10 Commandments

Exodus 20:

And God spake all these words, saying,

I am the Lord thy God, which have brought thee out of the land of Egypt, out of the house of bondage. 

 

Thou shalt have no other gods before me.

 

Thou shalt not make unto thee any graven image, or any likeness of any thing that is in heaven above, or that is in the earth beneath, or that is in the water under the earth.

Thou shalt not bow down thyself to them, nor serve them: for I the Lord thy God am a jealous God, visiting the iniquity of the fathers upon the children unto the third and fourth generation of them that hate me;

And shewing mercy unto thousands of them that love me, and keep my commandments.

 

Thou shalt not take the name of the Lord thy God in vain; for the Lord will not hold him guiltless that taketh his name in vain.

 

Remember the sabbath day, to keep it holy.

Six days shalt thou labour, and do all thy work:

10 But the seventh day is the sabbath of the Lord thy God: in it thou shalt not do any work, thou, nor thy son, nor thy daughter, thy manservant, nor thy maidservant, nor thy cattle, nor thy stranger that is within thy gates:

11 For in six days the Lord made heaven and earth, the sea, and all that in them is, and rested the seventh day: wherefore the Lord blessed the sabbath day, and hallowed it.

 

12 Honour thy father and thy mother: that thy days may be long upon the land which the Lord thy God giveth thee.

 

13 Thou shalt not murder.

 

14 Thou shalt not commit adultery.

 

15 Thou shalt not steal.

 

16 Thou shalt not bear false witness against thy neighbour.

 

17 Thou shalt not covet thy neighbour's house, thou shalt not covet thy neighbour's wife, nor his manservant, nor his maidservant, nor his ox, nor his ass, nor any thing that is thy neighbour's.

 

 

These commandments are also used into the Dutch Government LAWS

who DENY that YHWH exists.

 

Source:

 

 

Number 1

Exodus 20:

Thou shalt have no other gods before me.

 

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

 

In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk,

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:

 

Source:

 

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

 

Source:

https://wetten.overheid.nl/BWBR0036799/2015-07-08

 

 

Zo waarlijk helpe mij God almachtig

 

 

Artikel 49: Ambtsaanvaarding; ambtseed
Grondwet van 2018
Hoofdstuk 2: Regering
Paragraaf 2: Koning en ministers


Artikel 49 

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

 

Inhoud

  1. Toelichting
  2. Formele toelichting
  3. In eenvoudig Nederlands
  4. Ontwikkeling artikel

 

1.

Toelichting

In de Grondwet is geen letterlijke tekst opgenomen voor de eed of belofte die nieuwe ministers en staatssecretarissen moeten afleggen. Net als voor de eed die de Koning aflegt, staat in de Grondwet alleen de zakelijke inhoud van de eed.

In de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal is de inhoud van de eed of belofte vastgelegd.

De eed of belofte mag op grond van de Wet gebruik Fries in het rechtsverkeer ook in het Fries worden afgelegd.

 

2.

Formele toelichting

Voor de eden en beloften die nieuw optredende ministers en staatssecretarissen moeten afleggen, heeft de Grondwet zich, in navolging van hetgeen in de eerste paragraaf over de door de Koning af te leggen eden en beloften is opgenomen, beperkt tot het aangeven van de zakelijke inhoud ervan (artikel 49).

De voorgeschreven eed of belofte houdt ook in, dat zal dienen te worden gehandeld overeenkomstig geschreven dan wel ongeschreven normen die voor de getrouwe vervulling van het ambt in acht moeten worden genomen. In de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal is de inhoud van deze eed of belofte vastgelegd.

 

3.

In eenvoudig Nederlands

Ministers en staatssecretarissen moeten drie dingen beloven of zweren:

  • 1. 
    dat zij zich niet hebben laten omkopen en dat ze zich niet zullen laten omkopen;
  • 2. 
    dat zij zich aan de Grondwet zullen houden;
  • 3. 
    dat zij hun werk goed zullen doen.

In de wet staat hoe ze dit moeten doen.

 

Uitleg

Voordat de ministers en staatssecretarissen aan het werk gaan moeten ze een aantal dingen beloven. Dit staat in de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal.

In de eerste plaats moeten ze beloven dat ze zich niet laten omkopen. Ministers en staatssecretarissen mogen geen geld en cadeaus krijgen van mensen die op deze manier hun werk willen beïnvloeden.

In de tweede plaats moeten ze beloven dat ze zich aan de Grondwet zullen houden. Ze mogen geen dingen doen die de Grondwet verbiedt.

In de derde plaats moeten ze beloven dat ze hun werk goed zullen doen.

De ministers en staatssecretarissen mogen deze drie dingen beloven, maar ze mogen dit ook zweren. Voor de wet maakt dat geen verschil. Ze mogen kiezen tussen een belofte doen: 'Dat beloof ik' of een eed zweren: 'Zo waarlijk helpe mij God almachtig'.

 

 

Source:

 

Geloof en religie


Inhoud
Vrijheid van godsdienst
Uit lidmaatschap Kerkelijk Leerstelsel volgen geen burgerlijke voordeelen of nadeelen
Kerkgenootschappen zorgen voor onderhoud Eerdienst
Godsdienst-oefening wordt verrigt in gebouwen met ontsloten deuren
Uiterlijke godsdienstkenmerken alleen binnen Kerkgebouw
19.
Vrijheid van godsdienst
Elk Burger heeft vrijheid, om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart. De Maatschappij verleent, ten dezen opzigte, aan allen gelijke zekerheid en bescherming; mids de openbaare orde, door de Wet gevestigd, door hunnen uiterlijken eerdienst nimmer gestoord worde.

Eventuele toelichting, andere versies en achtergronddocumenten
20.
Uit lidmaatschap Kerkelijk Leerstelsel volgen geen burgerlijke voordeelen of nadeelen
Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan de belijdenis van eenig Kerkelijk Leerstelsel gehegt.

Eventuele toelichting, andere versies en achtergronddocumenten
21.
Kerkgenootschappen zorgen voor onderhoud Eerdienst
Elk Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen Eerdienst, deszelfs Bedienaaren en Gestigten.

Eventuele toelichting, andere versies en achtergronddocumenten
22.
Godsdienst-oefening wordt verrigt in gebouwen met ontsloten deuren
De gemeenschaplijke Godsdienst-oefening wordt verrigt binnen de daartoe bestemde Gebouwen, en wel met ontsloten deuren.

