Judah gebruiken)
-niet werken 
-niet reizen (Het moet niet vermoeiend zijn)
-niet schrijven?
-geen vuur maken (Niet koken/werken wel verwarming)
-geen elektriciteit gebruiken (dat staat er niet in de Thora)
-een ander niet voor je laten werken. 
- Geen last dragen
De Joodse dag begint de avond tevoren bij het invallen van die avond. In de zomer is dit meestal geen probleem. In de winter kan het echter gebeuren dat op b.v. vrijdagmiddag de Sjabbat al om kwart over vier begint. 
Het Joodse jaar richt zich op de maan, terwijl het maatschappelijke jaar zich op de zon richt. Hierdoor zijn de Joodse maanden korter en bestaan er schrikkelmaanden. De Joodse feestdagen vallen altijd op dezelfde data in het Joodse jaar, maar dat loopt dus niet synchroon met het maatschappelijke jaar. 
- See more at: http://www.nik.nl/loeach-de-joodse-kalender/vrij-op-sjabbatfeestdagen/#sthash.eIvtInQM.dpuf

 

Zaterdag:

Nederlands: Zaterdag
Latijn: sabbata, sabbatum

Grieks: Σάββατο (Sávvato)
Russisch: суббота (subbota)
Georgisch: შაბათი (shabat’i)

feria septima,
dies Sabbati,
sabbatum
zaterdag

feria prima,
dies Domini,
dies Dominica
zondag

 

zaterdag: 7e dag van de week, genoemd naar de Romeinse god Saturnus.
Zaterdag is een van de zeven dagen van de week volgens de gregoriaanse kalender. Het is de dag die op de vrijdag volgt, de dag na zaterdag is zondag. De naam is een verbastering van het Latijnse: dies Saturni, naar de (af)god Saturnus, god van de landbouw. 

De Franse naam samedi is afgeleid van vulgair Latijn sabbati dies (dag van de sabbat).

Vuur/fireNo Fire on the Sabbath - 119 Ministries

 

Exodus 35:

3 Gij zult geen vuur aansteken in enige uwer woningen op den sabbatdag.

Niet om te werken (koken) wel om te verwarmen, maar dan moet wel het hout al klaar liggen. (Vroeger in die tijd).

Numeri 16:

46 En Mozes zeide tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht des HEEREN uitgegaan, de plaag heeft aangevangen.

Leviticus 1:

7 En de zonen van Aäron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.
    8 Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.

 

Exodus 20:

24 Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.

Lamp, auto, gasfornuis.
Bij een haard, leg al je blokken hout de dag voor de sabbat klaar, zodat je op de sabbath niets hoeft te dragen/werken.

Reizen/Traveling: (Sabbatsreize/Sabbath day's journey)

Het gezegde 'een sabbatsreis' komt uit de mondelinge leer van de Farizeeen, later bekend als de Talmoed.
Het reizen op zich mag niet vermoeiend zijn, maar je mag wel ergens naar toe gaan.

Matthéüs 24:

20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.

Exodus 16:

22 En het geschiedde op den zesden dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor een; en al de oversten der vergadering kwamen en verkondigden het aan Mozes.

23 Hij dan zeide tot hen: Dit is het, dat de HEERE gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat des HEEREN! wat gij bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat gij zieden zoudt; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot den morgen.

    24 En zij legden het op tot den morgen, gelijk als Mozes geboden had; en het stonk niet, en er was geen worm in.

25 Toen zeide Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des HEEREN YHWH; gij zult het heden op het veld niet vinden.

26 Zes dagen zult gij het verzamelen; doch op den zevenden dag is het sabbat, op denzelven zal het niet zijn.

27 En het geschiedde aan den zevenden dag, dat sommigen van het volk uitgingen, om te verzamelen; doch zij vonden niet.

28 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Hoe lang weigert gijlieden te houden Mijn geboden en Mijn wetten?

29 Ziet, omdat de HEERE ulieden den sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan den zesden dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op den zevenden dag!
    30 Alzo rustte het volk op den zevenden dag.

29 See, for that the LORD hath given you the sabbath, therefore he giveth you on the sixth day the bread of two days; abide ye every man in his place, let no man go out of his place on the seventh day. (KJV)


Dus moeten we niet zo ver reizen dat we er moe van worden, en ons zelf belasten met reizen.

Handelingen 1:

12 Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van den berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.

In dit gedeelte wordt echter slechts een in die dagen gangbare aanduiding van afstand gebruikt. 
Het betekent niet dat de discipelen zich aan een Farizeese traditie hielden.
Nergens vinden we een dergelijke specifieke instructie in de Wet. Ook vinden we nergens dat de discipelen zich aan zo'n instructie houden die niet zijn basis heeft in het Woord van God. De farizeeen wilden bepalen hoever iemand zich kon verplaatsen op Sabbat, zonder Exodus 16:29 te breken. Dus kwamen ze met de Sabbatsreis wat ongeveer anderhalve kilometer was. Maar de wet van God is niet zo specifiek, het idee dat Jahweh wil overbrengen is dat we niet moeten werken.
Dus moeten we niet zo ver reizen dat we er moe van worden, en ons zelf belasten met reizen. Dus, iedere reis op Sabbat moet als licht ervaren worden, en niet als belastend. De Sabbat draait om rust. Ex 16:29 wil zeggen dat we op die dag in onze omgeving moeten blijven. Dit betekent dat we ons kunnen verplaatsen tenzij de reis ongebruikelijk of vermoeiend is.
Een ander voorbeeld van hoe de orale wet ons begrip vertroebelt is hoe Yeshua de Sabbat 'overtreedt'in de ogen van de Farizeeën. Johannes 5:16 Maar wat deed hij volgens hen dat een overtreding zou zijn? De context is het verhaal van de verlamde die door Yeshua wordt genezen, en die de opdracht krijgt om op te staan en zijn matras te dragen. In de ogen van de Fariezeeën overtreedt Hij hiermee de Sabbat op twee manieren: 
- Genezen op de Sabbat
- Iemand opgragen zijn matras te dragen.
Beide zijn een overtreding van de aanvullende geboden van de Farizeeën.
Maar let AUB op, het waren de AANVULLENDE geboden van de Farizeeën die werden ovetreden en niet de Wet van God.
Deze extra geboden werden in het begin toegevoegd met de beste bedoelingen.
Ze moesten Gods volk helpen om niet eens in de buurt te komen van een overtreding van Gods Wet.  Als een soort hek. Maar deze extra geboden werden door de leiders uiteindelijk tot dezelfde status verheven als Gods Wet. Daarom zei God in Deuteronomium 4:2 Ten aanzien van het onderwerp 'genezen op de Sabbat' zette Yeshua een aantal zaken op hun plaats. Zelfs de farizeeën. Lucas 13:10 Mensen hebben veel veronderstellingen met betrekking tot de Sabbat, en alle andere geboden van God. Het probleem hiermee is dat veel veronderstellingen zijn gebaseerd op menselijke regels die door de eeuwen heen zijn overgedragen, en niet op Gods Woord. Wij vragen u daarom om bewustwording ten aanzien van wat u gelooft. Wees er zeker van dat het gebaseerd is op de Schrift en niet op traditie. Als er een menigsverschil is over welk vers dan ook, dan is dat niet erg, want we kunnen allemaal leren en groeien met dat vers als vertrekpunt. We baseren ons dan tenminste op de schrift en niet op iets uit overleveringen van de 'kerkvaders'. We zouden ernaar moeten streven te groeien in het Woord van God en niet in het woord van mensen.


Numeri 35:

5 En gij zult meten van buiten de stad, aan den hoek tegen het oosten, twee duizend ellen (cubits), (minder dan 804 meter/half a mile) en aan den hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan den hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan den hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.

Jozua 3:

4 Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee  duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren.

Werken/work:

Exodus 20:
  8 Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt.
  9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;
10 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;
11 Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.


Exodus 20: (KJV)
11 For in six days the LORD made the heavens and the earth and the sea and all that is in them, and he rested on the seventh day; therefore the LORD blessed the Sabbath day and set it apart as holy.

 

Exodus 35:
21 Zes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten; in den ploegtijd en in den oogst zult gij rusten.

Leviticus 23:
Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is des HEEREN sabbat, in al uw woningen.

Geen last dragen:

Jeremía 17:

21 Zo zegt de HEERE: Wacht u op uw zielen, en draagt geen last op den sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem.

22 Ook zult gijlieden geen last uitvoeren uit uw huizen op den sabbatdag, noch enig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen, gelijk als Ik uw vaderen geboden heb.

21 Thus saith the LORD; Take heed to yourselves, and bear no burden on the sabbath day, nor bring it in by the gates of Jerusalem;
22 Neither carry forth a burden out of your houses on the sabbath day, neither do ye any work, but hallow ye the sabbath day, as I commanded your fathers. (KJV)

Nehemía 10:

31 Ook als de volken des lands waren en alle koren op den sabbatdag ten verkoop brengen, dat wij op den sabbat, op een anderen heiligen dag van hen niet zouden nemen; en dat wij het zevende jaar zouden vrij laten, mitsgaders allerhande bezwaarnis.

 

DAY BEFORE THE SABBATH

DAY BEFORE THE SABBATH - ("preparation"): 


Considered as a day of preparation, in accordance with Ex 16:23, both before the regular Sabbath and before a feast Sabbath (Mt 27:62; Mk 15:42; Lk 23:54; Jn 19:14,31,42). 
At 3 p.m., the Hebrews began to prepare their food for the next day, and to perform all labors which were forbidden to be done on the Sabbath and yet must be done. 
They bathed and purified themselves, dressed in festive apparel, set their tables, and lighted their lamps.
On the day before Easter, the Hebrews of the later period made it their chief business to remove all leaven from the house (1 Cor 5:7).
This custom of converting at least a portion of the day before the Sabbath into a holy day was recognized by the Romans to such an extent that, according to a rescript of Augustus, Jews need not appear in court after 3 p.m. on such days. Criminal cases were not brought before court on this day, and journeys exceeding 12 Roman miles were prohibited. The signal for the preparations was given by the priests by means of trumpets blown six times at intervals.

Frank E. Hirsch

1 Korinthe 5:

Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

Exodus 16:

23 Hij dan zeide tot hen: Dit is het, dat de HEERE gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat des HEEREN! wat gij bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat gij zieden zoudt; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot den morgen.

Matthéüs 27:

62 Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeeën tot Pilatus,

 

Markus 15:

42 En als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat;

Lukas 23:

54  En het was de dag der voorbereiding (vrijdag), en de sabbat kwam aan. 

55 En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galiléa, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd.

56 En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.

Johannes 19:

14 En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!
31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl dewijl het de voorbereiding was (want die dag des llsabbats was groot), baden Pilatus, dat hun benen zouden gebroken, en zij weggenomen worden.

42 Aldaar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was.


Roman mile:

The Romans, when marching their armies through Europe, were the first to use the unit of long distance mille passuum (literally "a thousand paces" in Latin, where each pace or stride was two steps). When marching through uncharted territory, they would often push a carved stick in the ground after each 1000 paces. Well fed and harshly driven Roman battalions in good weather thus created longer miles. After attempts to standardize, it denoted a distance of 1,000 average paces or 5,000 Roman feet, and is estimated to be about 1,479 metres (4,851 feet or 1,617 yards). This unit, now known as the Roman mile,[29] spread throughout the Roman Empire, often with modifications to fit local systems of measurements.

Sabbat geen dienst-/werk zult gij doen en een heilige samenroeping:


(Exodus 31)

Het heiligen van den sabbat
12 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.
14 Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.
15 Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.
16 Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.
17 Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en zich verkwikt heeft.


(Leviticus 19)
30 Gij zult Mijn sabbatten houdenen Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEER

Sabbat:
(Leviticus 23)

Wetten der hoogtijden
Daarna sprak de HEERE (YHWH) tot Mozes, zeggende:
Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De gezette hoogtijden des HEEREN, welke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn gezette hoogtijden.
Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is des HEEREN sabbat, in al uw woningen.

4 Deze zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, de heilige samenroepingen, welke gij uitroepen zult op hun gezetten tijd.


Pascha:

In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEEREN (YHWH) pascha.
En op den vijftienden dag derzelver maand is het feest van de ongezuurde broden des HEEREN (YHWH); zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.
Op den eersten dag (dag 15) zult gij een heilige samenroeping hebbengeen dienstwerk zult gij doen.
Maar gij zult zeven dagen vuuroffer den HEERE offeren; en op den zevenden dag (dag 21) zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult gij doen.


Wekenfeest - Shavuot - Pinksteren:

En de HEERE (YHWH) sprak tot Mozes, zeggende:
10 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als gij in het land zult gekomen zijn, hetwelk Ik u geven zal, en gij zijn oogst zult inoogsten, dan zult gij een garf der eerstelingen van uw oogst tot den priester brengen.
(Een garf of garve: is een bos samengebonden graanhalmen, een schoof.) 
11 En hij zal die garf voor het aangezicht des HEEREN (YHWH) bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal de priester die bewegen.
12 Gij zult ook op den dag, als gij die garf bewegen zult, bereiden een volkomen lam, dat eenjarig is, ten brandoffer den HEERE (YHWH);
13 En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, den HEERE (YHWH) tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin.
14 En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dienzelven dag, dat gij de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.
15 Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;
16 Tot den anderen dag, na den zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een nieuw spijsoffer den HEERE (YHWH) offeren.
17 Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen den HEERE.
18 Gij zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen den HEERE een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE (YHWH).
19 Ook zult gij een geitenbok ten zondoffer, en twee eenjarige lammeren ten dankoffer bereiden.
20 Dan zal de priester dezelve met het brood der eerstelingen ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN (YHWH), met de twee lammeren bewegen; zij zullen den HEERE een heilig ding zijn, voor den priester.
21 En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw geslachten.
22 Als gij nu den oogst uws lands zult inoogsten, gij zult, in uw inoogsten, den hoek des velds niet ganselijk afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor den arme en voor den vreemdeling zult gij ze laten; Ik ben de HEERE (YHWH), uw God!


Feest der bazuinen:

23 En de HEERE (YHWH) sprak tot Mozes, zeggende:
24 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: In de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een rust hebben, een gedachtenis des geklanks, een heilige samenroeping.
25 Geen dienstwerk zult gij doen; maar gij zult den HEERE (YHWH) vuuroffer offeren.
26 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
27 Doch op den tienden dezer zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult gij hebben; dan zult gij uw zielen verootmoedigen, en zult den HEERE (YHWH) een vuuroffer offeren.
28 En op dienzelven dag zult gij geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN (YHWH) uws Gods.
29 Want alle ziel, welken op dienzelven dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit haar volken.
30 Ook alle ziel, die enig werk op dienzelven dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden haars volks verderven.
31 Gij zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.
32 Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten.

Loofhuttenfeest:

33 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
34 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Op den vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest der loofhutten zeven dagen den HEERE zijn.
35 Op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen.
36 Zeven dagen zult gij den HEERE (YHWH) vuurofferen offeren; op den achtsten dag zult gij een heilige samenroeping hebben, en zult den HEERE vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; gij zult geen dienstwerk doen.
 
37 Dit zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, welke gij zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om den HEERE vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren;
38 Behalve de sabbatten des HEEREN, en behalve uw gaven, en behalve al uw geloften, en behalve al uw vrijwillige offeren, welke gij den HEERE geven zult.
39 Doch op den vijftienden dag der zevenden maand, als gij het inkomen des lands zult ingegaderd hebben, zult gij des HEEREN feest zeven dagen vieren; op den eersten dag zal er rust zijn, en op den achtsten dag zal er rust zijn.
40 En op den eersten dag zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeven dagen vrolijk zijn.
41 En gij zult dat feest den HEERE zeven dagen in het jaar vieren; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren.
42 Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen;
43 Opdat uw geslachten weten, dat Ik de kinderen Israëls in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!
44 Alzo heeft Mozes de gezette hoogtijden des HEEREN tot de kinderen Israëls uitgesproken.

(Exodus 12)
 16 En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden.
16 De eerste en zevende dag zijn heilige dagen die jullie samen moeten vierenDie beide dagen mag er geen enkele bezigheid verricht wordenjullie mogen alleen het voedsel bereiden dat ieder nodig heeft. 
17 Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht. Generatie na generatie moeten jullie het feest van het Ongedesemde brood vieren, omdat ik jullie die dag, in groepen geordend, uit Egypte heb geleid. 

(Deuteronomium 5)
    12 
Onderhoudt den sabbatdag, dat gij dien heiligt; gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft.
13 Zes dagen zult gij arbeiden, en al uw werk doen;
14 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN, uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienstknecht, en uw dienstmaagd ruste, gelijk als gij.
15 Want gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de HEERE, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekten arm; daarom heeft u de HEERE, uw God, geboden, dat gij den sabbatdag houden zult.

(Jesaja 56)

Beloften en vermaning tot vroomheid
Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.
Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.
En de vreemden, die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden;
Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.

(Jesaja 66)

23 En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van den enen sabbat tot den anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE (YHWH).

(Exodus 31)

Het heiligen van den sabbat
12 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken (zegel, verbond) tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE (YHWH) ben, Die u heilige.
14 Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.
15 Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.
16 Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.
17 Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken (zegel, verbond) in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en zich verkwikt heeft.
De stenen tafelen
18 En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.


(Ezechiël 20)
10 En Ik voerde hen uit Egypteland, en bracht hen in de woestijn.
11 Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven.
12 Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben, Die hen heilige. 

(Ezechiël 46)
Alzo zegt de Heere HEERE: De poort van het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet; zal de zes werkdagen gesloten zijn; maar op den sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op den dag van de nieuwe maan.

(Amos 8)
Zeggende: Wanneer zal de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkopen? en de sabbat, dat wij koren mogen openen? verkleinende de efa, en den sikkel vergrotende, en verkeerdelijk handelende met bedriegelijke weegschalen;

(Kolosenzen 2)
16 Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;

(Numeri 15)

De sabbatschender gestraft
32 Toen de Israëlieten in de woestijn waren, troffen zij een man aan die hout sprokkelde op de sabbatdag.
33 En zij die hem aantroffen terwijl hij hout sprokkelde, brachten hem naar Mozes en naar Aäron, en naar heel de gemeenschap.
34 Zij namen hem in hechtenis, want er was nog geen beslissing genomen wat met hem gedaan moest worden.
35 Toen zei de HEERE (YHWH) tegen Mozes: Die man moet zeker gedood worden. Heel de gemeenschap moet hem met stenen stenigen buiten het kamp.
36 Toen bracht heel de gemeenschap hem weg tot buiten het kamp, en zij stenigden hem met stenen, zodat hij stierf, zoals de HEERE Mozes geboden had.
 

Openbaring 1

10 En ik was in den geest op den dag des Heeren; (Sabbat dag: zaterdag)

Jesaja 58

13 Indien gij uw voet van den sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heiligen dag; en indien gij den sabbat noemt een verlustiging, opdat de HEERE (YHWH) geheiligd worde, die te eren is; en indien gij dien eert, dat gij uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt;
14 Dan zult gij u verlustigen in den HEERE, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve van uw vader Jakob; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.

Markus 2

Jezus en de sabbat
23 En het geschiedde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.
24 En de farizeeën zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag, wat niet geoorloofd is?
25 En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
26 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathar, den hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, dan den priesteren, en ook gegeven heeft dengenen, die met hem waren?
27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mens, niet de mens om den sabbat.
28 Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van den sabbat. 


Matthéüs 28
 
De opstanding

En laat na den sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdaléna, en de andere Maria, om het graf te bezien.

Markus 16

De opstanding (Yeshua is opgestaan op zaterdag/sabbat dag)
En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salóme specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. (Dat was in de avond; zaterdagavond, sabbat eindigd na zonsondergang)
En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging; (Dat was op zondagochtend)
En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?
(En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 
Drie verschijningen
En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdaléna, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.

Lukas 24

De opstanding
En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond (zondag), gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar.
En zij vonden den steen afgewenteld van het graf.
En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere Jezus niet.

Johannes 20

De opstanding
En op den eersten dag der week (zondag) ging Maria Magdaléna vroeg, als het nog duister was (Zondag ochtend), naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen.
Verschijning aan de tien discipelen
19 Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week (zondag), en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden (niet om te bidden, maar uit vrees), kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
20 En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen.
21 Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden.
22 En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.
23 Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.

Handelingen 20

Paulus weder te Tróas
En op den eersten dag der week (zaterdag avond), als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags (zondag reizen) verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot den middernacht (zaterdag avond en nacht).
En er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren. (in de nacht van zaterdag op zondag)
En een zeker jongeling, met name Eutychus, zat in het venster en met een diepen slaap overvallen zijnde, alzo Paulus lang tot hen sprak, door den slaap nederstortende, viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen.
10 Doch Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zeide hij: Weest niet beroerd; want zijn ziel is in hem.
11 En als hij weder boven gegaan was, en brood gebroken en wat gegeten had, en lang, tot den dageraad toe, met hen gesproken had, vertrok hij alzo.
12 En zij brachten den knecht levende, en waren bovenmate vertroost.
   29 Want ik weet dat na mijn heengaan woeste wolven bij u zullen binnendringen en de kudde niet zullen sparen.
    30 
Ja, uit uw eigen kring zullen lieden voortkomen die de waarheid zullen verdraaien, om de leerlingen achter zich te krijgen.
And 1161 there were 2258 many 2425 lights 2985 in1722 the upper chamber 5253, where 3757 they were2258 gathered together 4863 .

Act 20:11
When 1161 he 305 0 therefore was come up again305 , and 2532 had broken 2806 bread 740,and 2532eaten 1089 and 5037 talked 3656 1909 a long while2425even till 891 break of day 827, so 3779 he departed 1831 .

Handelingen 2

De eerste bekeerden
37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
43 En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.
44 En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;
45 En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.
46 En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten;
47 En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.

Act 2:46
And 5037 they, continuing 4342 daily 2596 2250 with one accord 3661 in 1722 the temple 2411, and 5037breaking 2806 bread 740 from 2596 house to house3624, did eat 3335 their meat 5160 with 1722gladness 20 and 2532 singleness 858 of heart 2588,

1 Korinthe 16

De inzameling voor de behoeftige Christenen in Jeruzalem
Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt (geld verzamelen op zondag thuis), gelijk als ik aan de Gemeenten in Galátië verordend heb, doet ook gij alzo.
Op elken eersten dag der week, legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg (geld), vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.
En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen.

Lukas 4

Jezus te Názareth veracht
16 En Hij kwam te Názareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.

Markus 6
2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?


Matthéüs 5

De vervulling der Wet en der profeten
17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.
18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. (Mozes en Yeshua /oud en nieuwe testament).
19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.


1 Johannes 2

Het gebod der liefde, een oud en nieuw gebod
En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren.
Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet;
Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.
Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.
Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt.

Maleáchi 3

Want Ik, de HEERE (YHWH), word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.

Psalmen 89

Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:
Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.

Hebreeën 13

Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.

Johannes 14

15 Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.

Johannes 15

10 Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.

1 Johannes 2

Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet;
Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.

1 Johannes 5

Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.


Matthéüs 24

20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.

Kolossenzen 2

14 Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;
16 
Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;
17 Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.

Col 2:16
Let 2919 0 no 3361 man 5100 therefore 3767 judge2919 you 5209 in 1722 meat 1035, or 2228 in 1722drink 4213, or 2228 in 1722 respect 3313 of an holyday1859, or 2228 of the new moon 3561, or 2228 of the sabbath 4521 [days]:

Handelingen 17

En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,

Acts 17
1 After they traveled through Amphipolis and Apollonia, they came to Thessalonica, where there was a Jewish synagogue.
2 Paul went to the Jews in the synagogue, as he customarily did, and on three Sabbath days he addressed them from the scriptures,
3 explaining and demonstrating that the Christ had to suffer and to rise from the dead, saying, "This Jesus I am proclaiming to you is the Christ."
4 Some of them were persuaded and joined Paul and Silas, along with a large group of God-fearing Greeks and quite a few prominent women.


Handelingen 18

En hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.

Handelingen 13

42 En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.
43 En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Bárnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods.
44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad samen, om het Woord Gods te horen.

Openbaring 14

12 Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.

Hebreeën 8

10 Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

Openbaring 22

14 Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.

2 Petrus 3

13 Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.
 

Markus 7

De farizeeën en de overlevering
En tot Hem vergaderden de farizeeën, en sommigen der schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;
En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.
Want de farizeeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzetting der ouden.
En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.
Daarna vraagden Hem de farizeeën en de schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen?
Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen;
Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele.
En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.
10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.
11 Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet.
12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;
13 Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.
14 En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.
15 Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen.
16 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
17 En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.
18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.
20 En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.
21 Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,
22 Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.
23 Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.

Galaten 3
28 
Daarin is noch Jood noch Griek (Gentile); daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus (Hamashiach Yeshua).

 

Lexicon :: Strong's G1672 - Hellēn

 
Ἕλλην
Transliteration
Hellēn
Pronunciation
he'l-lān (Key)
 
Part of Speech
masculine noun
Root Word (Etymology)
 
 
 
The KJV translates Strong's G1672 in the following manner: Greek (20x), Gentile (7x).
Outline of Biblical Usage [?]
  1. a Greek either by nationality, whether a native of the main land or of the Greek islands or colonies

  2. in a wider sense the name embraces all nations not Jews that made the language, customs, and learning of the Greeks their own; the primary reference is to a difference of religion and worship

 

Strong’s Definitions [?] (Strong’s Definitions Legend)
Ἕλλην Héllēn, hel'-lane; from G1671; a Hellen (Grecian) or inhabitant of Hellas; by extension a Greek-speaking person, especially a non-Jew:—Gentile, Greek.
 
  1. Nieuwe maan sabbat
  2. 7e dag sabbat (vrijdag zonsondergang tot zaterdag zonsondergang sabbat) 
  3. Extra sabbat en bij bepaalde feestdagen (Hoogtijden).


Het was eerst donker toen YHVH het licht maakte. Vandaar dat de eerste dag begint bij de duisternis?

 

Genesis 1
De schepping

In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.
En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.
En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweestde eerste dag.

Lexicon :: Strong's H1242 - boqer

 
בֹּקֶר
Transliteration
boqer
Pronunciation
bō'·ker (Key)
 
Part of Speech
masculine noun
Root Word (Etymology)
Dictionary Aids

TWOT Reference: 274c

KJV Translation Count — Total: 205x
The KJV translates Strong's H1242 in the following manner: morning (191x), morrow (7x), day (3x), days (with H6153) (1x), early (3x).
Outline of Biblical Usage [?]
  1. morning, break of day

    1. morning

      1. of end of night

      2. of coming of daylight

      3. of coming of sunrise

      4. of beginning of day

      5. of bright joy after night of distress (fig.)

    2. morrow, next day, next morning

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
בֹּקֶר bôqer, bo'-ker; from H1239; properly, dawn (as the break of day); generally, morning:—(+) day, early, morning, morrow.

    Source: http://teshuvaministries.net/portfolio-post/the-sabbath-day-119-ministries/

     

    Jesaja 1
    13 Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden (Jan t/m Dec), en sabbatten (Zondag)en het bijeenroepen der vergaderingen (andere diensten ter ere van God die YHWH nooit heeft opgedragen) vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.
    14 Uw nieuwe maanden (Jan t/m Dec) en uw gezette hoogtijden (Kerstmis, Halloween, Valentijnsdag, enz...) haat (verfoeit) Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen.

    Ezechiël 22

    Mijn heilige dingen hebt gij veracht, en Mijn sabbatten hebt gij ontheiligd.
      26 Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbattenja, Ik word in het midden van hen ontheiligd. 


    Nehemia 13
    15 In dezelfde dagen zag ik in Juda, die persen traden op den sabbat, en die garven inbrachten, die zij op ezels laadden; als ook wijn, druiven en vijgen, en allen last, dien zij te Jeruzalem inbrachten op den sabbatdag; en ik betuigde tegen hen ten dage, als zij eetwaren verkochten.
    16 Daar waren ook Tyriërs binnen, die vis aanbrachten, en alle koopwaren, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem.
    17 Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat gijlieden doet, en ontheiligt den sabbatdag?
    18 Deden niet uw vaders alzo, en onze God bracht al dit kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden maakt de hittige gramschap nog meer over Israël, ontheiligende den sabbat.
    19 Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor den sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag.
    20 Toen vernachtten de kramers, en de verkopers van alle koopwaren, buiten voor Jeruzalem, eens of tweemaal.
    21 Zo betuigde ik tegen hen, en zeide tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet op den sabbat.
    22 Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid Uwer goedertierenheid.
    23 Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen.
    24 En hun kinderen spraken half Asdodisch, en zij konden geen Joods spreken, maar naar de taal eens iegelijken volks.


    Lukas 10
    Maria en Martha
    38 En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.
    39 En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.
    40 Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daarbij komende, zeide zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.
    41 En Jezus, antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen;
    42 Maar één ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.


    Hebreeën 4
    1 Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.
    2 Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.
    3 Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Indien zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren.
    4 Want Hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft op den zevenden dag van al Zijn werken gerust.
    5 En in deze plaats wederom: Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!
    6 Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve rust ingaan, en degenen, wien het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,
    7 Zo bepaalt Hij wederom een zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende, zo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.
    8 Want indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag.
    9 Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.
    10 Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.
    11 Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle.
    12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten.
    13 En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben.
    Christus overtreft de hogepriesters van het oude verbond.
    14 Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
    15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
    16 Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

     

    Gewijde rust op de wekelijkse sabbatdag
    In het Oude Testament zien we een sterke nadruk op het begrip 'sabbat' in de betekenis van 'gewijde rustperiode'. Het meest bekend is de wekelijkse sabbatdag, de zevende dag van elke week die bij ons 'zaterdag' heet. Volgens de joodse traditie begint de sabbatdag op vrijdag bij zonsondergang en duurt die tot zaterdag bij zonsondergang. Op de sabbatdag mogen joden geen werk doen. In de tijd van het Oude Testament moesten de priesters op de sabbatdag dag wel de dagelijkse offers brengen, zelfs nog meer dan op doordeweekse dagen (Numeri 28:9-10).

    "Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Want in zes dagen heeft de HEER (YHWH) de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER (YHWH) de sabbat gezegend en heilig verklaard." (Exodus 20:8-11, NBV2004)
    De wekelijkse sabbatdag werd en wordt door de joden niet zozeer onderhouden als een godsdienstige verplichting, maar op een feestelijke manier gevierd als een godsgeschenk. Zij zien het vooral als een heilige dag, waarop de mens zijn zorgen van zich af zet, zich niet bezighoudt met wereldse belangen, maar zichzelf wijdt aan geestelijke zaken en ontmoetingen met volksgenoten. Men viert de sabbatdag daarom pas volledig, wanneer deze dag niet alleen in lichamelijke rust wordt doorgebracht, maar ook met het verrijken van de geest.

    Tot op vandaag wordt de joodse sabbatviering beleefd als het hoogtepunt van de week. De sabbatdag wordt ingeleid met een speciale sabbatmaaltijd. De ouders zegenen elkaar en hun kinderen en staan stil bij al het goede dat ze van God hebben ontvangen. Een aardig detail daarbij is dat er tijdens een sabbatmaaltijd alleen over plezierige en positieve onderwerpen gesproken mag worden. God wil ons leren wat dankbaarheid, vrolijkheid en blijheid is. Juist die sabbatvieringen binden de gezinsleden aan elkaar tot een harmonische eenheid; ze worden als een grote zegen ervaren. Christenen kunnen nog heel wat leren van joodse tradities en van de manier waarop zij uiterlijk aandoende tradities weten te onderhouden om het innerlijke leven te versterken.

    Het belang van de sabbatdag

    De instelling van de sabbatdag was een van de eerste geboden van God aan het volk Israël, zelf nog voor de wetgeving bij de berg Sinaï. Al toen het volk Israël na hun uittocht uit Egypte bij de eerste oase kampeerde gaf God hen al een aantal voorschriften:

    "Daar in de woestijn gaf de HEER hun wetten en regels..." (Exodus 15:25, NBV2004)
    Dit zinnetje staat heel onopvallend in de geschiedenis van het ondrinkbare water bij Mara. Je leest er gemakkelijk overheen. In Exodus 16 lezen we dat God dagelijks hemelbrood gaf, maar dat de zevende dag een uitzonderingspositie innam. Op die dag zou er geen hemelbrood komen en de dag ervoor moest er dus een dubbele portie worden verzameld. Kortom: niet werken, maar genieten van de sabbatsrust, een dag niet werken, maar vertrouwen op Gods voorzienigheid. Met andere woorden: het sabbatgebod moet toen al bekend zijn geweest bij het volk Israël.

    Het sabbatsgebod was zo belangrijk dat overtreders de doodstraf verdienden. In Numeri 15:32-36 wordt beschreven dat iemand gestenigd moest worden omdat hij op sabbatdag brandhout gesprokkeld had. God beschouwde dit ontheiligen van de sabbatdag als een opstandige afwijzing van Hemzelf. Gods sabbatsgebod is werkelijk een zaak van leven of dood. Het ging God natuurlijk niet om die paar houtjes die de man bij elkaar sprokkelde, maar op de onverschilligheid waarmee die persoon moedwillig tegen Gods wil inging. Zo'n onverschillige houding wekt Gods rechtvaardige toorn op.

    Ook in Jeremia 17:19-27 lezen we hoe zeer God het volk Israël kwalijk nam als de sabbatdag werd veronachtzaamd. 
    De wet van Mozes vermeldt de volgende activiteiten die op de sabbatdag niet mogen worden uitgevoerd:

    dagelijks werk doen (Exodus 20:9-10)
    vuur aansteken (Exodus 35:3)
    voedsel bereiden (Exodus 16:23-27)
    hout sprokkelen (Numeri 15:32-36)
    oogst binnenhalen (Exodus 34:21)
    reizen (Exodus 16:29)
    kopen en verkopen (Nehemia 10:31, NBV2004)
    Het sabbatgebod is als enige ceremoniële gebod in de Tien Geboden opgenomen. Dat zegt iets over het belang van dit gebod voor het volk Israël en op een nieuwtestamentische manier ook voor de gelovigen onder het Nieuwe Verbond, namelijk dat 'rusten in de Heer' van levensbelang is. Dat is leven vanuit de zekerheid van Gods genade en beloften.

    Jezus en de sabbatdag
    Toen de farizeeën Jezus bekritiseerden omdat zijn discipelen op de sabbatdag bij een korenveld een paar graankorrels fijnwreven om ze vervolgens op te eten, irriteerde Hij zich enorm aan hun muggenzifterij. 

    Jezus zei:

    "...De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat..." (Marcus 2:27, NBV2004)
    Hiermee gaf Jezus aan dat de sabbatdag was bedoeld als geschenk, niet als onderwerp voor pietluttige debatten over wat wel en niet mag. (De farizeeërs en wetgeleerden gingen er zelf geboden erbij verzinnen die ze boven YHWH's geboden zetten en veel belangrijker gingen vinden. Dat was waar Yeshua tegen in ging).

    Soms krijg je het idee dat Jezus expres op de sabbatdag mensen genas om wettisch ingestelde mensen aan het denken te zetten. In Matteüs 12:9-14 legt Jezus als voorbeeld uit dat je op de sabbatdag ook wel schapen uit de put haalt als het nodig is. Zelfs het leven van dieren is belangrijker dan een ceremonieel gebod.

    Daarbij zei Jezus:

    "En is een mens niet veel meer waard dan een schaap? Daaruit volgt dat we op sabbat goed mogen doen." (Matteüs 12:12, NBV2004)
    Na deze woorden genas Jezus iemand. Zo komen we terug bij Gods oorspronkelijke bedoeling van de sabbatdag: het welzijn voor de mensenJezus hield zich aan de sabbat, maar negeerde de extra regeltjes van de joodse leiders. Gods leefregels zijn functioneel, maar niet pietluttig.

    Het niet werken op de sabbatdag is geen doel op zich. Het is een afbeelding van de innerlijke rust die God wil geven aan mensen die God vertrouwen voor al hun behoeften. De traditie van het onderhouden van de sabbatdag is bedoeld als een ondersteuning voor het 'onderhouden' van de innerlijke rust van de gelovige. En juist die innerlijke betekenis is van belang binnen de nieuwtestamentische Gemeente.

    Gods doel met de sabbatdag
    Kortom, God had aan de Israëlieten de sabbatdag gegeven (Exodus 20:8-11) als een gewijde rustdag met de volgende bedoelingen:

    om stil te staan bij God, en zijn diepgaande verbondenheid met het volk en Hem daarvoor te eren,
    om te genieten van Gods zegeningen,
    om uit te rusten van de dagelijkse werkzaamheden en zodoende nieuwe kracht te putten (recreatie),
    om te beseffen en te geloven dat ze hun welzijn en welvaart niet hadden te danken aan eigen inspanning, maar aan God en dat God zegent wie naar zijn wil leeft in verbondenheid met Hem.
    Dat was een heel unieke instelling en in vergelijking met de opvattingen van die tijd regelrecht revolutionair. Het volk Israël was dan ook zeer bevoorrecht met Gods leefregels, want ze vormden de sleutel tot het hoogst denkbare welzijn van een volk op aarde!

    Andere sabbatten
    Daarnaast spreekt de Bijbel over het sabbatjaar: elk zevende jaar waarin het bouwland rust moest hebben en er geen gewassen mochten worden verbouwd. Tenslotte was er het jubeljaar, in het jaar na elk zevende sabbatjaar (dus om de vijftig jaar), waarin ieder die slaaf geworden was zijn vrijheid moest herkrijgen en het land aan zijn oorspronkelijke eigenaren moest worden teruggeven. Je kunt in Leviticus 25 lezen over deze verschillende sabbatten.

    De profeet Ezechiël geeft de volgende woorden van God weer:
    "Ook gaf ik hun (= het volk Israël) mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de HERE (YHWH), hen heilig. Mijn sabbatten ontheiligden zij ten zeerste, zodat ik overwoog mijn grimmigheid in de woestijn over hen uit te storten ter vernietiging." (Ezechiël 20:12-13, NBG1951)

    De NBG1951 vertaling geeft terecht het meervoud 'sabbatten' weer, terwijl andere vertalingen het als enkelvoud weergeven en waardoor het alleen op de wekelijkse sabbatdag lijkt te slaan. Gods sabbatten waren belangrijk, want daarin wilde God de mensen juist zegenen. Het is duidelijk dat het afwijzen van die geschenken gelijk staat met het beledigen en afwijzen van de Gever. Sabbatten waren immers veel meer dan door God ingestelde plichtplegingen.


    Joodse tradities

    "Mijn mening: Eigenlijk is er niemand Jood (Rom 2:29) en heiden op het eind, want wij stammen allemaal van Adam af. En nu wij de zijtakken van de olijfbomen zijn dan vallen wij allemaal weer onder hetzelfde volk Israël. Niet alle regels die de Joden gebruiken zijn van YHWH, maar door mensen erbij gemaakt en belangrijker gesteld boven die van YHWH dit was een reden van Yashua tegen hun in te gaan."

    Wie is er Jood? Volgens het Joodse geloof is iedere jongen of meisje geboren uit een Joodse moeder een Jood. Het is niet mogelijk dit Joods zijn op te geven. 
    "Mijn mening: DIT IS EEN LEUGEN WANT JEZUS STAMT AF VAN EEN MANNELIJKE LIJN (12 generatie) alleen zijn moeder (13e generatie) is vrouwelijk.
    En ik vindt dit vreemd Joden erkennen Jezus niet maar wel de vrouwelijke lijn van het Joods zijn?"

    De besnijdenis en de bar-mitzwa

    Joodse jongens worden besneden als ze 8 dagen oud zijn, ze worden besneden door een moheel (de besnijder). Hij verwijdert met een scherp mesje de voorhuid van de penis. Door deze behandeling word het besneden jongentje opgenomen in het verbond dat God met Abraham maakte. 

    Op 13-jarige leeftijd wordt de Joodse jongen volwassen, dit heet bar-mitzwa. Hij moet dan in de synagoge een deel van de Thora (de Joodse bijbel) voorlezen.

    De Thora
    In de Thora staan alle regels waarna de Joden moeten leven. Er zijn meer dan 613 regels! De bekendste zijn de voedsel- of spijswetten. Een Jood mag geen varkensvlees eten, want het vlees van een varken wordt in de spijswetten als onrein beschouwd. 

    In Leviticus 11 staat:`Jullie mogen alle dieren eten die op het land leven, als ze maar volledig gespleten hoeven hebben en ook herkauwen' 

    Het varken herkauwt niet dus zullen gelovige Joden dit vlees niet eten. 

    Alle dieren die gegeten mogen worden, moeten door een speciale slager worden geslacht.
    In Joodse keukens hebben ze ook vaak speciale pannen voor zuivelproducten en speciale pannen voor het vlees. Want in het Deuteronomium staat dat je geen vlees mag koken in de melk van de moeder. (Dit is waar Yeshua het oneens was met de Farizieers).

    De sabbat
    "6 dagen zullen jullie werken maar op de zevende moet je rusten"

    Als jood, mag je niet op de dag van de sabbat werken, jij niet en je gezin niet. Zelfs het vee moet op die dag kunnen genieten van de rust. Want in 6 dagen heeft God hemel en aarde geschapen, de zee en al wat daarin is en Hij ruste uit op de zevende dag. Daarom heeft God de sabbat tot een zegen gemaakt (Exodus 20 : 8-11)

    Er zijn 2 redenen waarom de jood sabbat moet viert. Ten eerste om de schepping te herdenken, en ten tweede om de uittocht uit Egypte te herdenken

    De sabbatrust begint op vrijdagavond, kort voor de zonsondergang. Alle dingen zijn dan gedaan voor zaterdag, zoals de maaltijden en zelfs de telefoon wordt uitgeschakeld. Als het mogelijk is gaan de man en de kinderen naar de synagoge. En thuis maakt de vrouw de sabbatmaaltijd klaar of beter gezegd ze zet het op tafel, en steekt het sabbatlicht aan. Als de man en de kinderen thuis zijn gekomen uit de synagoge worden de kinderen door hun ouders gezegend. Daar zegenen ze ook de wijn en de 2 challes (gevlochten broden). Dan gaat het gezin eten.

    Tijdens het eten worden er liturgische liederen gezongen ter ere van God, en de sfeer is die van diepe rust en harmonie.
    In de ochtend van de sabbatdag woont het gezin eerst de synagogendienst bij, daarnaast is men ook verplicht die dag 3 keer te bidden.
    Bij het ontbijt na de synogogedienst wordt opnieuw de wijn en de challes gezegend. ´s Middags wordt er gewandeld en spelletjes gespeeld of ze gingen op visite. Maar de grootste bedoeling van de sabbat is om veel te leren van het Jodendom.

    De sabbat word beschouwd als een wekelijkse verering van God. De enige dag waarop de Joden gaan nadenken over zichzelf, en de tijd nemen voor zichzelf en voor anderen. 

    De synagoge
    Op vrijdagavond begint de sabbat. Op die dag houden de Joden hun godsdienstoefeningen in de synagoge. Omdat de Joden uit eerbied voor God niet willen dat iemand zonder hoofdbedekking in de synagoge komt, moeten alle mannelijke Joden een keppeltje dragen. Omdat de vrouwen geen deel nemen in de eredienst nemen ze plaats op de galerij. Het orthodoxe Jodendom ziet het werk in het huishouden als de dagelijkse godsdienstoefening van de vrouw. 

    Zo`n dienst word geleid door de voorzangers. Eén van de chazans (voorzangers) opent de dienst door een gedeelte uit het Bijbelboek Psalmen te zingen. De rabbijn, de geestelijke leider van de gemeente, neemt een Thorarol uit de Heilige Ark. De Heilige Ark is een kast of een nis aan de oostkant van de synagoge. De rabbijn draagt de Thorarol naar de biema, de tribune vanwaar vanaf de Torarol wordt voor gelezen. De tekst is geschreven in het Hebreeuws en wordt gelezen van rechts naar links. De voorlezer gebruikt daarbij een jat, dit is een aanwijsstokje in de vorm van een hand met daarin een gestrekte vinger. De Thora wordt in één jaar tijd helemaal uit gelezen. Als de voorlezer een deel heeft voorgelezen, houdt de Rabbijn een korte preek. Er staat altijd een rode lamp vlak voor de Heilige Ark te branden. Rechts van de preekstoel staat een zevenarmige kandelaar te branden genaamd: de menora. Links en rechts van de biema hangen twee bordjes met daarop de tien geboden.

    Het gebed
    Het eerste wat een jood doet als hij wakker wordt, is zijn handen wassen om daarmee rein en onbevlekt tegenover God te staan. 

    Een traditionele jood staat altijd vroeg op om na het reinigen het ochtendgebed te kunnen uitspreken. Als het even kan, doen ze het liefst samen met andere mensen. s`Middags bidden ze ook, maar alleen wat korter, ook s`avonds gaan ze bidden alleen dan bidden ze wel veel langer. En er wordt ook voor het slapen gaan gebeden.
    Er wordt ook gebeden tijdens speciale feesten of bijeenkomsten. Tevens spreekt men een gebed op voor het eten, na het eten, bij onweer, bij het zien van een regenboog, oceaan, vallende ster, de nieuwe maan, bij het zien van een geleerde of iemand van koningshuis. 
    Men moet zich elk moment bewust zijn van zijn goddelijke oorsprong en als een zo goed mogelijk mens leven.
    Het Joodse Gebed bevat veel meer dan alleen vragen aan God. Het is eerder een gesprek tussen God en de mensen, daarom kon na de verwoesting van de Tempel 70 jr na Chr. het normale offeren vervangen worden door gebed.

    Gebedskleding
    Als een Jood gaat bidden draagt hij een witte mantel met hemelsblauwe strepen. De naam van deze mantel is tallith, letterlijk `lok', `kwast', naar de kwasten waarmee de hoeken zijn afgezet. Deze kwasten waarschuwen de gelovige Joden om zich niet te laten verleiden door de aardse verleidingen. Als de Joden dagelijks hun voorgeschreven gebed uitspreken dragen ze ook nog een tefillin, met andere woorden gebedsriem. Op deze gebedsriem zijn kleine kubussen genaaid de zogenaamde `huisjes'. In deze huisjes bevindt zich een woord namelijk `Sjaddia', 'Almachtige'. Alleen tijdens het avondgebed wordt de gebedsriem niet omgedaan.