Eventuele toelichting, andere versies en achtergronddocumenten
23.
Uiterlijke godsdienstkenmerken alleen binnen Kerkgebouw
Niemand zal met eenig orde's-kleed, of teeken, van een Kerklijk Genootschap, buiten zijn Kerkgebouw verschijnen.

Eventuele toelichting, andere versies en achtergronddocumenten

 

Source:

https://www.denederlandsegrondwet.nl/id/vi48khzkt9ys/geloof_en_religie

 

 

 

Artikel 3 
  • 1Deze wet is ook verbindend voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

  • 2Zij treedt in werking op den 1sten September 1891.

 

 

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven op het Loo, den 22sten Juni 1891

EMMA.

De Minister van Buitenlandsche Zaken,

HARTSEN.

De Minister van Justitie,

RUYS VAN BEERENBROEK.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

DE SAVORNIN LOHMAN.

De Minister van Marine,

KRUYS.

De Minister van Financiën,

GODIN DE BEAUFORT.

De Minister van Oorlog,

J. W. BERGANSIUS.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid,

HAVELAAR.

De Minister van Koloniën,

MACKAY.

Uitgegeven den achtsten Juli 1891.

De Minister van Justitie,

RUYS VAN BEERENBROEK.

 

Source:

 

 

Number 2

Exodus 20:

Thou shalt not make unto thee any graven image,

or any likeness of any thing

that is in heaven above,

or that is in the earth beneath,

or that is in the water under the earth.

 

 

Artikel 137c

1

Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

2

Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.


Artikel 137d

1

Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

2

Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.


Artikel 137e

1

Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

1

een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap;

2

een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is vervat, aan iemand, anders dan op diens verzoek, doet toekomen, dan wel verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft;

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

2

Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

3

Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in dit artikel, in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het feit, nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.


Artikel 137fHij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wo

 

Source:

 

Number 3

Exodus 20:

Thou shalt not take the name of the Lord 

thy God in vain;

for the Lord will not hold him guiltless

that taketh his name in vain.

 

Artikel 147

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

1

hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;

2

hij die een bedienaar van de godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening bespot;

3

hij die voorwerpen aan een eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die dienst geoorloofd is, beschimpt.


Artikel 147a

1

Hij die een geschrift of afbeelding waarin uitlatingen voorkomen die, als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige uitlatingen voorkomen, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

2

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.

3

Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

 

Source:

 

Source:

 

Van 1 september 1886 tot 1 maart 2014 was het in Nederland wettelijk verboden godsdienstige gevoelens te krenken. Bij Wet van 4 november 1932 werd een nieuw eerste lid toegevoegd dat 'smalende Godslasteringen' strafbaar stelde.

 

Nederland brontekst bewerken]

Nederland kende tot 1 maart 2014 wettelijke verboden op godslastering.[10] De strafbepalingen met betrekking tot godslastering gelden nog wel op het Caribisch Nederland.[11]

Misdrijf tegen de openbare orde (1886)[bewerken | brontekst bewerken]

Van 1 september 1886 tot 1 maart 2014 was het in Nederland wettelijk verboden godsdienstige gevoelens te krenken. Bij Wet van 4 november 1932[12] werd een nieuw eerste lid toegevoegd dat 'smalende Godslasteringen' strafbaar stelde.

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

  • 1°. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;
  • 2°. hij die een bedienaar van den godsdienst in de geoorloofde waarneming zijner bediening bespot;
  • 3°. hij die voorwerpen aan eenen eeredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van dien dienst geoorloofd is, beschimpt.

— Artikel 147 van het Wetboek van StrafrechtWet inzake smalende godslastering (1932)[bewerken | brontekst bewerken]Achtergrond

In de marxistische (communistische) ideologie wordt godsdienst beschouwd als een roesmiddel waarmee de arbeidersklasse haar uitzichtloze situatie kan vergeten (de 'opium van het volk'). Lenin zag het tevens als een middel waarmee de kapitalistische machthebbers het proletariaat zoet houden met een belofte van een zalig hiernamaals. Deze 'opium voor het volk' zou de arbeiders afhouden van de revolutie die de communistische heilstaat zou vestigen. Het Nederlandse communistische dagblad De Tribune publiceerde tegen die achtergrond artikelen en spotprenten tegen de godsdienst, met daarin teksten als 'God beteekent imperialistische oorlog. Christus.' en 'Opium is goedkoop in deze dagen [= de kerstdagen].' Vlak voor Kerstmis 1930 publiceerde het blad een artikel dat opriep het kerstfeest af te schaffen ('Weg met het kerstfeest!'). Twee jaar later toonde het blad een spotprent waarin twee arbeiders de bijl aan het Kruis van Christus zetten.[13]

Voor minister van justitie Jan Donner, de grootvader van de latere minister Piet Hein Donner, was dit de aanleiding voor de Wet inzake smalende godslastering — die daarom ook wel de Lex Donner ('wet-Donner') werd genoemd. Op openbare godslastering in woord of beeld werd een gevangenisstraf (respectievelijk maximaal 1 en 3 maanden) of een geldboete (maximaal ƒ 100,- en ƒ 150,-) gesteld.

Donner wilde uitingen bestraffen die in haar uitdrukkingswijze zelf een honen van de persoon Gods bevatten. Kritiek leveren op God en het geloof werd door de nieuwe wet niet verboden.[14][15]

Inhoud[bewerken | brontekst bewerken]

De bepalingen zijn als volgt in het wetboek van strafrecht terechtgekomen:

  • Onder de "Misdrijven tegen de openbare orde":
    • Artikel 147 sub 1 verbiedt 'smalende godslasteringen' als die in het openbaar geuit worden en krenkend zijn voor godsdienstige gevoelens. Dit geldt zowel voor gesproken als voor geschreven teksten en voor afbeeldingen. (maximumstraf: 3 maanden gevangenis)[16]
    • Artikel 147 sub 2 verbiedt bespotting van predikanten, priesters en dergelijke '"in de waarneming van hun bediening".
    • Artikel 147 sub 3 verbiedt beschimping van aan de eredienst gewijde voorwerpen.
    • Artikel 147a lid 1 en 2 betreft het uitgeven of ten gehore brengen van godslasterlijke publicaties. Daarop staat maximaal twee maanden gevangenis.
    • Artikel 147a lid 3 bepaalt dat iemand die binnen twee jaar herhaaldelijk wordt veroordeeld voor een dergelijke publicatie uit zijn beroep (van uitgever) gezet kan worden.
  • Onder de "Overtredingen betreffende de openbare orde":
    • Artikel 429bis stelt een maand gevangenisstraf op het aan de openbare weg tonen van krenkende, godslasterlijke leuzen en afbeeldingen.[17]

Gerard Reve

In 1966 (het jaar van zijn toetreding tot de Katholieke Kerk) moest de auteur Gerard Reve voor de rechtbank in Amsterdam verschijnen na een aanklacht wegens godslastering, wegens een passage in Nader tot U waarin Reve beschrijft hoe hij gemeenschap heeft met een als ezel geïncarneerde God.[18]

 

Source:

 

Number 4

Exodus 20:

Remember the sabbath day, to keep it holy.

 

Remember the sabbath day, to keep it holy.

Six days shalt thou labour, and do all thy work:

10 But the seventh day is the sabbath of the Lord thy God: in it thou shalt not do any work, thou, nor thy son, nor thy daughter, thy manservant, nor thy maidservant, nor thy cattle, nor thy stranger that is within thy gates:

11 For in six days the Lord made heaven and earth, the sea, and all that in them is, and rested the seventh day: wherefore the Lord blessed the sabbath day, and hallowed it.

 

Zondagswet

Geldend van 01-04-1994 t/m heden

         

Wet van 15 October 1953, houdende nadere voorschriften ter wegneming van beletselen voor de viering van en ter verzekering van de openbare rust op de Zondag en enige Christelijke feestdagen

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wet van 1 Maart 1815, Staatsblad no. 21, houdende voorschriften ter viering van de dagen aan de openbare Christelijke Godsdienst toegewijd, te vervangen door nadere voorschriften ter wegneming van beletselen voor de viering van en ter verzekering van de openbare rust op de Zondag en enige Christelijke feestdagen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1    
  • Voor de toepassing van deze wet worden de Hemelvaartsdag en de eerste Kerstdag met de Zondag gelijkgesteld.

  • Voor de toepassing van artikel 2 worden de tweede Paas-, Pinkster- en Kerstdag, de Goede Vrijdag en de Nieuwjaarsdag met de Zondag gelijkgesteld.

Artikel 2
    • 3 
     
  • 1Het is verboden op Zondag in de nabijheid van kerken of andere gebouwen voor de openbare eredienst in gebruik, zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, waardoor de godsdienstoefening wordt gehinderd.

  • 2De burgemeester treft de nodige maatregelen teneinde te voorkomen, dat op Zondag door het verkeer op land- en waterwegen in de nabijheid van kerken of andere gebouwen voor de openbare eredienst in gebruik, meer voor de godsdienstoefeningen hinderlijk gerucht wordt veroorzaakt dan met het oog op de eisen van dat verkeer redelijkerwijze onvermijdelijk is. Hij is bevoegd daartoe verbiedend of bevelend op te treden of te doen optreden.

Artikel 3
    • 14 
     
  • 1Het is verboden op Zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is.

  • 2Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op uitingen tijdens geoorloofde samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergaderingen of betogingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Voor zover dat vereist is ter voorkoming van gerucht dat de viering van de Zondag en de openbare rust op de Zondag ernstig verstoort, voegt de burgemeester aan de voorschriften en beperkingen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties voorschriften en beperkingen toe met betrekking tot het geluidsniveau en met betrekking tot het gebruik van geluidsapparaten, of worden door hem aanwijzingen ter zake gegeven.

  • 3Voor andere gevallen dan die bedoeld in het tweede lid kan de burgemeester voor de tijd na 13 uur ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid; de gemeenteraad kan ter zake regels stellen.

Artikel 4
    • 15 
     
  • Het is verboden op Zondag voor 13 uur openbare vermakelijkheden te houden, daartoe gelegenheid te geven of daaraan deel te nemen.

  • De gemeenteraad kan bij plaatselijke verordening voor de tijd na 13 uur voor door hem aan te wijzen openbare vermakelijkheden eenzelfde verbod vaststellen als in het eerste lid vervat.

  • De burgemeester is bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde bij het eerste en krachtens het tweede lid; de gemeenteraad kan terzake regels stellen.

  • Ten aanzien van openbare vermakelijkheden, waarvan redelijkerwijze geen beletselen voor de viering van de Zondag en geen verstoring van de openbare rust op de Zondag zijn te duchten, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald, dat zij niet als openbare vermakelijkheden in de zin van deze wet zullen worden beschouwd.

Artikel 5
    • 1 
     
  •  is verboden op Zondag voor 13 uur optochten of bijeenkomsten op openbare plaatsen te houden, daartoe gelegenheid te geven, of daaraan deel te nemen.

  • Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging;

    • b.wandeltochten die niet door muziek worden begeleid.

  • Met betrekking tot de in het tweede lid onder a bedoelde samenkomsten voegt de burgemeester, voor zover dat vereist is ter voorkoming van onnodige verstoring van de openbare rust op de Zondag, aan de voorschriften en beperkingen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties voorschriften en beperkingen toe met betrekking tot tijd, plaats en duur van zodanige samenkomsten, of worden door hem aanwijzingen ter zake gegeven.

Artikel 5a    
  • Artikel 3, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, zijn in een gemeente of groep van gemeenten niet van toepassing op door Gedeputeerde Staten aangewezen, bij het in werking treden dezer wet aldaar bestaande tradities en gebruiken, welke naar hun oordeel in het volksleven zijn geworteld en niet als openbare vermakelijkheden in de zin van deze wet zijn te beschouwen. Aanwijzing kan slechts geschieden binnen 18 maanden na het in werking treden van dit artikel. Alvorens Gedeputeerde Staten tot aanwijzing overgaan horen zij burgemeester en wethouders.

  • Artikel 3, derde lid, en artikel 4, derde lid, zijn niet van toepassing in door Gedeputeerde Staten aangewezen gemeenten, waar naar hun oordeel het verlenen van ontheffing zou indruisen tegen godsdienstige overtuigingen, welke het volksleven aldaar overwegend beheersen. Alvorens Gedeputeerde Staten tot aanwijzing overgaan, horen zij burgemeester en wethouders.