    Joodse feesten
    Ondanks de vele regels en verplichtingen is het Joodse geloof geen saai geloof, in tegendeel zelfs, want de joden geloven niet zoals de vele andere godsdiensten dat de mens `slecht en verdorven' is, maar ze geloven dat de mens zelf mag kiezen tussen goed en kwaad. Maar als iemand voor het kwade kiest en daar oprecht berouw van heeft, dan zal God hem ook vergeving schenken. Dus kunnen ook de vrome Joden een lekkere borrel nemen en feest vieren. In de Joodse godsdienst spelen ook feesten een belangrijke rol. Maar ook is elk feest een herdenking van een belangrijke gebeurtenis in het Joodse bestaan. De belangrijkste feesten zijn:

    Rosj - ha - sjana: Dit is het Joodse nieuwjaarsfeest dat in september wordt gevierd, toen bij ons 1998 begon, waren de Joden al in 5759. In de synagoge blaast men dan op de sjofar, dit is een ramshoorn. En aan tafel eet men dan appel gedoopt in honing. Daarbij wordt dan de traditionele nieuwjaarswens uit gesproken.

    Jom - Kippoer: Met andere woorden de grote verzoendag. Het wordt tien dagen na het nieuwjaars feest gehouden. Op deze dag bidt men om de vergeving van de zonden van het Joodse volk.

    Soekkoth: Het loofhuttenfeest valt direct met de grote verzoendag. Op deze dag bouwt ieder gezin een loofhut en woont 8 dagen in deze hut en dan herdenken ze de uittocht uit Egypte.

    Chanoeka: De Joden herdenken dan de inwijding van de Tempel 104 jr v. Chr.

    Poerim:
     het feest van de Loten herinnert de Joden aan de gebeurtenissen van tijdens de Babylonische ballingschap. Gelukkig kon toen uitroeiing van het Joodse volk verhindert worden door een Joodse prinses Esther, die toen met de Perzische koning was getrouwd en op haar voorspraak liet de koning de vervolgingen stoppen.

    Pesach: Dit is het Joodse paasfeest. De redding van het Joodse volk uit Egypte wordt dan herdacht. (Eerste dag van het nieuwjaar)


    Jesaja 24

    Want het land is bevlekt vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzetting, zij vernietigen het eeuwig verbond.

    Jesaja 42

    De Knecht des HEEREN
    Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.
    Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.
    Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
    Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.
    Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die den volke, dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen:
    Ik, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid, en Ik zal U bij uw hand grijpen; en Ik zal U behoeden, en Ik zal U geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen.
    Om te openen de blinde ogen, om den gebondene uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
    Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.
    Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen.
    10 Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.
    11 Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.
    12 Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
    13 De HEERE zal uittrekken als een held; Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
    14 Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken.
    15 Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.
    16 En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en he 
    t kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.

    Lukas 4

    Jezus te Názareth veracht
    16 En Hij kwam te Názareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.
    17 En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was:
    18 De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart;
    19 Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren.
    20 En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen.
    21 En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.
    22 En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef?
    23 En Hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester! genees Uzelven; al wat wij gehoord hebben, dat in Kapérnaüm geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderland.
    24 

     

    En Hij zeide: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland.
    31 En Hij kwam af te Kapernaum, een stad van Galilea, en leerde hen op de sabbatdagen.

    Genesis 14

    Abram en Melchizédek

    18 En Melchizédek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.
    19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram(s) God(e), den Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!
    20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
    21 En de koning van Sódom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.
    22 Doch Abram zeide tot den koning van Sódom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit;
    23 Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
    24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!

    Lukas 22

    Het laatste Paasfeest
    En de dag der (ongehevelde) ongezuurde broden kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.
    En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.
    En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?
    10 En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik waters; volgt hem in het huis, daar hij ingaat.
    11 En gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
    12 En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar.
    13 En zij, heengaande, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
     

    Johannes 11
    55 En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelven reinigden.

    1 Korinthe 5

    Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?
    Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus (de Messias).
    Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.

    1 Petrus 2

    21
     Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;
    24 Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.
    25 Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.  

    Psalmen 23
    De HEERE is mijn Herder
    1 Een psalm van David. De HEEREN (YHVH) is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
    2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
    3 Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
    4 Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
    5 Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
    6 Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN (YHVH) blijven in lengte van dagen.

    Jesaja 12
    Danklied der verlosten
    En te dienzelfden dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE (YHVH)! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.
    Zie, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de HEERE (YHVH) HEERE (YHVH) is mijn Sterkte en Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.
    En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils;
    En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE (YHVH), roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
    Psalmzingt den HEERE (YHVH), want Hij heeft heerlijke dingen gedaan; zulks zij bekend op den gansen aardbodem.
    Juich en zing vrolijk, gij inwoners van Sion! want de Heilige Israëls is groot in het midden van u.
     
    Leviticus 23
    Wetten der hoogtijden
    Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
    Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De gezette hoogtijden des HEEREN, welke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn gezette hoogtijden.
    Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is des HEEREN sabbat, in al uw woningen.
    Deze zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, de heilige samenroepingen, welke gij uitroepen zult op hun gezetten tijd.
    In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEEREN pascha.
    En op den vijftienden dag derzelver maand is het feest van de ongezuurde broden des HEEREN; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.
    Op den eersten dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen. (zondag)
    Maar gij zult zeven dagen vuuroffer den HEERE offeren; en op den zevenden dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult gij doen. (Sabbat=zaterdag)
    En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
    10 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als gij in het land zult gekomen zijn, hetwelk Ik u geven zal, en gij zijn oogst zult inoogsten, dan zult gij een garf der eerstelingen van uw oogst tot den priester brengen.
    11 En hij zal die garf voor het aangezicht des HEEREN bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal de priester die bewegen.
    12 Gij zult ook op den dag, als gij die garf bewegen zult, bereiden een volkomen lam, dat eenjarig is, ten brandoffer den HEERE;
    13 En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, den HEERE tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin.
    14 En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dienzelven dag, dat gij de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.
    15 Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;
    16 Tot den anderen dag, na den zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een nieuw spijsoffer den HEERE offeren.
    17 Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen den HEERE.
    18 Gij zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen den HEERE een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
    19 Ook zult gij een geitenbok ten zondoffer, en twee eenjarige lammeren ten dankoffer bereiden.
    20 Dan zal de priester dezelve met het brood der eerstelingen ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN, met de twee lammeren bewegen; zij zullen den HEERE een heilig ding zijn, voor den priester.
    21 En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw geslachten.
    22 Als gij nu den oogst uws lands zult inoogsten, gij zult, in uw inoogsten, den hoek des velds niet ganselijk afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor den arme en voor den vreemdeling zult gij ze laten; Ik ben de HEERE, uw God!
    23 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
    24 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: In de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een rust hebben, een gedachtenis des geklanks, een heilige samenroeping.
    25 Geen dienstwerk zult gij doen; maar gij zult den HEERE vuuroffer offeren.
    26 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
    27 Doch op den tienden dezer zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult gij hebben; dan zult gij uw zielen verootmoedigen, en zult den HEERE een vuuroffer offeren.
    28 En op dienzelven dag zult gij geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods.
    29 Want alle ziel, welken op dienzelven dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit haar volken.
    30 Ook alle ziel, die enig werk op dienzelven dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden haars volks verderven.
    31 Gij zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.
    32 Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten.
    33 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
    34 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Op den vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest der loofhutten zeven dagen den HEERE zijn.
    35 Op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen.
    36 Zeven dagen zult gij den HEERE vuurofferen offeren; op den achtsten dag zult gij een heilige samenroeping hebben, en zult den HEERE vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; gij zult geen dienstwerk doen.
    37 Dit zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, welke gij zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om den HEERE vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren;
    38 Behalve de sabbatten des HEEREN, en behalve uw gaven, en behalve al uw geloften, en behalve al uw vrijwillige offeren, welke gij den HEERE geven zult.
    39 Doch op den vijftienden dag der zevenden maand, als gij het inkomen des lands zult ingegaderd hebben, zult gij des HEEREN feest zeven dagen vieren; op den eersten dag zal er rust zijn, en op den achtsten dag zal er rust zijn.
    40 En op den eersten dag zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeven dagen vrolijk zijn.
    41 En gij zult dat feest den HEERE zeven dagen in het jaar vieren; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren.
    42 Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen;
    43 Opdat uw geslachten weten, dat Ik de kinderen Israëls in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!
    44 Alzo heeft Mozes de gezette hoogtijden des HEEREN tot de kinderen Israëls uitgesproken.


    Hebreeën 4

    Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.
    Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.
    Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Indien zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren.
    Want Hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft op den zevenden dag van al Zijn werken gerust.
    En in deze plaats wederom: Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!
    Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve rust ingaan, en degenen, wien het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,
    Zo bepaalt Hij wederom een zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende, zo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.
    Want indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag.
    Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.
    10 Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.
    11 Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle.
    12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten.
    13 En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben.
    Christus overtreft de hogepriesters van het oude verbond
    14 Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
    15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
    16 Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.


    Jeremía 17

    Heiliging van den Sabbat
    19 Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;
    20 En zeg tot hen: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda, en gans Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat!
    21 Zo zegt de HEERE: Wacht u op uw zielen, en draagt geen last op den sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem.
    22 Ook zult gijlieden geen last uitvoeren uit uw huizen op den sabbatdag, noch enig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen, gelijk als Ik uw vaderen geboden heb.
    23 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen.
    24 Het zal dan geschieden, indien gij vlijtiglijk naar Mij zult horen, spreekt de HEERE, dat gij geen last door de poorten dezer stad op den sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt, dat gij geen werk daarop doet;
    25 Zo zullen door de poorten dezer stad ingaan koningen en vorsten, zittende op den troon van David, rijdende op wagenen en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid.
    26 En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en spijsoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, ten huize des HEEREN.
    27 Maar indien gij naar Mij niet zult horen, om den sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen als gij op den sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden uitgeblust.

    Nehemía 10

    Vernieuwing van het verbond met God
    28 En het overige des volks, de priesteren, de Levieten, de poortiers, de zangers, de Nethínim, en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochteren, al wie wetenschap en verstand had;
    29 Die hielden zich aan hun broederen, hun voortreffelijken, en kwamen in den vloek en in den eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van den knecht Gods, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden des HEEREN, onzes Heeren, en Zijn rechten en Zijn inzettingen;
    30 En dat wij onze dochteren niet zouden geven aan de volken des lands, noch hun dochteren nemen voor onze zonen.
    31 Ook als de volken des lands waren en alle koren op den sabbatdag ten verkoop brengen, dat wij op den sabbat, of op een anderen heiligen dag van hen niet zouden nemen; en dat wij het zevende jaar zouden vrij laten, mitsgaders allerhande bezwaarnis.
    32 Voorts zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van een sikkel in het jaar, tot den dienst van het huis onzes Gods;
    33 Tot het brood der toerichting, en het gedurig spijsoffer, en tot het gedurig brandoffer, der sabbatten, der nieuwe maanden, tot de gezette hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondofferen, om verzoening te doen over Israël; entot alle werk van het huis onzes Gods.
    34 Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou ten huize onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar des HEEREN, onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is;
    35 Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten huize des HEEREN;
    36 En de eerstgeborenen onzer zonen en onzer beesten, gelijk het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen onzer runderen en onzer schapen zouden brengen ten huize onzes Gods, tot de priesteren, die in het huis onzes Gods dienen.
    37 En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesteren, in de kameren van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij;
    38 En dat er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zou zijn, als de Levieten de tienden ontvangen; en dat de Levieten de tienden der tienden zouden opbrengen ten huize onzes Gods, in de kameren van het schathuis.
    39 Want de kinderen Israëls en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kameren brengen, omdat aldaar de vaten des heiligdoms zijn, en de priesteren, die dienen, en de poortiers, en de zangers; dat wij alzo het huis onzes Gods niet zouden verlaten.

    Psalmen 92  (Vervang LORD met YHWH)

    Loflied op Gods grote werken en rechtvaardigheid
    Een psalm, een lied, op den sabbatdag.
    Het is goed, dat men den HEERE (YHWH) love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!
    Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
    Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.
    Want Gij hebt mij verblijd, HEERE (YHWH)! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
    O HEERE (YHWH)! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
    Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;
    Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.
    Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE (YHWH)!
    10 Want zie, Uw vijanden, o HEERE (YHWH)! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.
    11 Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
    12 En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.
    13 De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.
    14 Die in het huis des HEEREN (YHWH) geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.
    15 In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn,
    16 Om te verkondigen, dat de HEERE (YHWH) recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.
     

    Leviticus 25

    Wetten voor het sabbat- en jubeljaar
                  Sabbatjaar

        1 
    Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan den berg Sinaï, zeggende:
    Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE.
    Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.
    Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.
    Wat van zelf van uw oogst zal gewassen (gegroeit) zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn.
    En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;
    Mitsgaders (ook) voor uw vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn.
    Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.
    Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maandde bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw ganse land.
     
    Jubeljaar

        10 En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht.
    11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden.
    12 Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten.
    13 Op dat jubeljaar zult gij ieder wederkeren tot zijn bezitting.
    14 Daarom, wanneer gij aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand uws naasten kopen zult, dat niemand de een den ander verdrukke.
    15 Naar het getal der jaren, van het jubeljaar af, zult gij van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkopen.
    16 Naar de veelheid der jaren zult gij zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid der jaren zult gij zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten.
    17 Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben de HEERE, uw God!
    18 En doet Mijn inzettingen, en houdt Mijn rechten, en doet dezelve; zo zult gij zeker wonen in het land.
    19 En het land zal zijn vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe; en gij zult zeker daarin wonen.
    20 En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar? Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen;
    21 Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.
    22 Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult gij het oude eten.
    Over het recht om verkochte erfgoederen te lossen
    23 Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.
    24 Daarom zult gij, in het ganse land uwer bezitting, lossing voor het land toelaten.
    25 Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broeders lossen.
    26 En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn lossing;
    27 Dan zal hij de jaren zijner verkoping rekenen, en het overschot zal hij den man, wien hij het verkocht had, weder uitkeren; en hij zal weder tot zijn bezitting komen.
    28 Maar indien zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weder uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van deszelfs koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting wederkeren.
    29 Insgelijks, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar zijner verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.
    30 Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het gehele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, hetwelk in die stad is, die een muur heeft, voor altoos blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan.
    31 Doch de huizen der dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld des lands gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan.
    32 Aangaande de steden der Levieten, en de huizen der steden hunner bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben.
    33 En als men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop van het huis en van de stad zijner bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden der Levieten zijn hun bezitting in het midden van de kinderen Israëls.
    34 Doch het veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen.
    35 En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve.
    36 Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar gij zult vrezen voor uw God, opdat uw broeder bij u leve.
    37 Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uw spijze niet op overwinst geven.
    38 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zij.
    39 Desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen den dienst van een slaaf;
    40 Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen.
    41 Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht wederkeren, en tot de bezitting zijner vaderen wederkeren.
    42 Want zij zijn Mijn dienstknechten, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden, gelijk men een slaaf verkoopt.
    43 Gij zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vrezen voor uw God.
    44 Aangaande uw slaaf of uw slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult gij een slaaf of een slavin kopen.
    45 Gij zult ze ook kopen van de kinderen der bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeren, uit hen en uit hun geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot een bezitting zijn.
    46 En gij zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; gij zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broeders, de kinderen Israëls, een iegelijk over zijn broeder, gij zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid.
    47 En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broeder, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan den vreemdeling, den bijwoner, die bij u is, of aan den stam van het geslacht des vreemdelings zal verkocht hebben;
    48 Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; een van zijn broeders zal hem lossen;
    49 Of zijn oom, of de zoon zijns ooms, zal hem lossen, of die uit de naasten zijns vleses van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelven losse.
    50 En hij zal met zijn koper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar toe; alzo dat het geld zijner verkoping zal zijn naar het getal van de jaren, naar de dagen eens dagloners zal het met hem zijn.
    51 Indien nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijn lossing van het geld, waarover hij gekocht is, wedergeven.
    52 En indien er nog weinige van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn lossing wedergeven.
    53 Als een dagloner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid voor uw ogen.
    54 En is het, dat hij hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem.
    55 Want de kinderen Israëls zijn Mij tot dienstknechten; Mijn dienstknechten zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God! 
    Shmita jaar
    Deuteronomium 15
    Van het vrijheidsjaar
    Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken.
    Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEERE (YHWH) een vrijlating heeft uitgeroepen.
    Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;
    Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overvloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten;
    Indien gij slechts de stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede.
    Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen.

    Exodus 9
    29 
    Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor den HEERE; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des HEEREN is!

    Psalm 24
    Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.

    1 Korinthe 10
    26 Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.
    27 En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil.
    28 Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.

    2 Kronieken 36

    15 En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.
    16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
    Nebukadnézar verwoest Jeruzalem
    17 Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeeën, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.
    18 En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde hij naar Babel.
    19 En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve.
    20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren des koninkrijks van Perzië;
    21 Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremía, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.

    Deuteronomium 22

    Gij zult uw wijngaard niet met tweeërlei bezaaien; opdat de volheid des zaads, dat gij zult gezaaid hebben, en de inkomst des wijngaards niet ontheiligd worde.
    10 Gij zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.


    Economic Collapse Predicted?! - 
    Shemittah Year - 2015 - Elul 29!
    Hello Shofars and Bye-Bye Shmita! 

    Leviticus 26

    Beloften aan hen die naar Gods wet leven en bedreiging der overtreders
    Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!
    Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!
    Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;
    Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;
    En de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, en gij zult zeker in uw land wonen.
    Ook zal Ik vrede geven in het land, dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
    En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
    Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
    En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.
    10 En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen.
    11 En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.
    12 En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn.
    13 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.
    14 Maar indien gij Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;
    15 En zo gij Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat gij niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;
    16 Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.
    17 Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht uwer vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vlieden, als u iemand vervolgt.
    18 En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.
    19 Want Ik zal de hovaardigheid uwer kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.
    20 En uw macht zal ijdellijk verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet geven.
    21 En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.
    22 Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
    23 Indien gij nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen;
    24 Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.
    25 Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.
    26 Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in één oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.
    27 Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid;
    28 Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.
    29 Want gij zult het vlees uwer zonen eten, en het vlees uwer dochteren zult gij eten.
    30 En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
    31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.
    32 Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.
    33 Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.
    34 Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.
    35 Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.
    36 En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hunner vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.
    37 En zij zullen de een op den ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan.
    38 Maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren.
    39 En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.
    40 Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.
    41 Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben;
    42 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;
    43 Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.
    44 En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!
    45 Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware; Ik ben de HEERE!
    46 Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke de HEERE gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen Israëls, op den berg Sinaï, door de hand van Mozes.

    Deuteronomium 4

      Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.

    Handelingen 17

    En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,

    Handelingen 1

    12 Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van den berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.

    Het gezegde 'een sabbatsreis' komt uit de mondelinge leer van de Farizeeen, later bekend als de Talmoed.

    Jozua 3

    4 Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren eneergisteren.
     

    Matthéüs 5

    De vervulling der Wet en der profeten
    17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen (uitvoeren).
    18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.
    19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.
    20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
    21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.
    22 Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Ráka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
    23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;
    24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.
    25 Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.
    26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.
    27 Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.
    28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aanziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.
    29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
    30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
    31 Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.
    32 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.
    33 Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.
    34 Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;
    35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;
    36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;
    37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.
    38 Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.
    39 Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;
    40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;
    41 En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.
    42 Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.
    43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.
    44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;
    45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
    46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?
    47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?
    48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

    Markus 16

    De opstanding
    En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salóme specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden.
    En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging; (zondag)

    Veel mensen vragen zich af wat Exodus 35:3 betekent. Hoort men op de sabbat een vuur te ontsteken? Zo niet, hoe kan men dan een eenvoudig maal klaarmaken? Hoe moet dat dan met mensen in een buitengewoon koud klimaat? Kunnen zij geen vuur aanleggen om warm te blijven?  Laten we Exodus 35:3 en de samenhang eens bezien. Er staat: „Gij zult geen vuur aansteken in enige van uw woningen op de  sabbatdag". Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord voor „aansteken" betekent „een verterende vlam maken", d.w.z. een vuur! De vraag is: waarom wordt er zo'n vuur genoemd in verband met de sabbat?  Lees het verband van hoofdstuk 35 en u zult het zien. De Israëlieten waren de tabernakel aan het bouwen en hadden een vuur nodig dat groot genoeg was om metaal te bewerken. De Israëlieten blaakten zó van ijver de tabernakel te bouwen dat Mozes hun moest vertellen ermee te stoppen, overbodige materialen aan te voeren voor de bouw ervan. En God wist dat als Hij 
    hun geen halt toeriep, de Israëlieten de hele sabbat door aan de tabernakel zouden werken.  Dit was geen kookvuur of een vuur om je bij te verwarmen. Dit had niets te maken met het aandoen van het fornuis of het aansteken van de kachel. Het 
    was een smidsvuur.  Aan de andere kant moesten op Gods gebod bepaalde  vuren juist wél aangehouden worden. Zie Leviticus 6:13: „Het vuur zal gedurig op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust  worden". Hier bleef een 
    offervuur (waar de priesters hun maal op kookten) op de sabbat branden.  In Exodus 35:3 doelde God niet op een kook-, offer- of verwarmingsvuur, maar eerder op een vuur dat gebruikt wordt voor werk dat alleen de overige zes dagen gedaan hoorde te worden.  Het is beslist toegestaan een vuur aan te steken als het guur weer is of om voedsel op te warmen. 
     