Artikel 6
    • 3 
     

Het is verboden op Zondag zonder genoegzame reden de openbare rust door arbeid in beroep of bedrijf te verstoren.

Artikel 7
    • 1 
     
  • Plaatselijke verordeningen tot regeling van punten, waaromtrent bij deze wet niet is voorzien, mogen geen verbodsbepalingen inhouden omtrent sportbeoefening of andere vormen van ontspanning op Zondag, die niet als openbare vermakelijkheid in de zin van deze wet zijn te beschouwen.

  • Besluiten van een orgaan van de gemeente mogen geen beletselen inhouden voor sportbeoefening of andere vormen van ontspanning op zondag, niet zijnde openbare vermakelijkheden als bedoeld in het eerste lid.

  • Voor de toepassing van het tweede lid worden met een "orgaan van de gemeente" gelijkgesteld:

    • a.een orgaan ingesteld tot uitvoering van een gemeenschappelijke regeling; en

    • b.een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen voor zover het betreft besluiten ten aanzien van de exploitatie van een inrichting voor sportbeoefening of andere vormen van ontspanning waarvan de gemeente eigenaresse is of ten behoeve waarvan de gemeente een bijdrage in welke vorm dan ook heeft verleend na 8 mei 1974.

  • De gemeenteraad kan bij plaatselijke verordening bepalen, dat artikel 2 mede van toepassing zal zijn op in de verordening met name genoemde dagen, welke door een of meer kerkgenootschappen tot rust- of feestdagen zijn bestemd.

Artikel 8    
Artikel 9    

[Vervallen per 01-09-1976]

Artikel 10    

De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 11    

[Vervallen per 01-04-1994]

Artikel 12    

Bij het in werking treden van deze wet vervalt de wet van 1 Maart 1815 (Staatsblad no. 21), zoals deze laatstelijk is gewijzigd, zomede het Besluit van de Souvereine Vorst van 1 October 1814, no. 68.

Artikel 13    

Deze wet kan worden aangehaald onder de benaming "Zondagswet".

 

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 15 October 1953

JULIANA.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

BEEL.

Uitgegeven de zeventiende November 1953.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

Terug naar begin van de pagina

 

 

Permanente link

Kopieer één van de onderstaande links of verfijn de link in de Linktool.

Kopieer een link

  1. link met citeertitel
     
    Link kopiëren
  2. url
     
    Link kopiëren
  3. juriconnect-verwijzing
     
    Link kopiëren

Verfijn in Linktool

Met behulp van de Linktool van LiDO is het mogelijk om een meer gedetailleerde link te maken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om een link te maken naar een specifiek lid van een artikel.

Ga naar de Linktool

Sluit

 

 

Externe relaties (0)

Op linkeddata.overheid.nl zijn onderstaande relaties bekend.

 
Sluit

 

 

Vergelijk versies

Er is geen andere versie beschikbaar waarmee u de huidige geselecteerde versie, inwerkinggetreden op , kan vergelijken.

Selecteer een andere versie waarmee u de huidige geselecteerde versie, inwerkinggetreden op , wilt vergelijken.

Inwerkingtreding  Selecteer een datum... 
Sluit

 

 

Keuze afdrukken regeling

U kunt kiezen voor het toevoegen van de wetstechnische informatie aan de tekst.

Toevoegen van wetstechnische informatie Exclusief wetstechnische informatie Inclusief wetstechnische informatieSluit

 

 

Exporteer regeling

U kunt kiezen in welk formaat de tekst geëxporteerd wordt.

Formaat XML (De tekst zal worden geleverd in een .xml-bestand) TXT (De tekst zal worden geleverd in een .txt-bestand) RTF (Maak deze keuze als u de tekst wilt (her)gebruiken in een tekstverwerkingsprogramma)

U kunt de tekst inclusief afbeeldingen exporteren. De afbeeldingen worden dan met de tekst in een .zip-bestand geleverd

Afbeeldingen Tekst zonder afbeeldingen exporteren Tekst met afbeeldingen exporteren
Sluit

 

 

 

Source:

 

 

Source:

 

Voor­stel van wet tot in­trek­king van de Zon­dags­wet en wij­zi­ging van de Ge­meen­te­wet in ver­band met de be­scher­ming van sport­be­oe­fe­ning en an­de­re vor­men van ont­span­ning op zon­dag (In­trek­kings­wet Zon­dags­wet), met me­mo­rie van toe­lich­ting.

Kenmerk W04.16.0185/IDatum advies 25 augustus 2016Vindplaats Kamerstukken II 2015/2016, 34 529, nr. 4

 

Source:

 

 

Einde aan de Zondagswet

Publicatiedatum: 11 maart 2016

 

De Zondagswet die nu nog activiteiten beperkt op zondag, houdt binnenkort op te bestaan. Minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken volgt daarin de Tweede Kamer, die in 2012 al voorstelde om de wet op te doeken.  

Gemeenten blijven betrokken

In 1953 werd de wet ingesteld om de christelijke kerkgang niet te belemmeren. Na onderzoek en beraad wil de minister er nu van afstappen. Wel bepalen gemeenten nog in grote lijnen wat er binnen hun grenzen gebeurt op zondag. Ze kunnen bijvoorbeeld regelen dat de rust bewaard wordt rond een kerk.

Langdurig besluit

Plasterk wilde zorgvuldig omspringen met de kwestie omdat de zondagsrust voor veel mensen een belangrijke symbolische waarde heeft. Daarom duurde het lang voordat de beslissing genomen was. De minister vindt het uiteindelijk geen taak voor de Staat om zondagsrust te bepalen. “Er is een scheiding tussen Kerk en Staat en voor anderen tellen zaterdag of vrijdag weer sterker mee.”

Kanttekening

De Zondagswet verbiedt daarentegen ook dat er maar van alles verboden wordt op zondag. Deze eis verdwijnt dus ook met de wet. Plasterk vindt dat dit punt goed in de gaten moet worden gehouden bij de nieuwe situatie.

(Bron: ANP)

Bewaart u de rust op zondag?

 

Source:

 

 

 

Number 5

Exodus 20:

Thou shalt not steal.