    Strong's G4137 - plēroō
    πληρόω

    Transliteration

    plēroō

    Pronunciation

    plā-ro'-ō (Key)

    Part of Speech

    verb

    Root Word (Etymology)

    TDNT Reference

    Vines

    Outline of Biblical Usage

    1) to make full, to fill up, i.e. to fill to the full

    a) to cause to abound, to furnish or supply liberally

    1) I abound, I am liberally supplied

    2) to render full, i.e. to complete

    a) to fill to the top: so that nothing shall be wanting to full measure, fill to the brim

    b) to consummate: a number

    1) to make complete in every particular, to render perfect

    2) to carry through to the end, to accomplish, carry out, (some undertaking)

    c) to carry into effect, bring to realisation, realise

    1) of matters of duty: to perform, execute

    2) of sayings, promises, prophecies, to bring to pass, ratify, accomplish

    3) to fulfil, i.e. to cause God's will (as made known in the law) to be obeyed as it should be, and God's promises (given through the prophets) to receive fulfilment

    Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 90
    AV — fulfil 51, fill 19, be full 7, complete 2, end 2, misc 9
     

    JUBILEES 2
    19 And He said to us: 'Behold, I will separate unto Myself a people from among all the peoples, and these shall keep the Shabbat day, and I will sanctify them unto Myself as My people, and will bless them; as I have sanctified the Shabbat day and do sanctify it unto Myself, even so will I bless them, and they shall be My people and I will be their Sovereign Ruler.
    20 And I have chosen the seed of Yacob from amongst all that I have seen, and have written him down as My first-born son, and have sanctified him unto Myself forever and ever; and I will teach them the Shabbat day, that they may keep Shabbat thereon from all work.'
    21 And thus He created therein a sign in accordance with which they should keep Shabbat with us on the seventh day, to eat and to drink, and to bless Him who has created all things as He has blessed and sanctified unto Himself a peculiar people above all peoples, and that they should keep Shabbat together with us.
    22 And He caused His commands to ascend as a sweet savoir acceptable before Him all the days 
    23 There (were) two and twenty heads of mankind from Adam to Yacob, and two and twenty kinds of work were made until the seventh day; this is blessed and kodesh; and the former also is blessed and kodesh; and this one serves with that one for sanctification and blessing.
    24 And to this (Yacob and his seed) it was granted that they should always be the blessed and kodesh ones of the first testimony and Torah, even as He had sanctified and blessed the Shabbat day on the seventh day.
    25 He created heaven and earth and everything that He created in six days, and YAHWEH made the seventh day kodesh, for all His works; therefore He commanded on its behalf that, whoever does any work thereon shall die, and that he who defiles it shall surely die.
    26 Wherefore do you command the children of Yisrael to observe this day that they may keep it kodesh and not do thereon any work, and not to defile it, as it is more kodesh than all other days.
    27 And whoever profanes it shall surely die, and whoever does thereon any work shall surely die eternally, that the children of Yisrael may observe this day throughout their generations, and not be rooted out of the land; for it is a kodesh day and a blessed day.
    28 And every one who observes it and keeps Shabbat thereon from all his work, will be kodesh and blessed throughout all days like unto us.
    29 Declare and say to the children of Yisrael the Torah of this day both that they should keep Shabbat thereon, and that they should not forsake it in the error of their hearts; (and) that it is not lawful to do any work thereon which is unseemly, to do thereon their own pleasure, and that they should not prepare thereon anything to be eaten or drunk, and (that it is not lawful) to draw water, or bring in or take out thereon through their gates any burden, which they had not prepared for themselves on the sixth day in their dwellings.
    30 And they shall not bring in nor take out from house to house on that day; for that day is more kodesh and blessed than any jubilee day of the jubilees; on this we kept Shabbat in the heavens before it was made known to any flesh to keep Shabbat thereon on the earth.
    31 And the Creator of all things blessed it, but he did not sanctify all peoples and nations to keep Shabbat thereon, but Yisrael alone: them alone he permitted to eat and drink and to keep Shabbat thereon on the earth.
    32 And the Creator of all things blessed this day which HE had created for blessing and making it kodesh and splendid above all days.
    33 
    This Torah and testimony was given to the children of Yisrael as a Torah forever unto their generations.

     

    JUBILEES 6

    Sacrifice of Noah, 1-3 (cf. Gen. vii.20-2). God's convenant with Noah, eating of blood forbidden, 4-10 (cf. Gen. ix. 1-17). Moses bidden to renew this law against the eating of blood, 11-14. Bow set in the clouds for a sign, 15-16. Feast of weeks instituted, history of its observances, 17-22. Feast of the new moons, 23-8. Division of the year into 364 days, 29-38.

    [Chapter 6]

    1. And on the new moon of the third month he went forth from the ark, and built an altar on that mountain.
    2. And he made atonement for the earth, and took a kid and made atonement by its blood for all the guilt of the earth; for everything that had been on it had been destroyed, save those that were in the ark with Noah.
    3. And he placed the fat thereof on the altar, and he took an ox, and a goat, and a sheep and kids, and salt, and a turtle-dove, and the young of a dove, and placed a burnt sacrifice on the altar, and poured thereon an offering mingled with oil, and sprinkled wine and strewed frankincense over everything, and caused a goodly savour to arise, acceptable before the Lord.
    4. And the Lord smelt the goodly savour, and He made a covenant with him that there should not be any more a flood to destroy the earth; that all the days of the earth seed-time and harvest should never cease; cold and heat, and summer and winter, and day and night should not change their order, nor cease for ever.
    5. 'And you, increase ye and multiply upon the earth, and become many upon it, and be a blessing upon it. The fear of you and the dread of you I will inspire in everything that is on earth and in the sea.
    6. And behold I have given unto you all beasts, and all winged things, and everything that moves on the earth, and the fish in the waters, and all things for food; as the green herbs, I have given you all things to eat.
    7. But flesh, with the life thereof, with the blood, ye shall not eat; for the life of all flesh is in the blood, lest your blood of your lives be required. At the hand of every man, at the hand of every (beast) will I require the blood of man.
    8. Whoso sheddeth man's blood by man shall his blood be shed, for in the image of God made He man.
    9. And you, increase ye, and multiply on the earth.'
    10. And Noah and his sons swore that they would not eat any blood that was in any flesh, and he made a covenant before the Lord God for ever throughout all the generations of the earth in this month.
    11. On this account He spake to thee that thou shouldst make a covenant with the children of Israel in this month upon the mountain with an oath, and that thou shouldst sprinkle blood upon them because of all the words of the covenant, which the Lord made with them for ever.
    12. And this testimony is written concerning you that you should observe it continually, so that you should not eat on any day any blood of beasts or birds or cattle during all the days of the earth, and the man who eats the blood of beast or of cattle or of birds during all the days of the earth, he and his seed shall be rooted out of the land.
    13. And do thou command the children of Israel to eat no blood, so that their names and their seed may be before the Lord our God continually.
    14. And for this law there is no limit of days, for it is for ever. They shall observe it throughout their generations, so that they may continue supplicating on your behalf with blood before the altar; every day and at the time of morning and evening they shall seek forgiveness on your behalf perpetually before the Lord that they may keep it and not be rooted out.
    15. And He gave to Noah and his sons a sign that there should not again be a flood on the earth.
    16. He set His bow in the cloud for a sign of the eternal covenant that there should not again be a flood on the earth to destroy it all the days of the earth.
    17. For this reason it is ordained and written on the heavenly tablets, that they should celebrate the feast of weeks in this month once a year, to renew the covenant every year.
    18. And this whole festival was celebrated in heaven from the day of creation till the days of Noah -twenty-six jubilees and five weeks of years [1309-1659 A.M.]: and Noah and his sons observed it for seven jubilees and one week of years, till the day of Noah's death, and from the day of Noah's death his sons did away with (it) until the days of Abraham, and they eat blood.
    19. But Abraham observed it, and Isaac and Jacob and his children observed it up to thy days, and in thy days the children of Israel forgot it until ye celebrated it anew on this mountain.
    20. And do thou command the children of Israel to observe this festival in all their generations for a commandment unto them: one day in the year in this month they shall celebrate the festival.
    21. For it is the feast of weeks and the feast of first fruits: this feast is twofold and of a double nature: according to what is written and engraven concerning it, celebrate it.
    22. For I have written in the book of the first law, in that which I have written for thee, that thou shouldst celebrate it in its season, one day in the year, and I explained to thee its sacrifices that the children of Israel should remember and should celebrate it throughout their generations in this month, one day in every year.
    23. And on the new moon of the first month, and on the new moon of the fourth month, and on the new moon of the seventh month, and on the new moon of the tenth month are the days of remembrance, and the days of the seasons in the four divisions of the year. These are written and ordained as a testimony for ever.
    24. And Noah ordained them for himself as feasts for the generations for ever, so that they have become thereby a memorial unto him.
    25. And on the new moon of the first month he was bidden to make for himself an ark, and on that (day) the earth became dry and he opened (the ark) and saw the earth.
    26. And on the new moon of the fourth month the mouths of the depths of the abyss beneath were closed. And on the new moon of the seventh month all the mouths of the abysses of the earth were opened, and the waters began to descend into them.
    27. And on the new moon of the tenth month the tops of the mountains were seen, and Noah was glad.
    28. And on this account he ordained them for himself as feasts for a memorial for ever, and thus are they ordained.
    29. And they placed them on the heavenly tablets, each had thirteen weeks; from one to another (passed) their memorial, from the first to the second, and from the second to the third, and from the third to the fourth.
    30. And all the days of the commandment will be two and fifty weeks of days, and (these will make) the entire year complete. Thus it is engraven and ordained on the heavenly tablets.
    31. And there is no neglecting (this commandment) for a single year or from year to year.
    32. And command thou the children of Israel that they observe the years according to this reckoning- three hundred and sixty-four days, and (these) will constitute a complete year, and they will not disturb its time from its days and from its feasts; for everything will fall out in them according to their testimony, and they will not leave out any day nor disturb any feasts.
    33. But if they do neglect and do not observe them according to His commandment, then they will disturb all their seasons and the years will be dislodged from this (order), [and they will disturb the seasons and the years will be dislodged] and they will neglect their ordinances.
    34. And all the children of Israel will forget and will not find the path of the years, and will forget the new moons, and seasons, and sabbaths and they will go wrong as to all the order of the years.
    35. For I know and from henceforth will I declare it unto thee, and it is not of my own devising; for the book (lies) written before me, and on the heavenly tablets the division of days is ordained, lest they forget the feasts of the covenant and walk according to the feasts of the Gentiles after their error and after their ignorance.
    36. For there will be those who will assuredly make observations of the moon -how (it) disturbs the seasons and comes in from year to year ten days too soon.
    37. For this reason the years will come upon them when they will disturb (the order), and make an abominable (day) the day of testimony, and an unclean day a feast day, and they will confound all the days, the holy with the unclean, and the unclean day with the holy; for they will go wrong as to the months and sabbaths and feasts and jubilees.
    38. For this reason I command and testify to thee that thou mayst testify to them; for after thy death thy children will disturb (them), so that they will not make the year three hundred and sixty-four days only, and for this reason they will go wrong as to the new moons and seasons and sabbaths and festivals, and they will eat all kinds of blood with all kinds of flesh.

     

    Jubilees Chapter 49:
    1

    זכור את המצוה אשר נתן ה' לך על דבר הפסח לשמור אותו במועדו בארבעה עשר לחודש הראשון:

    Remember the commandment which the Lord commanded thee concerning the passover, that thou shouldst celebrate it in its season on the fourteenth of the first month,

    Gedenk het gebod dat de Heer u geboden heeft met betrekking tot het Pascha, dat u het zult vieren in zijn seizoen op de veertiende van de eerste maand,

     
    2

    כי תשחט אותו בין הערבים ויאכלו אותו בלילה ערב החמשה עשר מעת בא השמש:

    that thou shouldst kill it before it is evening, and that they should eat it by night on the evening of the fifteenth from the time of the setting of the sun.

    dat u hem moet doden voordat het avond is, en dat zij het 's nachts op de avond van de vijftiende vanaf de tijd van het ondergaan van de zon moeten eten.

     
    3

    כי היום הזה הוא החג הראשון ויום ראשון לחג הפסח:

    For on this night--the beginning of the festival and the beginning of the joy

     
    4

    ותאכלו את הפסח במצרים כאשר שולחו כל אילי משטמה להכות כל בכור מצרים מבכור פרעה עד בכור שפחת השבי אחר הרחים ועד הבהמה:

    --ye were eating the passover in Egypt, when all the powers of Mastêmâ (Satan) had been let loose to slay all the first-born in the land of Egypt, from the firstborn of Pharaoh to the first-born of the captive maidservant in the mill, and to the cattle.

     
    5

    וזה האות אשר נתן להם ה' אל כל בית אשר זורק דם השה על משקופו אל בית כזה לא יבואו להכות את הסגורים בו והיה כל אשר בבית נמלטו בהיות אות הדם על הדלת:

    And this is the sign which the Lord gave them: Into every house on the lintels of which they saw the blood of a lamb of the first year, into (that) house they should not enter to slay, but should pass by (it), that all those should be saved that were in the house because the sign of the blood was on its lintels.

     
    6

    ומלאכי האלהים עשו את כל אשר צוה אותם ופסחו על כל בני ישראל:

    And the powers of the Lord did everything according as the Lord commanded them, and they passed by all the children of Israel,

     
    7

    ולא היה בהם נגף להשחית מהם נפש כל חי אם בהמה או איש או אך כלב אחד:

    and the plague came not upon them to destroy from amongst them any soul either of cattle, or man, or dog.

     
    8

    ובמצרים היתה המגפה גדולה מאוד ואין בית אשר אין שם מת ובכיה וצעקה:

    And the plague was very grievous in Egypt, and there was no house in Egypt where there was not one dead, and weeping and lamentation.

     
    9

    וכל ישראל אכלו במנוחה את בשר הפסח וישתו יין ויהללו ויודו ויברכו לה אלהי אבותיהם ויהיו נכונים לצאת מתחת עול הסבלות וממצרים הרעה:

    And all Israel was eating the flesh of the paschal lamb, and drinking the wine, and was lauding and blessing, and giving thanks to the Lord God of their fathers, and was ready to go forth from under the yoke of Egypt; and from the evil bondage.

     
    10

    ואתה זכור את היום הזה כל ימי חייך אחת בשנה ביומו ככל חוקתו ואל תחליף את היום באחר ואל תמיר את החודש באחר:

    And remember thou this day all the days of thy life, and observe it from year to year all the days of thy life, once a year, on its day, according to all the law thereof, and do not adjourn (it) from day to day, or from month to month.

     
    11 (8)

    כי חוקת עולם היא וחרותה היא על לוחות השמים לבני ישראל לשמור בכל שנה ושנה את מועדה אחת לכל דורותיהם ואין גבול לזמן כי אם לעולמים נועד:

    For it is an eternal ordinance, and engraven on the heavenly tables regarding all the children of Israel that they should observe it every year on its day once a year, throughout all their generations; and there is no limit of days, for this is ordained for ever.

     
    12

    והאיש אשר הוא טהור ולא בא לעשות אותו במועדו להקריב קורבן לרצון לפני ה' ביום מועדו ולאכול ולשתות לפני ה' ביום מועדו:

    And the man who is free from uncleanness, and doth not come to observe it on occasion of its day, so as to bring an acceptable offering before the Lord, and to eat and to drink before the Lord on the day of its festival,

     
    13

    ונכרת האיש ההוא אם הוא טהור וקרוב כי קורבן ה' לא הקריב במועדו וחטאו ישא האיש ההוא:

    that man who is clean and close at hand will be cut off; because he offered not the oblation of the Lord in its appointed season, he will take the guilt upon himself.

     
    14 (10)

    בני ישראל לדורותיהם ישמרו את הפסח במועדו בארבעה עשר לחודש הראשון בין הערבים בחלק השלישי ביום עד החלק השלישי בלילה:

    Let the children of Israel come and observe the passover on the day of its fixed time, on the fourteenth day of the first month, between the evenings, from the third part of the day to the third part of the night,

    De kinderen van Israël zullen door de generaties heen het Pascha-seizoen houden op de veertiende van de eerste maand tussen de avonden in het derde deel van de dag tot het derde deel van de nacht:

    Laat de kinderen van Israël komen en het Pascha vieren op de dag van haar vaste tijd, op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de avonden, van het derde deel van de dag tot het derde deel van de nacht,

     
    15 (10)

    כי שני חלקי היום נתונים לאור והחלק השלישי לערב:

    for two portions of the day are given to the light, and a third part to the evening.

     
    16

    זה הדבר אשר צוה ה' כי תעשה אותו בין הערבים:

    That is that which the Lord commanded thee that thou shouldst observe it between the evenings.

     
    17

    ולא יעשה בבוקר בכל עת האור כי אם לפנות ערב:

    And it is not permissible to slay it during any period of the light, but during the period bordering on the evening,

     
    18

    ואכלו אותו בעת הערב עד החלק השלישי בלילה והנותר מכל בשרו אחר החלק השלישי בלילה באש ישרפו גם שרוף אותו:

    and let them eat it at the time of the evening until the third part of the night, and whatever is leftover of all its flesh from the third part of the night and onwards, let them burn it with fire.

     
    19

    ולא יבשלו אותו במים ואל יאכלוהו חי כי אם צלוי היטב באש וקלוי באש:

    And they shall not cook it with water, nor shall they eat it raw, but roast on the fire: they shall eat it with diligence,

     
    20

    ראשו על קרבו ועל כרעיו יצלו באש ועצם לא ישברו בו:

    its head with the inwards thereof and its feet they shall roast with fire, and not break any bone thereof; for of the children of Israel no bone shall be crushed.

     
    21

    לכן צוה ה' את בני ישראל לעשות את הפסח במועדו ולבלתי שבור עצם בו כי חג הוא ויום מועד ולא יעברו ממנו יום או חודש כי אם במועדו יעשה:

    For this reason the Lord commanded the children of Israel to observe the passover on the day of its fixed time, and they shall not break a bone thereof; for it is a festival day, and a day commanded, and there may be no passing over from day to day, and month to month, but on the day of its festival let it be observed.

     
    22

    ואתה צו את בני ישראל ויעשו את הפסח בימיו בכל שנה ושנה אחת בשנה ליום המועד להיות לזיכרון לרצון לפני ה' ולא יהיה בהם נגף בשנה ההיא להמית ולהכות אותם:

    And do thou command the children of Israel to observe the passover throughout their days, every year, once a year on the day of its fixed time, and it will come for a memorial well pleasing before the Lord, and no plague will come upon them to slay or to smite

     
    23

    והיה כאשר יחוגו את הפסח במועדו ככל אשר צוה ישמרו מאכול אותו מחוץ למקדש אדוני:

    in that year in which they celebrate the passover in its season in every respect according to His command.
    And they shall not eat it outside the sanctuary of the Lord,

     
    24

    לפני כל עם עדת ישראל ישמרו אותו במועדו כל הבאים ביומו לאכול אותו במקדש אלוהיכם לפני ה' מבן עשרים שנה ומעלה:

    but before the sanctuary of the Lord, and all the people of the congregation of Israel shall celebrate it in its appointed season.
    And every man who hath come upon its day shall eat it in the sanctuary of your God before the Lord from twenty years old and upward;

     
    25

    כי כן כתוב ונועד לאכול אותו בבית מקדש ה':

    for thus is it written and ordained that they should eat it in the sanctuary of the Lord.

     
    26

    והיה כי יבואו בני ישראל אל ארץ נחלתם ארץ כנען ויטו את אהל ה' בקרב הארץ בתוך אחד שבטיו עד בנות מקדש ה' בארץ:

    And when the children of Israel come into the land which they are to possess, into the land of Canaan, and set up the tabernacle of the Lord in the midst of the land in one of their tribes until the sanctuary of the Lord hath been built in the land,

     
    27

    ובאו ועשו את חג הפסח בתוך אוהל ה' ושחטו אותו לפני ה' מימים ימימה:

    let them come and celebrate the passover in the midst of the tabernacle of the Lord, and let them slay it before the Lord from year to year.

     
    28

    ובימי היות בית בנוי לשם ה' בארץ נחלתם ילכו שמה ושחטו את הפסח בערב בבוא השמש בחלק השלישי ליום:

    And in the days when the house hath been built in the name of the Lord in the land of their inheritance, they shall go there and slay the passover in the evening, at sunset, at the third part of the day.

     
    29

    ונתנו את הדם על משקוף המזבח ואת החלב ישימו על האש אשר על המזבח ואת בשרו קלוי באש יאכלו בחצר המקדש לשם ה':

    And they will offer its blood on the threshold of the altar, and shall place its fat on the fire which is upon the altar, and they shall eat its flesh roasted with fire in the court of the house which hath been sanctified in the name of the Lord.

     
    30

    ולא יעשו את הפסח בעריהם ובכל מקום בלתי לפני אהל ה' או לפני ביתו אשר שמו ישכון בקרבו ולא יחטאו לה:

    And they may not celebrate the passover in their cities, nor in any place save before the tabernacle of the Lord, or before His house where His name hath dwelt; and they will not go astray from the Lord.

     
    31

    ואתה משה צו את בני ישראל ושמרו את חוקת הפסח כאשר צווית ושמרתם אותו מדי שנה בשנה ביומו:

    And do thou, Moses, command the children of Israel to observe the ordinances of the passover, as it was commanded unto thee; declare thou unto them every year and the day of its days,

     
    32

    ואת חג המצות ישמרו לאכול מצות שבעת ימים למען ישמרו מועדו להקריב לו קורבן מדי יום ביומו בשבעת ימי פסח ההם לפני ה' על מזבח אלהיכם:

    and the festival of unleavened bread, that they should eat unleavened bread seven days, (and) that they should observe its festival, and that they bring an oblation every day during those seven days of joy before the Lord on the altar of your God.

     
    33

    כי החג הזה חגותם בחפזון בצאתכם ממצרים עד עברכם את הים אל מדבר שור כי על שפת הים חגותם אותו עד תומו:

    For ye celebrated this festival with haste when ye went forth from Egypt till ye entered into the wilderness of Shur; for on the shore of the sea ye completed it.

     
     
    Jubilees Chapter 50:
    1

    ועל פי הדברים האלה על פי החוק הזה הודעתיך את ימי השבת במדבר סיני אשר בין אילם ובין סיני:

    And after this law I made known to thee the days of the Sabbaths in the desert of Sin[ai], which is between Elim and Sinai.

     
    2

    וגם את שבתות הארץ הגדתי לך על הר סיני ושנות היובל עם שנות השבת:

    And I told thee of the Sabbaths of the land on Mount Sinai, and I told thee of the jubilee years in the sabbaths of years:

     
    3

    אכן את השנה מהם לא הגדתי לך עד בואך אל הארץ לרשתכם אותה:

    but the year thereof have I not told thee till ye enter the land which ye are to possess.

     
    4

    ושבתה גם הארץ את שבתותיה בשבתם בקרבה וידעו את שנת היובל:

    And the land also will keep its sabbaths while they dwell upon it, and they will know the jubilee year.

     
    5

    על כן הודעתי לך את השבועים ואת היובלים ארבעים ותשעה יובלים הם מימי האדם עד היום הזה ושבוע אחד ושנתיים:

    Wherefore I have ordained for thee the year-weeks and the years and the jubilees: there are forty-nine jubilees from the days of Adam until this day, and one week and two years

     
    6

    ועוד ארבעים שנה לפניך לדעת את מצות ה' עד עברם שמה לעת המעבר אל ארץ כנען בעברם את הירדן לפאת מערבה:

    and there are yet forty years to come (lit. "distant for learning the commandments of the Lord, until they pass over into the land of Canaan, crossing the Jordan to the west.

     
    7

    והיובלים יסופו עד אשר יטהר ישראל מכל זנונים ואשם וטומאה ודופי וחטא ופשע וישב לבטח בכל הארץ ולא יעמוד לנגדו שטן וכל רע והארץ תטהר מעתה ועד עולם:

    And the jubilees will pass by, until Israel is cleansed from all guilt of fornication, and uncleanness, and pollution, and sin, and error, and dwelleth with confidence in all the land, and there will be no more a Satan or any evil one, and the land will be clean from that time for evermore.

     
    8

    והנה גם את מצות השבתות כתבתי לך וכל משפטי חוקיה ששת ימים תעשה המלאכות וביום השביעי שבת לה אלוהיכם:

    And behold the commandment regarding the Sabbaths--I have written (them) down for thee and all the judgments of its laws.
    Six days wilt thou labour, but on the seventh day is the Sabbath of the Lord your God.