Artikel 310

Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

 

Source:

 

Exodus 22:1-20

 

    Wetten over diefstal
  1. Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.
  2. Indien een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn.
  3. Indien de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij.
  4. Indien de diefstal levend in zijn hand voorzeker gevonden wordt, hetzij os, of ezel, of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven.
  5. Wanneer iemand een veld, of een wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in eens anders veld weidt, die zal het van het beste zijns velds en van het beste zijns wijngaards wedergeven.
  6. Wanneer een vuur uitgaat, en vat de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koorn, of het veld; hij, die den brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven.
  7. Wanneer iemand zijn naaste geld of vaten te bewaren geeft, en het wordt uit diens mans huis gestolen; indien de dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven.
  8. Indien de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer des huizes tot de goden gebracht worden, of hij niet zijn hand aan zijns naasten have gelegd heeft.
  9. Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleding, over al het verlorene, hetwelk iemand zegt, dat het zijn is, beider zaak zal voor de goden komen; wien de goden verwijzen, die zal het aan zijn naaste dubbel wedergeven.
  10. Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel, of os, of klein vee, of enig beest te bewaren geeft, en het sterft, of het wordt verzeerd, of weggedreven, dat het niemand ziet;
  11. Zo zal des Heeren eed tussen hen beiden zijn, of hij niet zijn hand aan zijns naasten have geslagen heeft; en derzelver heer zal dien aannemen; en hij zal het niet wedergeven.
  12. Maar indien het van hem zekerlijk gestolen is, hij zal het zijn heer wedergeven.
  13. Is het gewisselijk verscheurd, dat hij het brenge tot getuige, zo zal hij het verscheurde niet wedergeven.
  14. En wanneer iemand van zijn naaste wat begeert, en het wordt beschadigd, of het sterft; zijn heer daar niet bij zijnde, zal hij het volkomen wedergeven.
  15. Indien zijn heer daarbij geweest is, hij zal het niet wedergeven; indien het gehuurd is, zo is het voor zijn huur gekomen.
  16. Wanneer nu iemand een maagd verlokt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe zij.
  17. Indien haar vader ganselijk weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven naar den bruidschat der maagden.
  18. De toveres zult gij niet laten leven.
  19. Al wie bij een beest ligt, die zal zekerlijk gedood worden.
  20. Wie den goden offert, behalve den Heere alleen, die zal verbannen worden.

Number 6

Exodus 20:

Thou shalt not murder

 

Source:

 

Artikel 136

    • 2 

     

  • 1Hij die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van een der in de artikelen 92-110 omschreven misdrijven, tot desertie in tijd van oorlog, tot militair verraad, tot moord, mensenroof of verkrachting of tot een der in Titel VII van dit Boek omschreven misdrijven dan wel een terroristisch misdrijf, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven, hetzij aan de ambtenaren van de justitie of politie, hetzij aan de bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

  • 2Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, kennis dragende van enig in het eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf waardoor levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip waarop de gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat daarvan gelijke kennisgeving te doen.

 

Artikel 289

    • 2312 

     

Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

 

Artikel 291

    • 29 

 

De moeder die, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kindermoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

 

Artikel 292

    • 5 

     

De in de artikelen 290 en 291 omschreven misdrijven worden ten aanzien van anderen die er aan deelnemen als doodslag of als moord aangemerkt.

 

Artikel 295

    • 14 

     

  • 2Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 287 tot en met 289 omschreven, het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

 

Source:

 

Deze wet wordt aangehaald als: Overleveringswet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 29 april 2004

Beatrix

De Minister van Justitie , J. P. H. Donner

Uitgegeven de elfde mei 2004

De Minister van Justitie ,

j
P. H. Donner

Bijlage 1. bij de Overleveringswet

Lijst van strafbare feiten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Overleveringswet

1
deelneming aan een criminele organisatie;

2
terrorisme;

3
mensenhandel;

4
seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;

5
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;

6
illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

7
corruptie;

8
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;

9
witwassen van opbrengsten van misdrijven;

10
vervalsing met inbegrip van namaak van de euro;

11
informaticacriminaliteit;

12
milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde planten- en boomsoorten;

13
hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf;

14
moord en doodslag, zware mishandeling;

15
illegale handel in menselijke organen en weefsels;

16
ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling;

17
racisme en vreemdelingenhaat;

18
georganiseerde of gewapende diefstal;

19
illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen;

20
oplichting;

21
racketeering en afpersing;

22
namaak van producten en productpiraterij;

23
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen;

24
illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars;

25
illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen;

26
handel in gestolen voertuigen;

27
verkrachting;

28
opzettelijke brandstichting;

29
misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen;

30
kaping van vliegtuigen of schepen;

31
sabotage.

Bijlage 2. bij de Overleveringswet

Model voor het Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Overleveringswet

Europees arrestatiebevel

Dit bevel is uitgevaardigd door een bevoegde rechterlijke autoriteit. Ik verzoek om aanhouding en overlevering van de hieronder genoemde persoon met het oog op strafvervolging of tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

a) Gegevens betreffende de identiteit van de gezochte persoon

Naam: ........................................................................................................................

...................................................................................................................................

Voornaam of voornamen: ............................................................................................

..................................................................................................................................

Meisjesnaam, in voorkomend geval: .............................................................................

Bijnamen, in voorkomend geval: ...................................................................................

Geslacht: .....................................................................................................................

Nationaliteit: ................................................................................................................

Geboortedatum: ..........................................................................................................

Geboorteplaats: ...........................................................................................................

Verblijfplaats en/of bekend adres: ................................................................................

Indien bekend: taal/talen die de gezochte persoon begrijpt: ...........................................

...................................................................................................................................

Bijzondere kenmerken/beschrijving van de gezochte persoon: ...........

...................................................................................................................................

Foto en vingerafdrukken van de gezochte persoon, indien die beschikbaar zijn en mogen worden verzonden, of contactadres van de persoon die gecontacteerd moet worden om die informatie of een DNA-profiel te verkrijgen (indien deze gegevens beschikbaar zijn en toegezonden mogen worden, maar niet zijn opgenomen)

b) Besluit dat aan dit aanhoudingsbevel ten grondslag ligt

1
Aanhoudingsbevel of een gelijkwaardige rechterlijke beslissing:

Soort: ...........................................................................................................................

2
Voor uitvoerlegging vatbaar vonnis: ............................................................................

.....................................................................................................................................

Referentie: .....................................................................................................................

c) Gegevens betreffende de duur van de straf

1
Maximumduur van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die voor het strafbare feit/de strafbare feiten kan worden opgelegd: ....................................

........................................................................................................................................

2
Duur van de opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel:

........................................................................................................................................

Nog uit te zitten straf: ........................................................................................................

........................................................................................................................................

d) Het vonnis is bij verstek gewezen

- de betrokkene is persoonlijk gedagvaard of anderszins in kennis gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid,

of

- de betrokkene is niet persoonlijk gedagvaard of anderszins in kennis gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid, maar heeft de volgende juridische garanties na zijn overlevering: ......................................................................................

.......................................................................................................................................

Juridische garanties: ..........................................................................................................

........................................................................................................................................

e) Strafbare feiten

Dit bevel heeft betrekking op in totaal ............................... strafbare feiten.

Beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd/de strafbare feiten zijn gepleegd, met inbegrip van het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit/de strafbare feiten .....................................................................

..............................................................................................................................................

Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepaling/wetboek: .....................................................

.......................................................................................................................................

i
Geef in voorkomend geval aan of het gaat om één of meer van de volgende strafbare feiten waarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat (vakje aankruisen):

? Deelneming aan een criminele organisatie

? Terrorisme

? Mensenhandel

? Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

? Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

? Illegale handel in wapens, munitie en explosieven

? Corruptie

? Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

? Witwassen van opbrengsten van misdrijven

? Valsemunterij met inbegrip van namaak van de euro

? Informaticacriminaliteit

? Milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten

? Hulp aan illegale binnenkomst en illegaal verblijf

? Moord en doodslag, zware mishandeling

? Illegale handel in menselijke organen en weefsels

? Ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling

? Racisme en vreemdelingenhaat

? Georganiseerde of gewapende diefstal

? Illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen

? Oplichting

? Racketeering en afpersing

? Namaak van producten en productpiraterij

? Vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten

? Vervalsing van betaalmiddelen

? Illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars

? Illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen

? Handel in gestolen voertuigen

? Verkrachting

? Opzettelijke brandstichting

? Misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen

? Kaping van vliegtuigen of schepen

? Sabotage.

ii
Volledige omschrijving van het strafbare feit of de strafbare feiten die niet onder de in punt I genoemde strafbare feiten vallen:

......................................................................................................................................

......................................................................................................................................

f) Andere voor de zaak relevante omstandigheden (facultatieve informatie)

(NB: bijvoorbeeld opmerkingen over extra-territorialiteit, stuiting van de verjaring en andere gevolgen van het strafbare feit) ...................................

.....................................................................................................................................

g) Dit bevel heeft tevens betrekking op de inbeslagneming en de overdracht van voorwerpen die als bewijsmiddel moeten dienen. Dit bevel heeft tevens betrekking op de inbeslagneming en de overdracht van voorwerpen die de gezochte persoon uit het strafbare feit heeft verkregen

Beschrijving en plaats van de voorwerpen (indien bekend):

.......................................................................................................................................

.......................................................................................................................................

.......................................................................................................................................

h) Het strafbare feit/de strafbare feiten dat/die aan dit bevel ten grondslag ligt/liggen, is/zijn strafbaar gesteld met/heeft(hebben) geleid tot een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt:

- de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat voorziet in de herziening van de opgelegde straf - op verzoek of ten minste na 20 jaar - strekkende tot niet-uitvoering van de straf en/of

- de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat voorziet in de toepassing van gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de wetgeving of praktijk van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking komt, en die strekken tot niet-uitvoering van de straf.

i) Rechterlijke autoriteit die het bevel heeft uitgevaardigd

Officiële naam: ...............................................................................................................

......................................................................................................................................

Naam van haar vertegenwoordiger: .....................................

......................................................................................................................................

Functie (titel/rang): ..........................................................................................................

.......................................................................................................................................

Dossiernummer: ...............................................................................................................

Adres: .............................................................................................................................

.......................................................................................................................................

tel
(landnummer) (netnummer) (...) .................................................................................

Fax: (landnummer) (netnummer) (...) .................................................................................

e
mailadres: .....................................................................................................................

Adresgegevens van de persoon die moet worden gecontacteerd om de nodig praktische afspraken te maken voor de overlevering:

........................................................................................................................................

Indien een centrale autoriteit is belast met de administratieve toezending en ontvangst van Europese aanhoudingsbevelen:

Naam van de centrale autoriteit: .........................................................................................

Contactpersoon, in voorkomend geval (titel/rang en naam):

.........................................................................................................................................

Adres: ...............................................................................................................................

tel
(landnummer) (netnummer) (...) ..................................................................................

Fax: (landnummer) (netnummer) (...) ..................................................................................

E-mailadres: ......................................................................................................................

Handtekening van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en/of haar vertegenwoordiger:

Naam: ...............................................................................................................................

Functie (titel/rang): .............................................................................................................

Datum: ..............................................................................................................................

Officieel stempel (indien beschikbaar)

 

 

Wijzigingswet Wetboek van Strafrecht, enz. (vervallen verjaringstermijn voor vervolging van moord en enkele andere misdrijven)

 

Geldend van 01-01-2006 t/m heden

 

 

 

 

 

 

 

Wet van 16 november 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven alsmede enige aanpassingen van de regeling van de verjaring en de stuiting van de verjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het Wetboek van Strafrecht de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven te schrappen en de verjaringstermijn voor enige andere misdrijven te verlengen en enkele aanpassingen door te voeren in de regeling omtrent de stuiting van de vervolgingsverjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I
    • 2 
     

[Red: Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.]

Artikel II
    • 2 
     

[Red: Wijzigt de Wet internationale misdrijven.]

Artikel III
    • 2 
     

Ten aanzien van de feiten die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, zijn verjaard, blijven de wettelijke bepalingen inzake de verjaring van toepassing zoals zij luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel IV
    • 2 
     

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

 

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 16 november 2005

Beatrix

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de dertiende december 2005

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

 

 

Source:

 

Number 7

Exodus 20:

Thou shalt not bear false witness

against thy neighbour.

 

Wetboek van Strafrecht

     

     
    Artikel 207

    1
    Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk een valse verklaring onder ede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

    2

    Indien de valse verklaring is afgelegd in een strafzaak ten nadele van de beklaagde of verdachte, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

    3

    Met de eed staat gelijk de belofte of bevestiging die krachtens de wet voor de eed in de plaats treedt.

    4

    Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.