     
    9

    לא תעשו בו כל מלאכה אתם ובניכם ועבדיכם ואמהותיכם וכל בהמתכם והגר אשר אתך והאיש העושה כל מלאכה יומת:

    In it ye shall do no manner of work, ye and your sons, and your men-servants and your maid-servants, and all your cattle and the sojourner also who is with you.
    And the man that doeth any work on it shall die:

     
    10

    איש איש אשר יחלל את היום הזה אשר ישכב עם אשתו ואשר אמור יאמר לצאת בו לדרכו או מכל מקנה וממכר ואשר ישאב מים ולא הכינם לו מיום השישי והנושא משא הלאה מאוהלו או מביתו מות יומת:

    whoever desecrateth that day, whoever lieth with (his) wife or whoever saith he will do something on it, that he will set out on a journey thereon in regard to any buying or selling: and whoever draweth water thereon which he had not prepared for himself on the sixth day, and whoever taketh up any burden to carry it out of his tent or out of his house shall die.

     
    11

    לא תעשו כל מלאכה ביום השבת אם לא הכינותם לכם ביום הששי לאכול ולשתות ולנוח ולשבות מכל מלאכה ביום הזה ולברך את ה' אלוהיכם אשר נתן אותו לכם למועד:

    Ye shall do no work whatever on the Sabbath day save that ye have prepared for yourselves on the sixth day, so as to eat, and drink, and rest, and keep Sabbath from all work on that day, and to bless the Lord your God, who has given you a day of festival,

     
    12

    ויום קדוש ויום מלכות קדושה לכל ישראל יהיה היום הזה בחייכם כל הימים:

    and a holy day: and a day of the holy kingdom for all Israel is this day among their days for ever.

     
    13

    כי גדול הכבוד אשר נתן ה' לישראל כי יאכלו וישתו וישבעו במועד הזה וינוחו מכל מלאכה אשר ישעה בה האדם לבד מהקטיר קטורת והקרב מנחה ועולה לפני ה' בימי השבת:

    For great is the honour which the Lord hath given to Israel that they should eat and drink and be satisfied on this festival day, and rest thereon from all labour which belongeth to the labour of the children of men, save burning frankincense and bringing oblations and sacrifices before the Lord for days and for Sabbaths.

     
    14

    המלאכה הזאת לבדה תעשה בימי השבת בימי בית מקדש ה' אלוהיכם לכפר על ישראל תמיד ויום יום בקרבן לזכרון ניחוח לרצון לפני ה' בכל ימי השנה כאשר צווית:

    This work alone shall be done on the Sabbath-days in the sanctuary of the Lord your God; that they may atone for Israel with sacrifice continually from day to day for a memorial well-pleasing before the Lord, and that He may receive them always from day to day according as thou hast been commanded.

     
    15

    וכל איש אשר יעשה מלאכה וילך בדרך ויכלכל את בהמתו בבית או במקום אחר ואשר יבעיר אש או ירכב על כל בהמה או ילך באניה על הים:

    And every man who doeth any work thereon, or goeth a journey, or tilleth (his) farm, whether in his house or any other place, and whoever lighteth a fire, or rideth on any beast, or travelleth by ship on the sea,

     
    16

    ואיש אשר יכה או ימית ואשר ישחט חיה או עוף ואשר יצוד חיה ועוף ודגים ואשר יענה את נפשו ואשר יעשה מלחמה ביום השבת:

    and whoever striketh or killeth anything, or slaughtereth a beast or a bird, or whoever catcheth an animal or a bird or a fish, or whoever fasteth or maketh war on the Sabbaths:

     
    17

    כל העושה מאלה ביום השבת מות יומת למען ישמרו בני ישראל את השבת על פי המצוות על שבתות הארץ:

    The man who doeth any of these things on the Sabbath shall die, so that the children of Israel shall observe the Sabbaths according to the commandments regarding the Sabbaths of the land,

     
    18

    כאשר העתיק מעל לוחות השמים אשר נתן לי בידי לבעבור אכתוב לך את חוקי העת ואת העת על פי חלוקת ימיה:

    as it is written in the tables, which He gave into my hands that I should write out for thee the laws of the seasons, and the seasons according to the division of their days. Herewith is completed the account of the division of the days.

     

    Source: https://www.sefaria.org/texts

    https://www.sefaria.org/Book_of_Jubilees?lang=bi

    http://www.pseudepigrapha.com/jubilees/index.htm

    http://biblefacts.org/pdf/book%20of%20jasher.pdf

     

    Psalmen 23

    De HEERE is mijn Herder
    Een psalm van David. De HEEREN (YHVH) is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
    Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
    Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
    Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
    Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
    Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN (YHVH) blijven in lengte van dagen.


    Jesaja 12

    Danklied der verlosten
    En te dienzelfden dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE (YHVH)! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.
    Zie, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de HEERE (YHVH) HEERE (YHVH) is mijn Sterkte en Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.
    En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils;
    En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE (YHVH), roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
    Psalmzingt den HEERE (YHVH), want Hij heeft heerlijke dingen gedaan; zulks zij bekend op den gansen aardbodem.
    Juich en zing vrolijk, gij inwoners van Sion! want de Heilige Israëls is groot in het midden van u.


    Handelingen 13

    Bárnabas en Paulus tot de heidenen gezonden
    En er waren te Antiochíë, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Bárnabas, en Símeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyréne, en Mánahen, die met Heródes den viervorst opgevoed was, en Saulus.
    En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beiden Bárnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.
    Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.
    Bárnabas en Paulus te Cyprus
    Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucíë, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.
    En gekomen zijnde te Sálamis, verkondigden zij het Woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar.
    En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekeren tovenaar, een valsen profeet, een Jood, wiens naam was Bar-Jezus;
    Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Bárnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen.
    Maar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keren.
    Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide:
    10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heeren?
    11 En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.
    12 Als de stadhouder zag, hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.
    Paulus te Antiochíë
    13 En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weder naar Jeruzalem.
    14 En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochíë, een stad in Pisídië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.
    15 En na het lezen der wet en der profeten, zonden de oversten der synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.
    16 En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zeide: Gij Israëlietische mannen, en gij, die God vreest, hoort toe.
    17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hogen arm daaruit geleid.
    18 En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden verdragen in de woestijn.
    19 En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft Hij hun door het lot het land derzelve uitgedeeld.
    20 En daarna omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun rechters, tot op Samuël, den profeet.
    21 En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig jaren.
    22 En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David, den zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.
    23 Van het zaad dezes heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus;
    24 Als Johannes eerst al den volke Israëls voor Zijn aankomst, gepredikt had den doop der bekering.
    25 Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wien meent gijlieden, dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij, Wien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden.
    26 Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.
    27 Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elken sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;
    28 En geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden.
    29 En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf.
    30 Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;
    31 Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galiléa tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.
    32 En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft.
    33 Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
    34 En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;
    35 Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: Gij zult Uw Heilige niet overgeven, om verderving te zien.
    36 Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;
    37 Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.
    38 Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;
    39 En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.
    40 Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome, hetgeen gezegd is in de profeten:
    41 Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt.
    42 En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.
    43 En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Bárnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods.
    44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad samen, om het Woord Gods te horen.
    45 Doch de Joden, de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken, hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.
    46 Maar Paulus en Bárnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
    47 Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggendeIk heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.
    Paulus en Bárnabas naar Ikónium
    48 Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.
    49 En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid.
    50 Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Bárnabas, en wierpen ze uit hun landpalen.
    51 Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ikónium.
    52 En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.
     

    Dag van GOD


    GOD schiep de Aarde in 6 dagen en de 7de dag -de Sabbat- rustte GOD van Zijn Scheppingswerk; veel later kreeg het Joodse Volk de 10-Geboden, waarin het 4de Gebod eveneens luidt: 'hou de Sabbat'.
    De Sabbat betekent '7de' en wel met betrekking tot een dag van de week; in dit geval dus de 7de dag van de week; een speciale dag die wij in navolging van GOD dienen te houden als rustdag en dankdag voor de Schepping

    De bijbelse dag begint bij zonsondergang [avond] en eindigt ook weer met zonsondergang; de 7de dag begint dus vrijdagavond zonsondergang en eindigt zaterdagavond zonsondergang.

    Alleen deze bijbelse-, 7de dag draagt Gods speciale Zegen. Iedereen die deze dag als rustdag houdt en (daarmee) GOD dankt voor de gehele Schepping kan en zal deze Zegen kunnen ontvangen.

    De Sabbatten en andere bijbelse feestdagen zijn voor eeuwig en elke generatie.

    Toelichting:

    Bijbelse dag: avond gevolgd door een morgen
    GOD schiep alles in 6 dagen
    GOD schiep door, voor en met Jezus
    Jezus is de wijsheid van GOD
    De 7de dag hield GOD als rustdag
    De 7de dag kreeg Gods Speciale Zegen
    De 7de dag: 4de Gebod van de 10-Geboden
    De Geboden zijn nog steeds geldig 
    De Sabbat is voor eeuwig voor iedereen 

    • Genesis 1:31 'En God zag dat alwat hij gemaakt had zeer goed was. Zo was het avond geweest en morgen geweest: de zesde dag'.
    • Efeziërs 3:9 'Ik mag in het licht stellen hoe het geheime plan verwerkelijkt moet worden, dat God, de Schepper van het heelal, door alle eeuwen heen verborgen heeft gehouden'.
    • Spreuken 8:22-31 [over 'de Wijsheid van GOD'] 'De Heer heeft mij als eerste geschapen, lang geleden, voor al het andere. Ik ben gemaakt in het begin van de tijd, ik was er al voor de aarde bestond.
    • Toen er nog geen oceanen waren, geen bronnen met een overvloed aan water, toen was ik al geboren. Voor de bergen een plaats hadden gevonden, voor er heuvels waren, was ik er al; voordat de Heer de wijde wereld had gemaakt, voordat hij een zandkorreltje had geschapen. Ik was erbij, toen hij de hemel zijn plaats gaf, om de oceaan een horizon trok. Toen hij de wolken aan de hemel zette en de bronnen van de oceaan liet stromen, toen hij het water de wet stelde, de zeeën hun grenzen gaf, toen hij de fundamenten voor de aarde legde, was ik aan zijn zijde, ik was zijn vertrouweling.
    • Ik was verrukt, elke dag opnieuw, steeds verheugd in zijn aanwezigheid, ik schiep vreugde in de aarde, ik was blij met de mensen'.
    • Col. 1:16 'Want God heeft door hem alles geschapen in de hemel en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, zoals tronen en heerschappijen, overheden en machten. Alles is door hem en voor hem geschapen'.
    • 1 Corinthiërs 1:30 'Want dankzij God bent u één met Christus Jezus, dankzij God is hij onze wijsheid geworden; hij rechtvaardigt, heiligt en bevrijdt ons'.
    • Genesis 2:1-2 'Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles wat zij bevatten. Op de zevende dag was God klaar met alles wat hij gemaakt had, op de zevende dag hield hij op met al zijn werk'.
    • Genesis 2:3 'God gaf de zevende dag zijn zegen en maakte er een bijzondere dag van. Want op die dag, toen hij zijn schepping voltooid had, hield hij op met al zijn werk'.
    • Exodus 20:8-10 'Houd de sabbat in ere. Het moet een bijzondere dag voor je zijn. Zes dagen heb je om te werken, maar de zevende dag, de sabbat, is een rustdag die aan mij, de Heer, je God, is gewijd. Verricht dan geen enkel werk. Dat geldt voor jezelf, je zoon en je dochter, je slaaf en je slavin. Het geldt ook voor je vee en voor de vreemdeling die in je stad woont'.
    • Deuteronomium 5:12-14 'Houd je aan de sabbat. Het moet een bijzondere dag voor je zijn, zoals ik, de Heer, je God, bevolen heb. Zes dagen heb je om te werken, maar de zevende dag, de sabbat, is een rustdag die aan mij, de Heer, je God, is gewijd'.
    • Mattheus 5:18 'Want voorwaar, ik zeg u, voordat hemel en aarde vergaan zijn zal niet een jota of tittel vergaan uit de Wet, neen, niet voordat het einde aller dingen daar is'.
    • Mattheus 5:19 'Wie dus één van deze geboden afschaft, al is het nog zo klein, en anderen leert hetzelfde te doen, zal de kleinste genoemd worden in het hemelse koninkrijk. Maar wie zich aan de geboden houdt en anderen leert hetzelfde te doen, die zal een grote naam hebben in het hemelse koninkrijk'.
    • Jesaja 66:21-23 'Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die ik ga maken, onder mijn bescherming staan en zullen standhouden, zo zal ook jouw geslacht standhouden, Israël, zo zal ook jouw naam blijven voortbestaan. Heel de mensheid zal naar Jeruzalem komen en zich voor mij in aanbidding neerbuigen, elk nieuwemaansfeest en elke sabbat. Dit zijn mijn eigen woorden'.
    • Leviticus 23:31-32 'Gij zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen. Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten'.

    Feestdagen van GOD

    GOD stelde Feestdagen in voor zijn kinderen; Feestdagen die voor eeuwig en voor iedereen geldend blijven. De Sabbat -vrijdagavond zonsondergang tot zaterdag zonsondergang- is natuurlijk al eeuwig verankerd als 4de Gebod van de 10-Geboden van GOD; een Feestdag ter ere en ten dank van de Schepping door GOD.

    De Feesten beginnen met- en bouwen voort op- Passover; de avond van de 14de Nisan. Een bijbelse dag begint namelijk 's avonds met zonsondergang en eindigt bij zonsondergang.

    De 14de Nisan is voor alle kinderen van GOD speciaal, want:

    • Voor de Joden begon hierna de uittocht uit het Egyptische slavenbestaan
    • Voor de Christenen begon met de kruisdood van Jezus een einde aan een slavenbestaan onder de zonde

    Voor iedereen die Jezus aanneemt, zijn de bijbelse Feestdagen dus zéér belangrijk; alle dagen bouwen namelijk voort -via kruisdood en het Avondmaal- op een nieuw- en eeuwig leven met Jezus en GOD en dus ook op wat voor hen nog komen gaat! Zo beelden Gods Feesten Gods Eeuwige Reddingsplan uit.

    Als voorbereiding en inleving op wat komen gaat, hou je daarom dus de bijbelse Feestdagen:

    • de Nieuwe Maansdagen [= geen zichtbare maan],
    • de Sabbatten en
    • de Feesten

    Naast de Sabbat -in teken van dank voor de Schepping- en de Nieuwe Maansdagen -in teken van de vernieuwing- die maandelijks terugkeren zijn er nog de volgende Feesten:

    • Passover; op de 14 op 15 Nisan [avond/nacht]
    • Feest van de ongezuurde broden; vanaf 15de Nisan tot 21 Nisan
    • Eerstelingenfeest; zondag in feestweek 15-21 Nisan
    • Pinksteren; 50 dagen na de Eerstelingenfeest; altijd zondags
    • Feest van de Bazuinen; 1e dag van Tishri [7de bijbelse maand]
    • De Grote Verzoendag; 10 de dag van Tishri
    • Het Loofhuttenfeest of Tabelnakelfeest; 15 t/m 21 Tishri
    • De Laatste Grote Dag; 22 Tishri

    De bijbelse Feestdagen bepalen Christenen erbij wat er gebeurd is én wat er nog te komen staat; het Feest der Bazuinen, de Grote Verzoendag en het Loofhuttenfeest bepalen ons opeenvolgend bij de Wederkomst van Jezus naar deze Aarde, het komend oordeel & het teruggeven van de zonde aan satan en een tijd waar we weer waarlijk met GOD zullen samenleven!

    Als voorbereiding op die tijd is het dus belangrijk dat Christen juist die Feestdagen van GOD houden en niet de huidige-, zelfverzonnen Rooms-katholieke- kerkdagen gebaseerd op 'Easter' [=babylonische godin Ishtar van de 3-ene-zonnegod uit Babylon] met bijhorende 'zon-dagen'.


    Toelichting:

    De Geboden van GOD zijn en blijven geldig
    Het 4de Gebod is 'het Sabbatsgebod'
    De bijbelse Feestdagen zijn voor eeuwig
    14 Nisan 'begin-avond' Heilig Avondmaal
    14 Nisan-dag: kruisdood van Jezus
    Bijbelse Feestdagen in detail

    • Mattheus 5:18 'Want voorwaar ik zeg u, voordat hemel en aarde vergaan zijn zal niet een jota of tittel vergaan uit de Wet, neen, niet voordat het einde aller dingen daar is'.
    • Exodus 20:8-11 'Houd de sabbat in ere. Het moet een bijzondere dag voor je zijn. Zes dagen heb je om te werken, maar de zevende dag, de sabbat, is een rustdag die aan mij, de Heer, je God, is gewijd. Verricht dan geen enkel werk. Dat geldt voor jezelf, je zoon en je dochter, je slaaf en je slavin. Het geldt ook voor je vee en voor de vreemdeling die in je stad woont.

    Want in zes dagen heb ik de hemel, de aarde en de zee gemaakt en alles wat zij bevat, maar op de zevende dag heb ik gerust. Daarom heb ik de sabbat gezegend en er een bijzondere dag van gemaakt'.

    • Jesaja 66:22-23 'Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die ik ga maken, onder mijn bescherming staan en zullen standhouden, zo zal ook jouw geslacht standhouden, Israël, zo zal ook jouw naam blijven voortbestaan. Heel de mensheid zal naar Jeruzalem komen en zich voor mij in aanbidding neerbuigen, elk nieuwemaansfeest en elke sabbat. Dit zijn mijn eigen woorden'.
    • Openbaring 14:12 'Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus'.
    • Johannes 13:1 ' Het was kort voor Pasen. Jezus wist dat voor hem het uur gekomen was om deze wereld te verlaten en naar de Vader te gaan. Hij had zijn vrienden in de wereld lief, en zijn liefde voor hen zou nu tot het uiterste gaan. Hij zat met zijn leerlingen aan tafel'.
    • Johannes 19:14-18 'Het was de dag voor Pasen, ongeveer het zesde uur. Hij zeide tot de Joden: Ziehier uw koning! Maar zij schreeuwden: Weg met hem! Kruisig hem! Pilatus zeide tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen anderen koning dan den keizer. Toen leverde hij hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij voerden Jezus mee, en, zelf zijn kruis dragend, ging hij uit naar de zoogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgotha; waar zij hem kruisigden, en met hem twee anderen, aan elken kant een, Jezus in het midden'.
    • Leviticus 23:1-2 'De feestgetijden des Heeren, die gij als heilige vierdagen zult afkondigen, zijn de navolgende; dit zijn mijn feestgetijden:'.
    • Leviticus 23:3 (SABBAT): 'Iedere week heeft zes werkdagen, maar de zevende dag is een dag van volstrekte rust; dan moeten jullie al je werk laten liggen en samenkomen ter ere van de Heer. Die dag, de sabbat, moet je vieren als een dag van de Heer, waar je ook woont'.
    • Leviticus 23:4 'Voor de overige feesten zijn de volgende dagen vastgesteld:'.
    • Leviticus 23:5 (PASSOVER): 'Op de veertiende dag van de eerste maand, in de schemering, begint het paasfeest ter ere van de Heer'.
    • Leviticus 23:6 (FEEST ONGEZUURDE BRODEN): 'Hierna volgt op de vijftiende dag van die maand het feest van de Ongegiste Broden. Dan moet je zeven dagen brood eten waarin geen gist is verwerkt'.
    • Leviticus 23:10-11 (EERSTELINGENFEEST) 'Wanneer gij in het land komt dat ik u ga geven en gij den oogst afmaait, dan moet gij een schoof uit de keur van uw oogst tot den priester brengen, die haar aan den Heer zal aanbieden, zodat u dit ten goede komt. Daags na den sabbat zal de priester haar aanbieden'.
    • Leviticus 23:15 (WEKENFEEST/SHAVUOT/PINKSTERFEEST) 'Gerekend vanaf de dag na de sabbat, de dag waarop je de eerste schoof voor de Heer naar de priester bracht, zullen jullie zeven volle weken later, op de vijftigste dagde dag na de zevende sabbat, opnieuw een meeloffer aanbieden aan de Heer'.
    • Leviticus 23:23-25 (FEEST DER BAZUINEN): 'Op de eerste dag van de zevende maand, als de trompetten klinken, zullen jullie samenkomen ter ere van de Heer. Dat moet een dag van volstrekte rust voor je zijn. Al je werk zul je laten liggen, en aan de Heer moet je een offergave aanbieden'.
    • Leviticus 23:26-32 (GROTE VERZOENDAG): 'Op de tiende dag van de zevende maand valt dan de Grote Verzoendag, de dag waarop alles weer in het reine wordt gebracht tussen jullie en de Heer. Dan zullen jullie als een heilig volk bijeenkomen en de Heer een offergave aanbieden. Die dag mag je niets eten en in het geheel geen werk doen, want het is de Grote Verzoendag, de dag waarop in het heiligdom alles weer in het reine wordt gebracht tussen jullie en de Heer, jullie God. Wie dan toch iets eet, wordt uit de gemeenschap gestoten. En wie op die dag toch werkt, zal door de Heer zelf uit het volk worden weggevaagd. Al je werk moet je laten liggen. Dit is een blijvende bepaling, alle generaties door, waar je ook woont. Het moet een dag van volstrekte rust voor je zijn, waarop jullie vasten voor de Heer. Van de avond van de negende tot de avond van de tiende dag van die maand moeten jullie deze rustdag vieren.
    • Leviticus 23:34-35 (LOOFHUTTENFEEST): 'Op de vijftiende dag van de zevende maand begint het loofhuttenfeest, ter ere van de Heer, en dat feest duurt zeven dagen. Op de eerste dag zul je ter ere van de Heer samenkomen en al je werk laten liggen'.

     

    Het Thora gedeelte voor Rosh HaShanna

    (Dit feest hebben de Joden (stam Juda) als nieuwjaar maar dat is het niet volgensde Bijbel dat is in de maand van Pascha)
    Thoragedeelte: Gen. 21:1-34, Gen. 22:1-24, Num. 29:1-6, 1 Sam.1:1-2:10

     

    Het geluid van de Shofar...

    Leviticus 23:24:"In de zevende maand, op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door bazuingeschal, een heilige samenkomst"

     

    Met de zevende nieuwemaansdag, Yom haSjofar (dag van de Bazuin), beginnen in de Bijbelse cyclus de ‘ontzagwekkende dagen’, dagen van inkeer, die tien dagen later hun hoogtepunt vinden met Yom Kippoer (Grote Verzoendag). Het blazen op de bazuin heeft in de Bijbel steeds te maken met de verhouding van de mens tot G'd. Niet voor niets werd juist deze dag ‘Rosj HaSjana’ (hoofd van het jaar, het Joods Nieuwjaar). God zelf spreekt er als het ware doorheen. Numeri 10 vertelt ons hoe er op de bazuin moest worden geblazen en waarvoor. Met betrekking tot Yom Teroe’a (dag van geklank) zoals deze dag ook wel heet, kent de Joodse traditie de volgende geluiden  :

    Een langgerekte blaastoon (Teki’a) bepaalt het volk bij het koningschap van G'd. ‘Het geluid van de bazuin werd gaandeweg zeer sterk.’ toen God verscheen op de Sinai (Exodus 19:19). Psalm 150:3 roept op: ‘Looft Hem met bazuingeschal’.

    Drie middelmatig lange klagende geluiden (Sjewariem) verklanken het roepen van het volk naar God. Mensen staan voor de Almachtige zoals ze zijn.