     

     

    Source:

     

    Number 8

    Exodus 20:

    Tou shalt not covet thy neighbour

     

    Thou shalt not covet thy neighbour's house, thou shalt not covet thy neighbour's wife, nor his manservant, nor his maidservant, nor his ox, nor his ass, nor any thing that is thy neighbour's.

     

    Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid

     

    Geldend van 01-07-2015 t/m 31-12-2019

     

     

     

     

     

     

     

    Wet van 17 december 2003, houdende gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid)

    Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om ter uitvoering van de Richtlijn 2000/78/EG, tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PbEG, 2000, L303) alsmede in verband met artikel 1 van de Grondwet, het maken van onderscheid op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs te verbieden;

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

    § 1. Algemeen
      • 2 
         
    Het begrip onderscheid   
    Artikel 1
      • 75 
         

    In deze wet wordt verstaan onder:

    • a.onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe;

    • b.direct onderscheid: indien een persoon op grond van leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;

    • c.indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde leeftijd in vergelijking met andere personen bijzonder treft.

    Intimidatie   
    Artikel 2
      • 2 
         
    • Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid houdt mede in een verbod op intimidatie.

    • Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: gedrag dat met leeftijd verband houdt en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

    § 2. Reikwijdte van het verbod van onderscheid
      • 2 
         
    Arbeid   
    Artikel 3
      • 123 
         

    Onderscheid is verboden bij:

    • a.de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking;

    • b.de arbeidsbemiddeling;

    • c.het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;

    • d.het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het dienstverband van een ambtenaar;

    • e.de arbeidsvoorwaarden;

    • f.het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding;

    • g.de bevordering en

    • h.de arbeidsomstandigheden.

    Vrije beroep   
    Artikel 4
      • 8 
         

    Onderscheid is verboden met betrekking tot de voorwaarden voor en de toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep.

    Beroepsonderwijs   
    Artikel 5
      • 2 
         

    Onderscheid is verboden bij:

    • a.het verlenen van toegang tot en het geven van loopbaanoriëntatie en beroepskeuzevoorlichting;

    • b.het verlenen van toegang tot, het aanbieden van, het afnemen van toetsen tijdens en het afsluiten van onderwijs dat gericht is op de toetreding tot en het functioneren op de arbeidsmarkt.

    Lidmaatschap organisaties   
    Artikel 6
      • 2 
         

    Onderscheid is verboden bij het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of een vereniging van beroepsgenoten. Dit geldt ook voor de voordelen die voortvloeien uit het lidmaatschap van deze organisaties en verenigingen.

    § 3. Uitzonderingen op het verbod van onderscheid
      • 4 
         
    Objectieve rechtvaardiging   
    Artikel 7
      • 160 
         
    • Het verbod van onderscheid geldt niet indien het onderscheid:

      • a.gebaseerd is op werkgelegenheids- of arbeidsmarktbeleid ter bevordering van arbeidsparticipatie van bepaalde leeftijdscategorieën, voor zover dit beleid is vastgesteld bij of krachtens wet;

      • b.betrekking heeft op het beëindigen van een arbeidsverhouding of van het dienstverband van een ambtenaar in verband met het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat, of van een bij of krachtens wet vastgestelde of tussen partijen overeengekomen hogere leeftijd;

      • c.anderszins objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

    • Het eerste lid is niet van toepassing in geval van intimidatie als bedoeld in artikel 2.

    Pensioenen   
    Artikel 8
      • 14 
         
    • Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder pensioenvoorziening: een pensioenvoorziening ten behoeve van een of meer personen, uitsluitend in verband met hun werkzaamheden in een onderneming, bedrijfstak, tak van beroep of openbare dienst, in aanvulling op een wettelijk stelsel van sociale zekerheid en, ingeval van een voorziening ten behoeve van een persoon, anders dan door die persoon zelf tot stand gebracht.

    • Het verbod van onderscheid is niet van toepassing op in pensioenvoorzieningen vastgelegde toetredingsleeftijden en op pensioengerechtigde leeftijden, alsmede op de vaststelling van verschillende toetredings- en pensioengerechtigde leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën van werknemers.

    • Het verbod van onderscheid is niet van toepassing op actuariële berekeningen bij pensioenvoorzieningen waarbij met leeftijd rekening wordt gehouden.

    § 4. Vermelding leeftijdsgrens
      • 2 
         
    Artikel 9
      • 2 
         

    Indien bij een openlijke aanbieding van een betrekking onderscheid op grond van leeftijd wordt gemaakt, wordt de grond daarvan uitdrukkelijk vermeld.

    § 5. Rechtsbescherming
      • 2 
         
    Bescherming tegen represailles   
    Artikel 10
      • 2 
         

    Het is verboden om personen te benadelen wegens het feit dat zij in of buiten rechte een beroep hebben gedaan op deze wet of terzake bijstand hebben verleend.

    Bescherming tegen ontslag   
    Artikel 11
      • 7 
         

    In geval van een beëindiging van de arbeidsverhouding door de werkgever in strijd met artikel 3, of wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op deze wet of ter zake bijstand heeft verleend, is artikel 681 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

    Bewijslast   
    Artikel 12
      • 24 
         
    • Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.

    Nietigheid   
    Artikel 13
      • 25 
         

    Bedingen in strijd met deze wet zijn nietig.

    Het College voor de rechten van de mens   
    Artikel 14
      • 27 
         

    Het College, genoemd in artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet. De artikelen 10, 11, 12, 13, 22 en 23 van de Wet College voor de rechten van de mens zijn van overeenkomstige toepassing.

    § 6. Overgangs- en slotbepalingen
      • 2 
         
    Evaluatie   
    Artikel 15
      • 2 
         

    Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

    Overgangsrecht pensioenontslag   
    Artikel 16
      • 8 
         

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid is tot 2 december 2006 niet van toepassing op onderscheid dat betrekking heeft op het beëindigen van een arbeidsverhouding of het dienstverband van een ambtenaar in verband met het bereiken van een bij arbeidsovereenkomst overeengekomen, een bij een toezegging omtrent pensioen toegezegde, of een bij regeling van een daartoe bevoegd bestuursorgaan vastgestelde pensioengerechtigde leeftijd lager dan de AOW-gerechtigde leeftijd, voorzover die leeftijd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet in de arbeidsovereenkomst, de toezegging omtrent pensioen of de regeling van het bestuursorgaan was opgenomen.