    Negen korte stoten (Teroe’a) hebben een alarmfunctie, die opwekken uit geestelijke sluimer. Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg! Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag van de Eeuwige komt.’  Joel 2:1.

    Dan wordt ook vrijheid afgekondigd, het jubeljaar (Leviticus 25:9-10). ‘Hij heeft mij gezonden om ... uit te roepen een jaar van het welbehagen van de Eeuwige en een dag der wrake van onze God.’  Jesaja 61:1-2

    En het zal te dien dage geschieden, dat er op een grote bazuin geblazen zal worden, en zij die verloren waren in het land Assur en die verdreven waren in het land Egypte, zullen komen en zich nederbuigen voor de Eeuwige op de heilige berg te Jerusalem.’   Jesaja 27:13. Deze bazuin klinkt nu G'd brengt de Israëlieten uit de volken terug!!!.
     

    Het Bijbel gedeelte voor Rosh HaShanna

     

    meer info in het Nederlands zie:

     

    http://www.chabad.nl/feestdagen/index.htm

    http://www.hoor-israel.org/Feestdagen/feest-index.htm

     

    Lev 19,3 
    Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben de HEERE, uw God!

    Lev 19,30 
    Gij zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!

    Lev 23,15 
    Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;

    Lev 23,38 
    Behalve de sabbatten des HEEREN, en behalve uw gaven, en behalve al uw geloften, en behalve al uw vrijwillige offeren, welke gij den HEERE geven zult.

    Lev 26,2 
    Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!

    Lev 26,34 
    Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.

    Lev 26,35 
    Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.

    Lev 26,43 
    Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.

    1 Kron 9,32 
    En uit de kinderen der Kahathieten, uit hun broederen, waren enigen over de broden der toerichting, om die alle sabbatten te bereiden.

    1 Kronieken 23
    31 En tot al het offeren der brandofferen des HEEREN, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, geduriglijk, voor het aangezicht des HEEREN;

    2 Kronieken 8
    13 Zelfs naar den eis van elken dag, offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden, drie malen in het jaar; op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten.

    2 Kron 31,3
    Ook het deel des konings van zijn have tot de brandofferen, tot de brandofferen des morgens en des avonds, en de brandofferen der sabbatten, en der nieuwe maanden, en der gezette hoogtijden; gelijk geschreven is in de wet des HEEREN.

    2 Kron 36,21 
    Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremía, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.

    Neh 10,33 
    Tot het brood der toerichting, en het gedurig spijsoffer, en tot het gedurig brandoffer, der sabbatten, der nieuwe maanden, tot de gezette hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondofferen, om verzoening te doen over Israël; en tot alle werk van het huis onzes Gods.

    Jes 1,13 
    Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.

    Jes 56,4
    Want alzo zegt de HEERE van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;

    Ez 20,12 
    Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben, Die hen heilige.

    Ez 20,13 
    Maar het huis Israëls werd wederspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn rechten; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zeide, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen.

    Ez 20,16

    Daarom dat zij Mijn rechten verwierpen, en in Mijn inzettingen niet wandelden, en Mijn sabbatten ontheiligden; want hun hart wandelde hun drekgoden na.

    Ez 20,20
    En heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen tot een teken zijn tussen Mij en tussen ulieden, opdat gij weet, dat Ik, de HEERE, uw God ben.

    Ez 20,21
    Maar die kinderen waren ook wederspannig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en Mijn rechten namen zij niet waar, om die te doen; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten, dat Ik zeide, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen, volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn.

    Ez 20,24
    Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn inzettingen verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en hun ogen achter de drekgoden hunner vaderen waren.

    Ez 22,8
    Mijn heilige dingen hebt gij veracht, en Mijn sabbatten hebt gij ontheiligd.

    Ez 22,26
    Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen ontheiligd.

    Ez 23,38
    Nog hebben zij Mij dit gedaan; zij hebben Mijn heiligdom ten zelven dage verontreinigd, en Mijn sabbatten ontheiligd.

    Ez 44,24
    En over een twistzaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn gezette hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen.

    Ez 45,17
    En het zal den vorst opleggen te offeren de brandofferen, en het spijsoffer, en het drankoffer, op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbatten, op alle gezette hoogtijden van het huis Israëls; hij zal het zondoffer, en het spijsoffer, en het brandoffer, en de dankofferen doen, om verzoening te doen voor het huis Israëls.

    Ez 46,3
    Ook zal het volk des lands aanbidden voor de deur derzelve poort, op de sabbatten en op de nieuwe manen, voor het aangezicht des HEEREN.

    Hos 2,10
    En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden.

    Luk 6,2
    En sommigen der farizeeën zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?

    Luk 6,9
    Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?

    Hand 17,2
    En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,

    Kol 2,16
    Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;


    2 Kon 16,18 
    Daartoe het deksel des sabbats, dat zij in het huis gebouwd hadden, en den buitensten ingang des konings nam hij weg van het huis des HEEREN, vanwege den koning van Assyrië.

    Luk 4,16 
    En Hij kwam te Názareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.

    Luk 13,16 
    En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats?

    Luk 14,5 
    En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?

    Hand 13,14 
    En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochíë, een stad in Pisídië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.

    Hand 16,13 
    En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren.

    Ex 16,23 Hij dan zeide tot hen: Dit is het, dat de HEERE gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat des HEEREN! wat gij bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat gij zieden zoudt; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot den morgen.

    Ex 16,25 Toen zeide Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des HEEREN; gij zult het heden op het veld niet vinden.

    Ex 16,26 Zes dagen zult gij het verzamelen; doch op den zevenden dag is het sabbat, op denzelven zal het niet zijn.

    Ex 16,29 Ziet, omdat de HEERE ulieden den sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan den zesden dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op den zevenden dag!

    Ex 20,10 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;

    Ex 31,13 
    Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.

    Ex 31,14
     Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.

    Ex 31,15 Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.

    Ex 31,16 Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.

    Ex 35,2 Zes dagen zal men het werk doen; maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust den HEERE; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.

    Lev 16,31 Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting.

    Lev 23,3 
    Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is des HEEREN sabbat, in al uw woningen.

    Lev 23,11 En hij zal die garf voor het aangezicht des HEEREN bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal de priester die bewegen.

    Lev 23,15 Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;

    Lev 23,16 Tot den anderen dag, na den zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een nieuw spijsoffer den HEERE offeren.

    Lev 23,32 Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten.

    Lev 25,2 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE.

    Lev 25,4 Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.

    Lev 25,6 En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;

    Num 28,10 Het is het brandoffer des sabbats op elken sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffer.

    Deut 5,14 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN, uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienstknecht, en uw dienstmaagd ruste, gelijk als gij.

    2 Kon 4,23 En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zeide: Het zal wèl zijn.

    2 Kon 11,5 En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis des konings;

    2 Kon 11,7 En de twee delen van ulieden, allen, die op den sabbat uitgaan, zullen de wacht van het huis des HEEREN waarnemen bij den koning.

    2 Kon 11,9 De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jójada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op den sabbat ingingen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; en zij kwamen tot den priester Jójada.

    2 Kron 23,4 Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, van de priesteren en van de Levieten, zullen tot poortiers der dorpelen zijn;

    2 Kron 23,8 En de Levieten en gans Juda deden naar alles, wat de priester Jójada geboden had; en zij namen een ieder zijn mannen, die op den sabbat inkwamen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; want de priester Jójada had aan de verdelingen geen verlof gegeven.

    Neh 9,14 En Gij hebt Uw heiligen sabbat bekend gemaakt; en Gij hebt hun geboden, en inzettingen en een wet bevolen, door de hand van Uw knecht Mozes.

    Neh 10,31 Ook als de volken des lands waren en alle koren op den sabbatdag ten verkoop brengen, dat wij op den sabbat, of op een anderen heiligen dag van hen niet zouden nemen; en dat wij het zevende jaar zouden vrij laten, mitsgaders allerhande bezwaarnis.

    Neh 13,15 In dezelfde dagen zag ik in Juda, die persen traden op den sabbat, en die garven inbrachten, die zij op ezels laadden; als ook wijn, druiven en vijgen, en allen last, dien zij te Jeruzalem inbrachten op den sabbatdag; en ik betuigde tegen hen ten dage, als zij eetwaren verkochten.

    Neh 13,16 Daar waren ook Tyriërs binnen, die vis aanbrachten, en alle koopwaren, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem.

    Neh 13,18 Deden niet uw vaders alzo, en onze God bracht al dit kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden maakt de hittige gramschap nog meer over Israël, ontheiligende den sabbat.

    Neh 13,19 Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor den sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag.

    Neh 13,21 Zo betuigde ik tegen hen, en zeide tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet op den sabbat.

    Jes 56,2 Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.

    Jes 56,6 En de vreemden, die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden;

    Jes 58,13 Indien gij uw voet van den sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heiligen dag; en indien gij den sabbat noemt een verlustiging, opdat de HEERE geheiligd worde, die te eren is; en indien gij dien eert, dat gij uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt;

    Jes 66,23 En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van den enen sabbat tot den anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.

    Klaagl 2,6 Vau. En Hij heeft Zijn hut met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven; de HEERE heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat, en Hij heeft in de gramschap Zijns toorns den koning en den priester smadelijk verworpen.

    Am 8,5 Zeggende: Wanneer zal de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkopen? en de sabbat, dat wij koren mogen openen? verkleinende de efa, en den sikkel vergrotende, en verkeerdelijk handelende met bedriegelijke weegschalen;

    Mat 12,2 En de farizeeën, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.

    Mat 12,5 Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?

    Mat 12,8 Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.

    Mat 24,20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.

    Mat 28,1 En laat na den sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdaléna, en de andere Maria, om het graf te bezien.

    Mar 2,27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mens, niet de mens om den sabbat.

    Mar 2,28 Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van den sabbat.

    Mar 3,2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.

    Mar 6,2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?

    Mar 16,1 En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salóme specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden.

    Luk 6,1 En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.

    Luk 6,5 En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.

    Luk 6,6 En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.

    Luk 6,7 En de schriftgeleerden en de farizeeën namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.

    Luk 13,10 En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen.

    Luk 13,14 En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.

    Luk 13,15 De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken?

    Luk 14,1 En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van een der oversten der farizeeën, op den sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.

    Luk 14,3 En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en farizeeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken?

    Luk 23,54 En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.

    Luk 23,56 En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.

    Joh 5,9 En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.

    Joh 5,10 De Joden zeiden dan tot dengene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen.

    Joh 5,16 En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op den sabbat deed.

    Joh 5,18 Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven Gode evengelijk makende.

    Joh 7,22 Daarom heeft Mozes ulieden de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mens op den sabbat.

    Joh 7,23 Indien een mens de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde; zijt gij toornig op Mij, dat Ik een gehelen mens gezond gemaakt heb op den sabbat?

    Joh 9,14 En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.

    Joh 9,16 Sommigen dan uit de farizeeën zeiden: Deze Mens is van God niet, want Hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen.

    Joh 19,31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die dag des sabbats was groot), baden Pilatus, dat hun benen zouden gebroken, en zij weggenomen worden.

    Hand 13,42 En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.

    Hand 13,44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad samen, om het Woord Gods te horen.

    Hand 15,21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.

    Hand 18,4 En hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.


    Shabbat
    4.1 Shabbat: Introduction

    Why keep Shabbat?

    Shabbat is for Jews a constant reminder that we are the people whom the Creator of heaven and earth redeemed from slavery in Egypt. If we cannot make room for Shabbat in our busy schedules, we prove that the fact of our slavery has not changed, only its location.

    Ahad Ha'am reminds us: "It was not the Jews that kept the Sabbath, it was the Sabbath that kept the Jews." It was keeping Shabbat that helped us hold fast to Jewish life and identity amidst the threatening political and cultural cross-currents of two millennia in exile. And as we raise our children in a world friendlier to Jews but no less threatening to Jewish life, keeping Shabbat becomes even more critical. Without Shabbat, our children may not forget that they are Jews, but are sure to forget the meaning of being a Jew.

    In Growing Up Religious, Robert Wuthnow explores how spiritual identity is preserved and passed on from generation to generation. Speaking of religious practices such as keeping Shabbat he says, "the pursuit of any particular practice (such as Shabbat keeping) is accomplished only at the sacrifice of other possible activities. Growing up religious was a memorable part of people's childhood because it included...discrete, separable activities that took time away from other interests, but they were also embedded in social relationships. People did them with their mothers and fathers, their grandparents, their siblings, and their friends and fellow congregants... But spirituality also came to be understood as a way of life, and it did so because people grew up living it. The parents, teachers, and clergy who understood this best were the ones who created an environment in which spirituality was fully and deeply embedded. They honored the spirituality of chicken dinners, of gefilte fish, of family Bibles [and of Shabbat tables, candles, meals, and the protected differentness of the day]" (xxxv-xxxvii).

    The Torah reminds us that we are to be "a people that dwells apart, that shall not be numbered with the nations" (Numbers 23:9). Keeping Shabbat is indispensable if that Jewish distinctness and collective identity is to become real, something one can see, hear, taste and remember as lived experience. While the rest of the world treats Saturday as a day off, a day to shop, or even a day to catch up on work, Jews are to treat Saturday as the holiest of days when we are privileged to host the Holy One at our table and sing his praises in our gathered families. It is a day where all our creativity is devoted to Sabbath joys, and to receiving and celebrating the life we did not make, but have been given by the Holy One. Perhaps you will ask, "What good will keeping Shabbat do for me?" That is, of course, the wrong question. The question is, "What will not keeping Shabbat do to you?" Thousands of years of Jewish history supply the answer: "Nothing good."

    Come, keep - and be kept by - the holy Shabbat.

    4.1.1 Starting/Ending Time.

    4.1.1.1 Shabbat begins and ends according to the times determined and accepted by the wider Orthodox and Conservative Jewish world. This means that we are accepting the Rabbinic fence around the law, with an earlier time for starting and a later time for ending.

    According to the Jewish reckoning of time, days begin at night. But when does "night" begin? Jewish tradition recognizes a transitional period between "day" and "night" that is technically neither day nor night. This is the period that commences with the setting of the sun, and concludes with the appearance of the stars (when the evening sky is clear). In Hebrew this period is called beyn hashmashot - the time "between the suns."

    Though the status of this transitional part of the day is inherently ambiguous, for halakhic purposes it needs to be regarded as either part of the day that preceded or the night that follows (e.g., the yahrzeit of someone who dies during this period of the day needs to be determined). In setting the beginning and ending times of the Sabbath, Jewish law has traditionally followed a sound halakhic principle: when there is doubt concerning the application of a law that has biblical authority (that is d'oraita), we should follow the stricter of two possible interpretations. In the case of the Sabbath, this means that we should reckon the time "between the suns" as part of the Sabbath both on Friday and on Saturday. Thus, Shabbat begins with the setting of the sun on Friday, and ends with the appearance of the stars on Saturday.

    Rabbinic tradition provided further protection against violation of Shabbat by adding roughly twenty minutes to the day at the beginning and the end. This addition also derives from a talmudic principle that we should "add from the profane to the holy" (b. Rosh Hashanah 8b-9a), and so fulfills a positive as well as a negative (protective) purpose. Thus, the times listed in Jewish calendars for the beginning of Shabbat are slightly earlier than sunset, and the times listed for the ending of Shabbat are slightly later than nightfall.

    4.1.1.2 In keeping with common observance, Shabbat can be extended, but not diminished (we can light candles before Shabbat actually begins during the summer).

    4.1.1.3 One should prepare for Shabbat in order to make it special. Food, clothing, and table setting should be special (not just different but at a higher level than usual), and prepared for in advance

    "You should rejoice in the coming of Shabbat. Imagine how you would put the house in order in honor of the arrival of a dear and distinguished person, all the more so [should you exert yourself] in honor of the Sabbath Queen" (Kitzur Shulchan Aruch 72:7).

    The Sages interpreted Isaiah 58:13, "You shall honor it [Shabbat]," as meaning that one should wear finer clothing on Shabbat than on weekdays (b. Shabbat 113a).

    4.1.2 Candle Lighting.

    4.1.2.1 If it is not possible to light candles before Shabbat begins, traditional Halakhah would strictly prohibit lighting the candles at a later time. We respect this traditional halakhic decision, and the honor it shows to the objective temporal

    boundaries of Shabbat built into the natural order. At the same time, given the symbolic importance Shabbat candle lighting has assumed in modern Jewish family life, our own basic practice will not prohibit lighting Shabbat candles after Shabbat begins by transferring a fire from a candle lit before the beginning of Shabbat. In this case the original candle should not be extinguished on Shabbat, nor should the mitzvah berachah be recited.

    The custom of lighting Shabbat candles, in order to honor Shabbat and to define the beginning of the holy day within the home, is not a biblical commandment, but is presumed by rabbinic authorities in the Mishnah (m. Shabbat 2:1-7). It is a mitzvah that has been embraced enthusiastically by the Jewish people as a whole, and - like a mezuzah on one's doorpost - it expresses a family's fundamental commitment to Judaism.

    The beginning and ending of Shabbat have both objective and subjective dimensions. The objective dimension results from the earth's turning on its axis as it orbits the sun. The subjective dimension involves the deliberate acknowledgement of the day's temporal boundaries by the Jewish people. The importance of the subjective dimension is shown by the fact that one can light candles earlier than the stipulated time, and from that point on one must treat the day as holy. The interdependence of these two dimensions is seen from the traditional principle stated above: Shabbat can be extended, but not diminished (decision 3.1.2). We can take from the profane and add to the holy, but we should not take from the holy and add to the profane.

    Traditional Halakhah prohibits both kindling and transferring a flame on Shabbat. Nevertheless, the two actions are distinguished, as is evident in halakhic rulings concerning the holidays. On a holiday one may transfer but not kindle a flame (Kitzur Shulchan Aruch 98:1, 31). This suggests that the prohibition of transferring a flame may be an extended stringency protecting the special sanctity of Shabbat. At the very least, one may assume that transferring a flame on Shabbat is a less serious violation than kindling a flame.

    Decision 3.2.1 neither encourages nor sanctions transferring a flame on Shabbat. It merely states that observance of the traditional prohibition is not required as part of our basic practice.

    On the prohibition of kindling a flame on Shabbat, see decision 4.1.6.

    4.1.2.2 Between Pesach and Sukkot, it is permissible to light Shabbat candles as much as three hours in advance of the beginning of Shabbat.

    4.1.2.3 The berachah recited at the lighting of the candles will be the traditional mitzvah berachah. If one wants to use an additional Messianic berachah, one may do so.

    Normally at least two candles are lit. It is customary for the woman of the household to officiate, lighting the candles and then reciting the blessing while covering her face with her hands. She then removes her hands, and looks at the candles.

    If there are no women in the household, or no women are available at the appropriate time to perform the mitzvah, a man may and should light the candles.

    This practice derives from the combination of two important rules:

    (1) A blessing associated with a mitzvah should be said before doing the mitzvah, in order to demonstrate that one is consciously acting in obedience to a divine commandment;

    (2) A fire may not be kindled after Shabbat begins. Since the recitation of the blessing signifies the beginning of Shabbat, the candles could not be lit after the blessing - but the blessing should come first! To show respect for both rules, one covers one's face while reciting the blessing - as if the candles were not yet lit. (See Kitzur Shulchan Aruch 75:4)

    Normally the candles are lit in the room where Shabbat dinner will be served and kiddush recited, in order to indicate that the candles were lit in honor of Shabbat (Kitzur Shulchan Aruch 75:8).

    4.1.3 Participation in Shabbat Services.

    One should participate in a weekly Friday night or Saturday service.

    Shabbat is a sign of God's eternal covenant with the people of Israel (Exodus 31:12,

    16-17). As such, it is important that Jews gather before God as a community on this day, to honor the covenant and the One who gave it.

    Jews throughout the centuries have recognized the special importance of gathering on Shabbat for prayer and study. It is noteworthy that one of the earliest Jewish documents attesting this practice is the New Testament (Luke 4:15-16, 31-33; Acts 13:13-15; 15:21).

    4.1.4 Kiddush, Havdalah, and the Meals of Shabbat.

    4.1.4.1 Friday night meal: The basic practice includes reciting kiddush, hamotzi (over bread), and an abbreviated birkat hamzon (all prayers to be said in Hebrew).

    We commend as expanded practice ritual handwashing (netilat yadaim) with its traditional berachah, use of two loaves of bread, salting the bread, recitation of ayshet hayil, blessing of the children, singing of zemirot (special Sabbath songs), full birkat hamazon, and discussion of Torah (divrey Torah).

    4.1.4.2 Saturday noon meal: The basic practice includes reciting kiddush, hamotzi (if bread is eaten), and an abbreviated birkat hamazon.

    Kiddush at the noon meal is recited over any beverage except water. If the beverage is not wine, then shehakol is substituted for borey peri hagafen.

    We commend as expanded practice ritual handwashing (netilat yadaim), singing of zemirot, discussion of Torah (divrey Torah), and the full birkat hamazon..

    4.1.4.3 Saturday evening meal: The basic practice includes hamotzi and an abbreviated birkat hamazon. We commend as expanded practice the singing of zemirot and the full birkat hamazon.

    4.1.4.4 The traditional havdalah service should be recited after Shabbat ends.

    The Talmud sees the recitation of kiddush (literally, "sanctification") over wine at the beginning of Shabbat as a fulfillment of Exodus 20:8 - "Remember the Sabbath day, to sanctify it" (b. Pesachim 106a). Maimonides applies the verse also to havdalah (Mishneh Torah, Shabbat 29:1). Friday evening kiddush and Saturday evening havdalah serve both as ceremonial declarations (corporate and verbal acts of "remembrance") of the holiness of the day, and as lines of demarcation, subjectively distinguishing the sacred from the secular.

    Wine symbolizes and conveys the joy of the Sabbath day. In Judaism, holiness and joy are indissolubly united.

    On hamotzi and birkat hamazon, see decisions 4.1.4.2 and 4.1.4.3.

    According to rabbinic tradition, the ritual washing of hands should precede all meals at which bread is eaten. This custom derives from the Torah's ritual for priests before offering sacrifice or performing service within the tabernacle/temple

    (Exodus 30:17-21). By extending this practice to all meals outside the temple, Jewish tradition implies that the role of every Jew is priestly and the table of every Jew is a sacred altar. If this is true for all meals, how much more so for the meal that inaugurates Shabbat!

    The Besorot (Gospels) record a dispute between Yeshua and Pharisaic teachers concerning the practice of hand washing before meals (Matthew 15:1-20;

    Mark 7:1-23). The dispute had less to do with hand washing itself, and more with the primacy of biblical law over Pharisaic oral tradition, the primacy of basic moral imperatives (such as honoring parents) over ritual minutiae, and the nature of true defilement and purification. It is also important to recognize that ritual hand washing in the first century was a distinctive Pharisaic custom, and not a generally accepted Jewish norm, as it later became. Since Yeshua showed consistent respect for Jewish norms, we cannot assume that he would treat ritual hand washing today as he did in his original disputes with the Pharisees. For more on this topic, see Mark S. Kinzer, Postmissionary Messianic Judaism (Grand Rapids: Brazos Press, 2005).

    4.1.5 Practicing ones occupation.

    One ceases from his or her profession, trade, or daily occupation on Shabbat, except in the following occupations: health care workers and care-givers, police, military, emergency personnel, and synagogue personnel who are involved in the synagogue activities of the day.

    Accommodations may be made on a case-by-case basis by a bet din handling a conversion.

    "If you refrain from trampling the Sabbath, from pursuing your own interests on my holy day; if you call the Sabbath a delight and the holy day of the LORD honorable; if you honor it, not going your own ways, serving your own interests, or pursuing your own affairs; then you shall take delight in the LORD, and I will make you ride upon the heights of the earth" (Isaiah 58:13-14a)

    Isaac Klein points out the halakhic implications of this text from Isaiah: "The obvious intent of this passage is that one should not pursue his chosen profession, trade, or daily occupation on the Sabbath; the merchant should not go to his store, the manufacturer to his plant, the laborer to his shop, or the professional to his office" (80-81).

    All traditional Jewish authorities recognize exceptions to this rule, and to all Shabbat restrictions, in matters pertaining to the saving or preserving of life (b. Yoma 85a, b. Shabbat 132a). Yeshua highlights this principle, and even appears to extend it beyond maters of life and death to include basic acts of kindness to those in genuine need (Mark 3:1-5). Similarly, the Torah commands priests to perform tasks in the temple on Shabbat that are prohibited to others engaged in secular pursuits (Matthew 12:5). Accordingly, a rabbi serving a congregation on Shabbat is fulfilling a mitzvah rather than performing forbidden work.

    4.1.6 Kindling Fire.

    According to our basic practice, one should not kindle a flame on Shabbat. Halakhic authorities disagree about whether the use of electrical devices and the combustion involved in starting and running an automobile violate this commandment of the Torah. Our basic practice will follow the more lenient interpretation.

    "You shall kindle no fire throughout your settlements on the Sabbath day" (Exodus 35:3).

    The kindling of fire, which involves creating a flame, transforming the nature of the material consumed by the flame, and giving off light and heat, serves as a paradigmatic illustration of the sort of creative activity prohibited on Shabbat. It also recalls God's first act of creation in Genesis 1 - the formation of light.

    While all Orthodox halakhic authorities prohibit the use of electricity on Shabbat, some see this restriction as a rabbinic extension of the biblical commandment rather than a prohibition carrying the full weight of the Written Torah (see Donin, To Be A Jew, 92).

    In a groundbreaking responsum issued and adopted in 1950, the Conservative movement accepted the view that the prohibition of electricity on Shabbat carried rabbinic and not Scriptural authority. As such, it was to be respected, but it could also be modified in light of other important considerations.

    On an even more controversial point, the same responsum ruled that combustion for energy (such as that which occurs in an automobile) does not constitute the type of "kindling" prohibited on Shabbat.

    4.1.7 Buying and Selling.

    4.1.7.1 One should normally neither buy nor sell on Shabbat. This includes both the buying and selling of goods for profit and the buying and selling of goods that are not for profit (such as religious articles). Thus, we will not sell items (such as books or CD's) in our synagogues on Shabbat.

    4.1.7.2 "Buying and selling" here also includes payment for food or entertainment. Therefore, dining out or other recreational activity that involves spending money is inappropriate on Shabbat.

    4.1.7.3 Credit card purchases are buying.

    4.1.7.4 Offerings and tzedakah on Shabbat do not constitute buying and selling.

    The prohibition of practicing one's occupation on Shabbat implies that Jews should not sell merchandise on Shabbat. While this is not explicitly stated in the Torah, it is presumed as early as the prophet Amos, who indicates that even the wicked refrain from selling wheat on Shabbat (Amos 8:4-5). Nehemiah makes clear that the purchasing of goods on Shabbat likewise profanes the holy day (Nehemiah 10:31; 13:15-18).

    Rabbinic tradition extended this prohibition of buying and selling by forbidding any contact with money on Shabbat. This helpful custom reinforced the basic prohibition, and fostered an experience of the holiness of the day. Strict adherence to this halakhic extension would, of course, rule out the giving of offerings and tzdeakah on Shabbat. While acknowledging the value of the traditional practice, the Messianic Jewish

    Rabbinical Council takes no official position on the appropriateness of giving offerings and tzedakah on Shabbat. Decision 3.7.4 does, however, make clear that such giving does not violate the Torah's basic prohibition of buying and selling on Shabbat.

    4.1.8 Traveling.

    In general, traveling on Shabbat conflicts with the spirit of the day. Nevertheless, limited travel may be appropriate to uphold certain values that are themselves associated with Shabbat. Thus, our basic practice does not prohibit travel on Shabbat to attend services at the synagogue, to visit the sick, and to sustain contact with the synagogue community and with one's family, though such travel should not occupy a substantial portion of the day. Normally one should avoid traveling on Shabbat for other purposes.

    "Each of you stay where you are; do not leave your place on the seventh day" (Exodus 16:29).

    A strict reading of this text could lead to the view that one should not leave one's house on Shabbat. However, the Talmud interprets the passage as meaning only that one should not travel far from one's residence on Shabbat (b. Eruvin 51a).

    Rabbinic tradition established clear limits to such travel: within a city one could go any distance, whereas beyond city limits one could go two thousand cubits (about three quarters of a mile). Knowledge of and respect for such limits is seen in the Book of Acts, which refers to the distance between the Mount of Olives and the city of Jerusalem as "a Sabbath day's journey" (Acts 1:12).

    Rabbinic tradition likewise prohibited riding a horse or a wagon on Shabbat. The authorities understood this to be a rabbinic rather than a Scriptural rule, ordained because such forms of travel may lead indirectly to the violation of Shabbat.

    Traditional rabbinic concerns still apply today. While these concerns may not lead us to avoid all travel on Shabbat, they should cause us to limit our travel to a minimum.

    4.1.9 Food Preparation.

    On Shabbat we do not manipulate and alter the world but receive and enjoy it. Cooking alters the composition of food. Therefore, all food for Shabbat should be cooked in advance, or the cooking should be initiated in advance (as in a crock-pot). However, food may be reheated.

    The traditional prohibition of cooking on Shabbat is implicit in the story of the manna (Exodus 16). The people gather two days supply of manna each Friday, and prepare their Shabbat meals before the holy day begins: "This is what the LORD has commanded: 'Tomorrow is a day of solemn rest, a holy Sabbath to the LORD; bake what you want to bake and boil what you want to boil, and all that is left over put aside to be kept until morning'" (Exodus 16:23). The baking and boiling must be completed while Shabbat is still "tomorrow."

    4.1.10 Writing and Drawing.

    Due to the demands of modern life, the traditional prohibition on writing and drawing places an excessive burden upon the Messianic Jewish community in our contemporary situation. Therefore, our basic practice will not include prohibitions of the sort of writing and drawing that enhances the community's ability to experience Shabbat and that does not violate the spirit of Shabbat. At the same time, we appreciate the reasons for these prohibitions and recognize their great value, and therefore commend them as part of our expanded practice.

    As should be clear by the last sentence, this decision neither encourages nor sanctions writing or drawing on Shabbat. It merely states that observance of the traditional prohibition is not required as part of our basic practice.

    4.1.11 Laborious Activity.

    Laborious activity such as moving heavy appliances or heavy furniture is not appropriate on Shabbat.

    Speaking in the name of God, the prophet Jeremiah sees the "bearing of a burden" as incompatible with the holiness of Shabbat: "Thus says the LORD: For the sake of your lives, take care that you do not bear a burden on the Sabbath day or bring it in by the gates of Jerusalem. And do not carry a burden out of your houses on the Sabbath or do any work, but keep the Sabbath day holy, as I commanded your ancestors" (Jeremiah 17:21-22).

    While this text appears to us to focus on the carrying of any heavy load on Shabbat, rabbinic tradition understood it differently. It is there interpreted as applying to the carrying of any object, regardless of its size or weight, but only when that object is moved from one domain to another. According to the Mishnah (Shabbat 7:2), the thirty-ninth major category of work prohibited on Shabbat is "removing an object from one domain to another." As with the other basic categories of work, this prohibition is traditionally viewed as Scriptural rather than rabbinic in nature.

    Traditional Halakhah also prohibited the carrying of heavy objects within a domain, but this was seen as a rabbinic rather than Scriptural limitation, imposed to preserve the spirit of Shabbat.

    In our view, the authoritative sources of the two commandments (not carrying from one domain to another, not bearing a heavy burden) should be reversed. We understand the prohibition of bearing a heavy burden as Scriptural, and the prohibition of carrying any object from one domain to another as rabbinic. We respect the rabbinic limitation and commend it as an expanded practice, but we have not included it as part of our basic practice.

    4.1.12 The Spirit of Shabbat.

    On Shabbat one should avoid as much as possible activities that, while not strictly work, are not in keeping with the spirit of Shabbat. This principle is called shevut.

    To keep the spirit of Shabbat, it is important that the people one is with are not violating the spirit of Shabbat. Therefore, it is best to avoid Shabbat activities that involve the general public.

    In determining which social amusements are fitting to Shabbat and which unfitting, one may be guided by the words of Morris Joseph (Judaism as Creed and Life, New York: Bloch, 1920), quoted by Issac Klein (pages 89-90): "The Sabbath is a sacred day and there are certain kinds of enjoyment which by their very nature are out of harmony with its inherent holiness. Participation in them on the Sabbath is like a sudden intrusion of a shrill street organ on a beautiful melody sung by a lovely voice. It is difficult, almost impossible, to lay down a definite rule on this point, to say 'This sort of amusement is allowable, that sort improper, on the Sabbath.' The matter must be left to the individual conscience, to each person's sense of what is seemly."

    4.1.12.1 Due to the socially fragmenting effect of television on families, normally it is best to avoid television on Shabbat. In particular, we consider the watching of commercial television to be inappropriate on Shabbat.

    4.1.12.2 It is best to leave mail unopened till Shabbat is over.

    4.1.12.3 It is best to not compose, send, retrieve, or read e-mail on Shabbat.

    4.1.12.4 Use of the telephone should be minimized. One should especially avoid usage which intrudes upon the spirit of Shabbat.

    4.1.12.5 Cell phones, beepers, and electronic messaging devices should be turned off on Shabbat, and not be used except for emergencies.

    Isaac Klein provides a clear and concise statement of the meaning of shevut: "The term shevut (resting) covers a whole area of activities which are not strictly work but are to be avoided because they are not in the Spirit of the Sabbath, or because doing them may lead to acts that constitute a major desecration of the Sabbath" (84). This is a crucial concept for making Shabbat a transforming experience rather than a mere compliance with a set of arbitrary external restrictions.

    It is possible to avoid all forms of work, yet never enter into the spirit of Shabbat. To partake of that spirit, one must combine the joyful experience of the day's holiness with the avoidance of all activities that detract from that holiness.

    In addition to television, we must be careful in our use of computers and recorded video. It is possible to employ these media in a way that preserves the spirit of Shabbat. However, they also have great potential for undermining that spirit, especially when members of the family retreat to their own monitors and their own private worlds, or when the contents viewed involve intense sensory stimulation, or are violent or immodest.

    Abraham Joshua Heschel described Shabbat as "a palace in time which we build. It is made of soul, of joy and reticence" (Heschel, The Sabbath, 15). While Shabbat exists whether we observe it or not, our experience of the day depends on how we build that palace in our lives. The habit of avoiding distracting activities and thoughts while actively participating in Shabbat-related activities has the cumulative effect of creating an atmosphere entirely different from the other six days of the week, a time without struggle or worry.

     

    De beracha:
    Bij het ontzinden bedekt de vrouw met haar hand haar ogen, en zegt met haar ogen dicht de volgende beracha (zegening) over de kaarsen:

    "Baroech Ata Ado-naj Elo-heenoe Melech Ha-Olam, Asjer Kiedesjanoe Be'Mitzwotaw, Wetziewanoe Le-Hadliek Neer Sjel Sjabbat.

    Vertaling: Geprezen, U Eeuwige, onze God, Koning van de wereld die ons door Zijn geboden een bijzondere taak heeft opgelegd en ons het aansteken van het Sjabbat-licht heeft opgedragen.

    Na het aansteken kijkt men recht naar het licht en dient te worden geconcentreerd op de gedachte van sjabbes. De kaarsen staan niet alleen symbool voor de vrede en de harmonie, maar zijn ook een bron van zegen. Veel vrouwen hebben dan ook de gewoonte persoonlijke gebeden toe te voegen. Mordechai Katz, Menucha V'Simcha, Feldheim Publishers, Jeruzalem, 1982, p. 20.</ref>
    De reden dat de vrouw de ogen bedekt is omdat met het uitspreken van de beracha zij de sjabbes op zich neemt. Dit houdt in dat zij na het zeggen van de beracha (het is voor hen dan sjabbes) geen van de 39 melachot kan verrichten (verboden activiteiten op sjabbes), waaronder het maken van vuur. Wanneer een vrouw de sjabbes nog niet op zich wil nemen met het aansteken van de kaarsen, dient zij dit duidelijk in haar gedachten te hebben bij het aansteken van de kaarsen en het zeggen van de beracha. De procedure voor het aansteken van de kaarsen blijft echter onveranderd.
    Voor de overige familieleden begint de sjabbes op vrijdagavond op de officiële tijd, of door het zeggen in sjoel van de 92e psalm ("Een gezang voor de Sjabbat-dag") in de Kabbalat sjabbat (Verwelkomen van de sjabbes) gebedsdienst, welke van de twee zich het eerst voordoet.» De Sjabbat. Tussen Mij en het ‘Volk Israël zal zij tot een teken zijn ‘Voor alle tijden . . . (Sjemot/Ex. 31:17)


    De Sjabbat. Tussen Mij en het ‘Volk Israël zal zij tot een teken zijn ‘Voor alle tijden . . . (Sjemot/Ex. 31:17)

    Inleiding

    De Sjabbat is een kenmerk van het Jodendom. Meer dan welke andere instelling ook, heeft deze dag zijn stempel op het Jood-zijn gedrukt en hij heeft de eigen plaats van het Jodendom in de wereld bepaald. Nu Israël allerwege de aandacht blijft trekken door de wijze, waarop een volk blijft geloven in zijn toekomst en energiek aan deze toekomst bouwt, komt periodiek de vraag naar voren, waaruit dit volk geleefd heeft en welke taak het zich stelde en nog stelt. Het is niet mogelijk deze taak te ontdoen van haar religieuze inhoud. Men raakt verward, indien men het Joodse volk, dat in zijn bestaansdrift zo imponeert, niet ziet of kàn zien tegen de Grote Achtergrond van het geheel. God en Israël, ziedaar het antwoord op de vraag naar de bestaansgrond van Israël. Het Joodse volk voelt zich niet alleen; het weet, dat het de drager is van een verwachting, van een zekere toekomst.

    De Sjabbat nu is een eeuwig symbool van die verhouding tussen God en Israël. 
    Wanneer wij hier op uiterst summiere wijze iets vertellen van de wijze, waarop de Sjabbat wordt beleefd, dan is ter inleiding een historische benadering van het wezen van de Sjabbat voorwaarde voor een goed aanvoelen en begrijpen.
    Waarom vieren wij Sjabbat? De Tora geeft hiervoor twee motieven, die elk de Sjabbat-viering op bepaalde wijze gericht hebben en die wij dan ook in onze beschrijving telkens zullen tegenkomen.
    Het eerste motief vinden wij .reeds in de betekenis van het woord Sjabbat. Het woord “Sjabbat-dag”-’ jom hasjabbat – betekent letterlijk “dag van ophouden” en met deze grammaticale uitleg benaderen wij het eerste facet. De Tora vertelt ons n.l., dat God in zes dagen hemel en aarde tot in onderdelen heeft geschapen. Op de zevende dag was het scheppingswerk voltooid, de materiële voorwaarden waren aanwezig voor een verdere, zelfstandige ontwikkeling. Daarom kreeg de zevende dag een bijzondere bestemming. “God heiligde de zevende dag” – zo lezen wij in Genesis 2: 1-3 – “omdat Hij op die dag ophield met Zijn scheppingswerk”. Zo kon het zich verder zelfstandig ontwikkelen. En in Exodus 31:16-17, waar de Sjabbat wordt gemotiveerd: “Tussen Mij en het volk Israël is zij, de Sjabbat, voor altijd een symbool. Want in zes dagen maakte de Eeuwige hemel en aarde, maar op de zevende dag hield Hij met de schepping op en trok Hij Zich in Zichzelf terug”.
    In dat scheppingswerk nu is de mens het middelpunt en deze mens krijgt de verheven opdracht om over die schepping te heersen. Hij krijgt de gave om de mogelijkheden, schier oneindige mogelijkheden, te ontdekken die in de schepping besloten liggen.
    En dit ontdekken gaat door tot op de huidige dag. De mens wordt geconfronteerd met het oneindig grote en grootse in de wereld en hij begint iets te vermoeden van de geweldige krachten, die daarin schuil gaan. Moderne hulpmiddelen gunnen hem een blik inde wereld van het allerkleinste en hij raakt verbijsterd door het feit, dat al het geschapene, bijvoorbeeld elk onderdeel van het menselijk organisme, een zin en een doel heeft – tot dusver niet geweten, zelfs niet vermoed. Dat alles is in de scheppingsperiode geschapen en het was op de zevende dag gereed. In deze zienswijze past de stelling, die wij in de Misjna vinden, dat òòk reeds objecten die later als wonderlijke afwijkingen van de natuurlijke gang van zaken ervaren zijn – bijvoorbeeld de mogelijkheid van het spreken van de ezelin van Bil’am, het manna, de staf van Mozes – geschapen zijn nog juist vóór het intreden van de eerste Sjabbat.

    Zo werd het Sjabbat, een dag zonder scheppingsdaad. En onze Sjabbat is in de eerste plaats een afspiegeling van deze “Sjabbat berésjiet” de ,Sjabbat nà de schepping. Dààrin vindt zij haar oorsprong.

    Bovendien is de Sjabbat een herinnering aan de vrijwording van de Jood, een herinnering aan het moment van de uittocht uit Egypte – “zécher lietsieat mitsraim”, zoals men dit op Sjabbat meer dan eens tot uitdrukking brengt. 
    Als een eigen, kenmerkend bezit, draagt de Jood de Sjabbat en de Sjabbat-idee door de eeuwen mee. Deze idee, die, eenvoudig gezegd, inhoudt, dat er tegenover het alledaagse, tegenover al het materiële, hogere waarden gesteld kunnen worden, heeft het Joodse volk steeds bezield en gesteund. In de donkerste tijden is de Sjabbat een lichtbaken geweest en wanneer armoede en zorg wolken vormden in de gezinnen – en welk een armoede en welk een
    zorgen zijn er in alle generaties geweest! – dan werden deze opgelost, wanneer en zodra de Sjabbat inviel. Dàn was er licht en vreugde – “deze dag is voor Israël een dag van licht en vreugde” is het refrein van een Sjabbat-gezang – dàn werd alles anders. Mèt de Sjabbat kwam en komt er een andere stemming, zichtbaar aan uiterlijkheden – een feestelijk gedekte tafel, overal witte tafelkleden en kleedjes, bloemen, de Sjabbat-kledij. Maar merkbaar in àlles. De Jood werkt naarstig en vol zorg gedurende de werkdagen voor zijn stoffelijk welzijn – op vrijdagavond schudt hij het materiële van zich af en, hoe afhankelijk zijn positie ook moge zijn, nu is hij koning in zijn gezin.
    Zo symboliseert de Sjabbat Israëls houding in de wereld. Wij Joden ondervonden gedurende de middeleeuwen en lang daarna – en de middeleeuwen hebben voor de Joden heel lang geduurd – een donker, zwaar lot en wij zijn er hevig door getroffen.

    Maar wij weten, dat de machten in de wereld elkaar opvolgen, dat er opgang en ondergang is, maar dat het Jodendom deze machtswisselingen overleven zal. Dit weten draagt elke Jood, bewust of onbewust, met zich mee. Hij weet, dat er waarden zijn die van meer gewicht zijn dan die van macht en kracht. Dat het streven gedurende de werkdagen slechts zin heeft, wanneer men het oog gericht houdt op de Sjabbat.
    Wanneer het dan op vrijdag donker gaat worden, verandert het décor. Na zes werkdagen wordt het nu anders.
    Sjabbat.

    In huis – Vrijdagavond (Judah gebruikt deze manier van sabbath vieren)

    De Sjabbat wordt in huis kenbaar gemaakt door het interieur in feeststemming te brengen – veel licht, wit tafelkleed en overigens alles, waartoe huisvrouwelijke inventie leiden kan. Maar vooràl door de Sjabbatlichten. Deze worden vóór Sjabbat, bij voorkeur door de vrouw, aangestoken aan, als regel, twee kaarsen en mèt dit aansteken of, correcter gezegd, met het uitspreken van de beracha (lofzegging ) over dat aansteken, is voor haar de Sjabbat begonnen. Met alle consequenties – dus òòk ten opzichte van het werkverbod. In het algemeen pleegt men een lofzegging in verband met een bepaald voorschrift vóór de desbetreffende handeling uit te spreken. Hier geschiedt zulks niet, omdat men nà het uitspreken van de beracha met het voormelde gevolg t.o.v. het werkverbod geen licht meer mag ontsteken. Dus steekt de vrouw eerst de kaarsen aan, bedekt het licht met de handen, zegt de beracha en trekt de handen weg om zich eerst dàn, als het ware, te bezinnen over het licht. In huis is het nu Sjabbat. De vrouw, die wij terecht als het bepalende element van de Sjabbatsfeer beschouwen, mag na het uitspreken van de beracha, zoals gezegd, geen werk meer doen. 
    Het voorschrift van het aansteken van de Sjabbatlichten vinden wij niet in de Tora, tenminste niet rechtstreeks. Het behoort tot de z.g. zeven voorschriften van onze rabbaniem en het heeft, evenals de andere voorschriften van deze groep, (b.v. het ontsteken van het Chanoeka-licht, het voorlezen van de Megillat Ester, het handenwassen vóór het eten van brood, enz.) gezag gekregen. Een gezag dat ontleend wordt aan Dewariem 17:11. Dààr worden de ‘bevoegdheden van de rabbaniem ten opzichte van aanvullende voorschriften bij voorbaat erkend.

    Dat de vrouw het bepalende element vormt voor de Sjabbatstemming in huis wordt nog onderstreept, wanneer de man, na thuiskomst uit sjoel, het laatste deel van het boek Misjlé (Spreuken van Salomo) voorleest. Een belangwekkende lofzang op de vrouw. Belangwekkend, omdat in dit hoofdstuk, gewijd aan de eesjet chayil, de flinke vrouw, een inzicht gegeven wordt over de positie van de vrouw in Tenachtijd. Hier is sprake van een handelingsbekwaamheid van de vrouw, die ons, twintigste en eenentwintigste eeuwers, verrast: “Een flinke vrouw, wie zal haar vinden? Haar waarde is hoger dan die van parels. Het hart van haar man vertrouwt op haar; daardoor ontbreekt het hem niet aan onverwacht voordeel … Als een handelsschip is zij, wanneer zij, (terugkomend) uit de verte, voedsel meebrengt…’ Indien zij naar een stuk land streeft, dan koopt zij het… Zij ervaart, dat haar zaken goed gaan – haar lamp gaat ‘s nachts niet uit… Zij maakt fijne weefsels en verkoopt deze; zij levert gordels aan de handel. Zij spreekt met wijsheid… let op de gang van zaken in haar gezin… Charme is bedriegelijk en schoonheid is ijdel, maar daarentegen prijst men een vrouw die godvruchtig is. Schenkt haar voldoening over het resultaat van haar arbeid. Mogen haar daden haar lof in de poorten verkondigen”.

    Op vrijdagavond pleegt men de kinderen te zegenen. Dat wil zeggen, men vraagt God om de jongens te doen opgroeien als Efraim en Menasjé, daarbij het voorbeè1d van Jacob volgend (Berésjiet 48 : 14).
    Voor meisjes vraagt men om haar te doen opgroeien als de aartsmoeders Sara, Riwka, Rachel en Lea. Om dan te besluiten met de priesterzegen. God heeft n.l. de kohaniem, de priesters, voorgeschreven om een in de Tora voorkomende zin uit te spreken ten overstaan van de gemeente. Het zijn dus de priesters, die de zegen uitspreken. God maakt deze tot realiteit. “Zij zullen (slechts) Mijn naam vermelden over de kinderen Israël en Ik zal hen zegenen.” (Bemidbar 6 : 27). Deze priesterzegen luidt: God zegene en behoede U. Moge God U zijn licht” schenken en U genadig zijn. Moge God Zich. tot U wenden en U vrede schenken.”

    Dan volgt de kiddoesj. Dit is een gebod aangeduid in de Tora. Want in de aanhef van het vierde van de z.g. tien geboden – “Gedenkt de Sjabbat - door hem te wijden” – wordt met het gebod van wijding het kiddoesj-ceremonieel aangeduid. Dit gebeurt over een beker wijn – wijn werkt verheugend weet de psalmdichter reeds te vertellen (104:15) en vóór de maaltijd. Het brood, dat steeds voorrang bij een maaltijd heeft, wordt bedekt door een kleedje, het challekleedje. Dan nemen wij de beker wijn in de hand, spreken eerst de beracha over de wijn uit en daarna het kiddoesj-formulier. Daarin wordt de betekenis van de Sjabbat scherp bepaald. Dus – zoals reeds vermeld – als een herinnering aan de schepping van de wereld en tevens als een bezinning over het moment van de vrij-wording van de Joodse mens, nl. de uittocht uit Egypte.
    Daarna handenwassen. De beracha over de broden, de challes, wordt gezegd, het challekleedje weggenomen en een afgebroken stukje brood in zout gedoopt – zout mag immers niet ontbreken (vgl. Wajjikra 2 : 13) – aan ieder der aanwezigen gegeven. Het woord challes voor de zozeer bekende gevlochten broden herinnert aan het voorschrift dat
    tijdens het bestaan van de tempel van kracht was en waarbij van een bepaald deeg iets aan de priester moest worden afgestaan. (zie Bemidbar 15 : 17-21). Als een herinnering aan dat voorschrift wordt ook nu nog door de vrouw, indien ze zèlf brood bakt, een stukje deeg, “challa” geheten, van het deeg afgenomen en verbrand. Vandaar de naam challes.

    Nu gaat men eten. Het gezin intiem bijeen.
    Tijdens en na het eten wordt gezongen. Oude en moderne gezangen, zemierot genaamd en ten slotte één van de z.g. trappenliederen. Dit waren liederen, die oudtijds door het koor van Levieten in de voorhof van de tempel op de vijftien treden werden gezongen.
    Wij vinden deze in Psalmen 120 tot en met 134. Zij beginnen met de woorden “sjier hammaälot” of ” sjier lammaälot”, lied op de trappen, en één van deze liederen, nl. psalm 126, vormt op Sjabbat en feestdagen de proloog ‘Voor het dankgebed na de maaltijd. “Toen de Eeuwige de gevangenen van Tsion terugvoerde, was het alsof wij droomden … God heeft grote dingen met ons gedaan, daarom zijn wij verheugd. Voer onze gevangenen terug, Eeuwige, als de (zo plotseling aanzwellende) stromen in de Négew.
    Die zaaien men met tranen, zullen oogsten onder gejuich. Het dankgebed na de maaltijd, dat nu volgt, vindt zijn bindend motief in Dewariem 8 : 10 ,,wanneer gij gegeten hebt en verzadigd zijt, dan zult gij God huldigen voor het goede land, dat Hij U heeft gegeven.” Dit “bensjen” (van het latijnse benedicere ) doen wij door het uitspreken van vier berachot.
    Oorspronkelijk bestond het dankgebed uit drie berachot, afgesloten ook nù nog, door het besluitende “amén” , dat als instemming met het gesprokene door de toehoorders pleegt te worden gezegd maar dat. hier òòk wordt gezegd door degeen, die hardop reciteert. De eerste beracha dankt voor het voedsel, de tweede voor het land Israël, de derde vraagt om herbouw van Jerusalem. De, later toegevoede, vierde beracha dankt God – onder alle “omstandigheden voor Zijn ingrijpen in ‘s mensen lot. Zij biedt gelegenheid voor het invoegen van individuele beden en men heeft daar ook ruimte gevonden voor een bede om voorspoed voor de Staat Israël en voor allen, die zich met de opbouw van deze staat bezig-houden en daarbij handelen naar Tora en traditie. Deze vierde beracha is, – wellicht – in het jaar 139 toegevoegd door de rabbijnen na de nederlaag bij Betar. Toen had Antoninus Pius toestemming gegeven om de gevallenen, die nog niet begraven waren, alsnog een waardige rustplaats te geven.
    De vrijdagavond wordt nu in eigen stijl doorgebracht. Die stijl is in alle opzichten een tegenstelling tot het alledaagse — b.v. in het onderwerp van gesprek, in de aard van de lectuur.

    Sjabbat – Overdag

    De Sjabbatdag zèlf handhaaft deze stijl. Na de ochtenddienst volgt er thuis weer een kiddoesj.
    Dààrin wordt het vierde der z.g. tien geboden, zoals dat voorkomt in Sjemot 20 gereciteerd: “Blijft denken aan de Sjabbatdag door hem te wijden”. Een maaltijd, genoegelijk samenzijn – weer een maaltijd en dàn komt het eind van de dag, ‘Wanneer het “nacht” is.

    De afsluiting van de Sjabbat geschiedt door het maken van een hawdala – scheiding – eerst in woorden in het avondgebed, daarnà in de vorm van een ritueel. Hierbij nemen wij een beker wijn, een busje, waarin wat specerijen (besamiembus), en wij steken aan een gevlochten kaars een ,,fakkellicht” aan. Eerst zeggen wij, met de beker in de hand enkele regels uit Jesaja, Psalmen en het boek Ester. “Voor de Joden was er (na. de gelukkige wending in de Poeriemgeschiedenis) licht, vreugde, blijdschap en eer. Zo moge het ook met ons gaan. Nu hef ik de beker van geluk op en’ roep Gods naam aan”. Daarna de beracha over wijn en die over de geur van specerijen. Wij ruiken eraan. Oorspronkelijk wellicht een overal geldend: gebruik bij elke maaltijd, hebben wij deze gewoonte bij hawdala gehandhaafd en gesymboliseerd. Wij genieten nog van de indringende en opwekkende geuren’, – symbool. van
    de sjabbatsfeer – alvorens de dagelijkse dingen te aanvaarden. (Wanneer op de Sjabbat een feestdag volgt is derhalve dit symbool overbodig.) Wij nemen de gevlochten hawdala-kaars in de hand, spreken een lofzegging tot de Schepper van het lichtend vuur, nemen de beker wijn in de rechterhand en danken God, Die een scheidslijn trok tussen heilig en niet-heilig, tussen licht en donker, tussen Israël en de (andere) volkeren, tussen de zevende dag en de zes werkdagen. Wij drinken van de wijn. Een lied- “hamawdiel” – wordt gezamenlijk gezongen. De inhoud ervan doet vermoeden, dat het hier om een oud smeekgebed gaat. “Wij zijn immers in Uw handen als leem. Vergeef ons de lichte en zwaardere fouten. De éne dag vertelt aan de volgende over Gods wonderen – en zó doen het ook de nachten…” Op deze wijze nemen wij in huis afscheid van deze bijzondere dag.
    Bijgeladen in energie gaan wij de werkweek tegemoet.

    Het werkverbod

    De voorwaarde voor het beleven van de kenmerkende Sjabbatsfeer ligt niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, in het volgen van de dienst in sjoel of in de zo behaaglijke intimiteit van de vrijdag- avond thuis, met zijn lichten en met het zo verzorgde diner. Zij ligt vooràl in het verbod om “melacha” – werk – te verrichten, een verbod, dat in de Tora nadrukkelijk wordt vermeld en met sancties omgeven. Door dit werkverbod wordt de Jood gedwongen om het wezenlijke van de Sjabbat tot zijn recht te doen komen. Dààrdoor is de Sjabbat niet een dag van ontspanning, geen rustdag zonder meer, geworden. Niet een “vrije dag” zonder hogere opgave.
    Hoewel de Tora dus melacha verbiedt, weten wij zonder meer weinig omtrent de inhoud van dit summier vermelde begrip. Weliswaar wordt een enkele werkzaamheid met name genoemd- wij denken aan het ontsteken van vuur, aan ploegen, aan maaien – of er is een duidelijke aanwijzing – zoals het zich bewegen buiten de z.g. Sjabbatgrens. Maar de concrete begrenzing van het werkverbod kunnen wij niet in de Tora lezen. En deze begrenzing is uiteraard nodig.
    Daarbij is het wenselijk vóóraf nog eens vast te leggen, dat dit werkverbod een beperking in het handelen is, die uitsluitend de Joodse man, de Joodse vrouwen hun gezinsleden is opgelegd en die tevens hun onderhorigen – slaaf, slavin, begrippen, die onze maatschappij niet meer kent – betreft. Het Sjabbat-gebod vinden wij o.a. als het vierde van de “Tien Geboden” (Sjemot 20); het is gericht tot het volk Israël en bedoeld als bindend voorschrift uitsluitend voor dit volk, ook voor komende generaties. Dat betekent dus, dat de niet- Jood niet staat onder de Sjabbat-bepalingen; hij mag op Sjabbat alles doen. Ook wanneer zijn werk mede, of uitsluitend een Jood ten goede komt. Doch in deze laatste gevallen is zijn vrijheid van handelen aan enkele strenge voorwaarden gebonden. De belangrijkste voorwaarde is wel deze, dat de Jood door de vorm van zijn opdracht of verzoek de niet-Jood ruimte en gelegenheid geeft de betreffende arbeid vóór of ná Sjabbat te verrichten. En dus niet nadrukkelijk tot melacha op Sjabbat dwingt of verzoekt.

    De inhoud van het begrip melacha kunnen wij langs twee wegen benaderen. In de eerste plaats door een systematische interpretatie, dat wil zeggen door na te gaan in welke zin dit woord melacha in de Tora op andere plaatsen wordt gebruikt. Wij vinden het dan
    bij de omschrijving van de handelingen in verband met de bouwen inrichting van de “Ohel Moëd”, de Tent der Samenkomst. Het ligt dus voor de hand, dat de aan deze bouw verbonden noodzakelijke werkzaamheden de grenzen van het begrip melacha bepaald hebben. Dus b.v. timmeren, verven, weven, tekenen, enz.,.. Bovendien vinden wij in Tenach aanduidingen van Sjabbat-viering en aanwijzingen over het melachaverbod, die op enkele gebieden elke twijfel uitsluiten. Zo noemt Jeremia 17 : 21 het verbod van vervoer van voorwerpen als voorwaarde voor het vieren van de Sjabbat. (Zie ook Nechemia. 13 : 15).
    Maar ook langs een andere weg kunnen wij tot een interpretatie van het begrip melacha komen. In de inleiding henben wij gezien, dat de Sjabbat een herinnering is aan de eerste Sjabbat, die op haar beurt, een tegenstelling vormde tot de scheppingsperiode.
    Na zes dagen van creativiteit volgde deze eerste Sjabbat als een dag zonder enige scheppingsdaad. Van deze beschouwing uit, verdraagt ook onze Sjabbat geen handeling die een scheppend karakter van stoffelijke aard heeft of, anders gezegd, een arbeid, die een verandering van vorm of aard tengevolge heeft. Wij mogen dus niet zaaien, schrijven, koken, vuur ontsteken en wij letten daarbij niet op de mate van inspanning die deze handelingen vergen. Zij blijven verboden, ook al heeft de moderne techniek sommige verrichtingen teruggebracht tot een simpele handgreep. Anderzijds kan vermoeiend werk soms buiten de verbodcirkel vallen – het vervoer binnenhuis is bij voorbeeld, in het algemeen gezien, niet verboden.
    Rondom deze verboden heeft men nu een groep voorzorgsmaatregèlen getroffen, waardoor dit melacha-verbod beveiligd wordt. (Dit was waar Yeshua zich over ergerde)Zij zijn uitvoerig omschreven in de rabbijnse literatuur. Zo zijn b.v. die handelingen verboden die maar àl te gemakkelijk tot overtreding ‘van de “echte” melacha-verboden zouden leiden, die ermee verward zouden kunnen worden of die, ondanks het feit, dat zij formeel geoorloofd zijn, tòch gedachten-associaties zouden wekken aan het alledaagse doen en laten. Schrijven is bij voorbeeld een direkt verbod. Maar ook het aanbrengen van figuren in zand of op bewasemd glas, dus van niet-blijvend karakter, is ons verboden — zij het dus door de rabbijnen. Evenals het maken van afspraken voor de week.

    En — om bij het schrijfverbod te blijven – wij dragen geen vulpen, òòk niet binnenhuis.
    Maar ook zorgen wij ervoor, dat de geest van de Sjabbat niet wordt aangetast door handelingen en zintuigelijke ervaringen, die niet in overeenstemming zijn met datgene, dat wij als het eigene van de Sjabbat hebben aangeduid. Dus luisteren wij niet naar de radio en kijken niet naar de T.V. en wij gaan niet naar bioscoop of schouwburg. Dit alles òòk niet, indien de strikt halachische beperkingen zouden zijn ontgaan – wanneer b.v. de radio automatisch gaat werken of wanneer vóór Sjabbat de toegangskaartjes genomen zijn. Want het wezen van de Sjabbat wordt weliswaar beschermd door het werkverbod – in feite stijgt het erboven uit.

    Een belangrijk aspect van dat wezen van de Sjabbat de “menoecha”, de verademing, het vreugdevolle zichzelf komen. Dit element van vreugde houdt openbaar rouwbetoon tegen. Deze dag tilt ons als het ware boven alle gevoelens van rouw uit.

    Daarom wordt b.v. de rouwweek na het overlijden van naaste familieleden (sjiw’a) gedurende de Sjabbat onderbroken en gedurende Sjabbat blijft in het algemeen elk demonstratief rouwbetoon achterwege.

    Al deze bepalingen, gedeeltelijk eigenlijk vanzelfsprekend, gedeeltelijk de consequenties van een zorgvuldig vastgehouden systematiek, vinden wij, tot in onderdelen omschreven, in de rabbijnse literatuur. In de eerste plaats in de Misjna, in het hoofdstuk Sjabbat, waarover wij reeds schreven. Tot op de huidige dag vormt de problematiek van de Sjabbat-voorschriften een der onderwerpen in de rabbijnse geschriften. Na de Misjna, besproken en verklaard in de Gemara, zijn er daarbij vooràl twee werken die de basis vormen voor de beantwoording van opkomende vragen. In de eerste plaats werk “Misjné Tora” van Maimonides (1135-1204). En bovendien de “Sjoelchan ‘Aroech” van R. Josef Karo (1488-1575). Dit laatste werk zet de voorschriften als op een “gedekte tafel” – dit is de vertaling van de titel – systematisch geordend voor ons neer. In deze rabbijnse literatuur vinden wij b.v. ook de belangrijke bepaling, dat alle voorschriften met betrekking tot de Sjabbat hun dwingend karakter verliezen, ja zelfs verliezen moeten, wanneer de gezondheid gevaar loopt. In een geval van levensgevaar dwingt de codex tot het op zij zetten van de beperkende Sjabbat-bepalingen, die dan hun karakter van verbod geheel verliezen. Deze gedragslijn past in de Joodse visie op het leven. God heeft ons dit aardse leven geschonken en wij hebben niet het recht om dit leven te verkorten of zelfs maar in gevaar te brengen. Het accent van ons zijn ligt voor ons op dit aardse ‘leven. Met de erkenning dat dit aardse elders een voortzetting, een voleinding zal vinden. Zonder dat wij ons overigens daarvan ook maar enigszins een voorstelling kunnen maken. Hier ligt ook het antwoord op de vraag hoe het Jodendom staat ten opzichte van het martelaarschap. In het algemeen gesproken wijst het dit met nadruk af, omdat het onverenigbaar is met de Joodse visie op leven en dood. Het staat het slechts toe, ja eist het zelfs zonder meer, indien de pijlers van elke zedelijke samenleving in gevaar zouden komen, n.l. indien wij gedwongen zouden worden tot afgodendienst, moord of bloedschande. Maar bij alle andere voorschriften heeft de zorg voor ons leven erkende preferentie. (Behalve wanneer achter de dwang tot wetsovertreding van zulk een voorschrift de bedoeling ligt om het Jodendom als zodanig in zijn in algemeenheid aan te vallen en te onderdrukken.)
    Wanneer de Tora ons de betekenis van Gods voorschriften in Wajjikra 18 : 5 voor houdt, dan voegt zij daaraan toe: “Gij zult erdoor leven”. En er dus niet door sterven- concludeert oud-Joodse wijsheid. Met ons leven zijn wij voorzichtig. Ook bij de vervulling van de opdracht die de Tora ons stelt. 
    Dus òòk op Sjabbat.

    Nesjama jetera – De bijzondere sfeer

    In het bovenstaande is, op uitermate beknopte wijze, getracht, de lezer een indruk van de betekenis van de Sjabbat te geven door een toelichting op de wijze, waarop deze dag wordt doorgebracht en door een beschrijving van de voorwaarden waaraan de Sjabbatviering is gebonden. Dit is echter niet alles. Want hoog over déze sjoeldiensten heen, hoog ook over het verbod tot het verrichten van melacha, rust daar de Sjabbatsfeer op ons, een bijzondere sfeer – nesjama jetera genaamd – die moeilijk te omschrijven is in nuchter proza, maar waarvan het exclusieve karakter elke traditioneel levende Jood bij ervaring bekend is. Alles is anders op Sjabbat en dit anders-zijn is het bekorende. Het geheim van de Sjabbat ligt niet in het feit, dat deze een vrije dag is. Uit de ervaringen met de vijfdaagse werkweek weten wij immers, dat het zonder meer vrij zijn geen waarborgen biedt voor een verheven sfeer, die ons opheft uit de wereld van het alle- daagse, met zijn alledaagse verlangens, met zijn hang naar het materiële, met zijn oppervlakkige geneugten, die ons door de verborgen verleiders van onze tijd worden. voorgehouden. In zinloze verlokking.

    Een werkelijk vrij zijn eist voorwaarden, die in een hogere richting stuwen. “De ware vrijheid luistert naar de wetten” heeft Jacques Perk eens gedicht. Het Jodendom heeft deze waarheid door de eeuwen heen ervaren, doordat het geluisterd heeft naar de wetten en daarmede en daardoor tot een ‘bijzondere beleving van de vrijheid kwam.
    De Sjabbatviering is daarvan een voorbeeld. Zonder de sjoeldiensten, zonder het werkverbod is onze Sjabbat een vrije dag zonder meer; leeg en dor. Mèt deze voorschriften wordt zij de tegenspeelster van alles wat neerhaalt, beklemt. Zo geeft zij een zin aan ons leven.

    De Sjabbat is voor Israël een kostbaar bezit. Mogen wij deze dag als zodanig blijven waarderen en blijven genieten van haar uitzonderlijke kracht.
    Van haar nesjama jetera.

    M.M. Poppers

    - See more at: http://www.nik.nl/de-sjabbat-tussen-mij-en-het-volk-isral-zal-zij-tot-een-teken-zijn-voor-alle-tijden-sjemotex-3117/#sthash.kzmaH4Rc.dpuf


    In al uw woningen


    Exodus 12:20 
    Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten.

    Leviticus 3:17 
    Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult gij eten.

    Leviticus 23:3 
    Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is des HEEREN sabbat, in al uw woningen.

    Leviticus 23:14
    En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dienzelven dag, dat gij de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.

    Leviticus 23:21 
    En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw geslachten.

    Leviticus 23:31 
    Gij zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.

    Numeri 35:29 
    En deze dingen zullen ulieden zijn tot een inzetting van recht, bij uw geslachten, in al uw woningen.

    Ezra 6:6 
    In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw drekgoden verbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen, en uw werken uitgedelgd worden.


    Openbaring 7

    De verzegelden uit de twaalf stammen
    En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enigen boom.
    En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, welke macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen,
    Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.
    En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls. (Ook de ingeënte)
    Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld;
    Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld;
    Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;
    Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld.

    Leviticus 25

    55 Want de kinderen Israëls zijn Mij tot dienstknechten; Mijn dienstknechten zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!

    Lukas 12

    Weest waakzaam
    35 Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende.
    36 En zijt gij den mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen.
    37 Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen.
    38 En zo hij komt in de tweede nachtwake, en komt in de derde wake, en vindt hen alzo, zalig zijn dezelve dienstknechten.
    39 Maar weet dit, dat, indien de heer des huizes geweten had, in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.
    40 Gij dan, zijt ook bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.

    Lukas 13
    10 En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen.
    14 En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.

    Handelingen 2

    18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.

    Ezechiël 9:4

    En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden.

    Romeinen 4

    11 En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;
    12 En een vader der besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, hetwelk in de voorhuid was.


    Hooglied 8

    6 Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.

    Exodus 34

    Vernieuwing van het verbond
    10 Toen zeide Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe.



    Mat 2,23 
    En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Názareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazaréner zal geheten worden.

    Mat 26,71 
    En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zeide tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus den Nazaréner.

    Mar 1,24 
    Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazaréner, zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.

    Mar 10,47 
    En horende, dat het Jezus de Nazaréner was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.

    Mar 14,67 
    En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazaréner.

    Mar 16,6 
    Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazaréner, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.

    Luk 4,34 
    Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazaréner? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.

    Luk 18,37 
    En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazaréner voorbijging.

    Luk 24,19 
    En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus den Nazaréner, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk.

    Joh 18,5 
    Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazaréner. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.

    Joh 18,7 
    Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazaréner.

    Joh 19,19 
    En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE NAZARÉNER, DE KONING DER JODEN.

    Hand 2,22
    Gij Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazaréner, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;

    Hand 3,6 
    En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geve ik u; in den Naam van Jezus Christus, den Nazaréner, sta op en wandel!

    Hand 4,10 
    Zo zij u allen kennelijk, en het ganse volk Israël, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazaréner, Dien gij gekruist hebt, Welken God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond.

    Hand 6,14 
    Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazaréner, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.

    Hand 22,8 
    En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazaréner, Welken gij vervolgt.


    Ez 9,4 
    En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden.

    Op 7,3 
    Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.

    Op 9,4 
    En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.

    Op 13,16 
    En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;

    Op 14,1 
    En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden.

    Op 22,4 
    En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.