    Overgangsrecht defensie   
    Artikel 17
      • 5 
         

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid is niet van toepassing ten aanzien van militaire ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 tot 1 januari 2008, of tot een eerdere datum waarop in de Militaire ambtenarenwet 1931 een regeling is getroffen ten aanzien van het gebruik van leeftijdsgrenzen binnen de krijgsmacht betreffende aanstelling, functietoewijzing, aanwijzing voor een opleiding en ontslag.

    Wijzigingen in andere regelgeving   
    Artikel 18
      • 2 
         

    [Red: Wijzigt de Wet op de Raad van State.]

    Artikel 19
      • 2 
         

    [Red: Wijzigt de Comptabiliteitswet.]

    Tijdstip inwerkingtreding   
    Artikel 20
      • 2 
         

    Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

    Citeertitel   
    Artikel 21
      • 2 
         

    Deze wet wordt aangehaald als: Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.

     

    Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

     

    Gegeven te 's-Gravenhage, 17 december 2003

    Beatrix

    De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,

    A. J. de Geus

    De Minister van Justitie ,

    J. P. H. Donner

    De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties ,

    Th. C. de Graaf

    De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ,

    M. J. A. van der Hoeven

    Uitgegeven de derde februari 2004

    De Minister van Justitie ,

    J. P. H. Donner

     

     

    Source:

     

    Number 9

    Exodus 20:

    Honour thy father and thy mother:

    that thy days may be long upon the land which the Lord thy God giveth thee.

    Art.l: 245 BW was:
    1. Een kind, van welke leeftijd ook, is aan zijn ouders eerbied en ontzag verschuldigd.
    2. De ouders zijn verplicht hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden.

     

    Het gaat met name om de art.l:
    245, 247 en 249 BW. Art.l: 245 BW bepaalt wie onder gezag staan, aan wie gezag
    toekomt en waarop gezag betrekking heeft. Art. 247 vervangt het huidige art. 1: 245
    BW^. Dit laatste artikel ging enkel in op de verplichtingen die de ouders en de kinderen jegens elkaar hebben. In art.l: 249 BW wordt aan het kind de verplichting opgelegd rekening te houden met de bevoegdheden van de ouders en de belangen van de
    overige leden van het gezin.

     

     

     

    Wet geeft ouders wel gezag maar geen macht meer over hun kinderen

    De auteur is docent familierecht aan de chr. hogeschool De Vijverberg-Felua.

    DANIEL VAN DEN BOS 10 mei 1996

     

    Vos constateert een crisis in de opvoeding van de laatste jaren en daarvan is de democratisering volgens hem de oorzaak. Ik begrijp dit niet goed. Ten eerste is de democratisering een ontwikkeling in de hele samenleving, waarmee iedereen moet leren omgaan. Dat moeten we in de politiek (aan de basis invloed uitoefenen op het partijbeleid), in het bedrijfsleven (inspraak via vakbondslidmaatschap en via de ondernemingsraad), in onze relatie met de artsen (een arts mag ons pas behandelen nadat hij ons duidelijke informatie heeft verstrekt en nadat wij onze toestemming gegeven hebben), in het onderwijs (de rechten van de leerling en de student liggen vast in statuten en via procedures kunnen zij met docenten de strijd aangaan) en ook als consument proberen we aan te geven wat we wel en niet willen (de klant is koning).

    Verder hebben wij ontdekt dat kinderen ook mensen zijn en dat hun de rechten van de mens (de rechten van het kind) toekomen. Ouders zijn aan het leren dat ze er goed aan doen te luisteren naar hun kinderen, dat kinderen ouders ook iets kunnen leren en dat ze kinderen moeten voorbereiden op een onderhandelingssamenleving waarin mondigheid en zelfbeschikking belangrijk zijn. Zo krijgen kinderen meer zelfvertrouwen: hun oplossingen worden serieus genomen en op hun creativiteit en denkvermogen wordt een beroep gedaan. De betekenis van het woord crisis is trouwens, dat het oude voorbij is, terwijl het nieuwe nog niet gekomen is. De autoritaire opvoeding is voorbij en de nieuwe generatie ouders moet pionieren in opvoedingsland. Zonder duidelijke voorbeelden moeten nieuwe wegen bewandeld worden.

    Vos doet een beroep op de wet en hij citeert het Burgerlijk wetboek boek 1 artikel 245: “Een kind, van welke leeftijd ook, is aan zijn ouders eerbied en ontzag verschuldigd.” Hij concludeert hieruit dat het gaat om een gezagsrelatie gekenmerkt door verschil in macht.

    Jammer dat Vos niet heeft opgemerkt dat dit artikel niet meer bestaat. In november 1995 is het verdwenen en vervangen door artikel 249, dat nu luidt als volgt: “De minderjarige dient rekening te houden met de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening van het gezag toekomende bevoegdheden, alsmede met de belangen van de overige leden van het gezin waarvan hij deel uitmaakt.”

     

    Niet bekend

     

    Plicht

    De oude plicht van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden is in de nieuwe formulering van artikel 247 toegespitst: “Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.”

    En art. BW 1:250 gaat verder door te stellen dat bij belangenconflicten tussen een minderjarige en een gezagsdrager de partijen hun zaak kunnen voorleggen aan de kantonrechter die een bijzondere curator (een advocaat) benoemt die de minderjarige dan verder vertegenwoordigt. Vos gaat misschien over zijn nek bij het lezen van deze woorden. De gedachte dat een kind naar de rechter stapt om een belangenconflict met zijn ouders uit te vechten. . .

    Hoe dan ook, als ouders proberen hun kinderen tot zelfstandig denkende en functionerende individuen op te voeden, zal er een relatie van wederzijds respect en juist ook liefde ontstaan. Belangenconflicten zullen dan gewoon binnen de relatie sportief uitgeknokt (= uitonderhandeld) worden en de rechter zal er niet aan te pas komen.

    Vos zegt zelf al dat er niets nieuws onder de zon is als het gaat om klagen over de moderne jeugd. De jeugd van nu is dus niet verpest. Derhalve kan de democratisering niet als oorzaak van kwaad worden aangewezen van moreel verval en toenemende criminaliteit onder de jeugd, die van alle tijden zijn. Het stelt vragen aan de ouders of zij bereid zijn te investeren in hun kinderen door tijd voor ze te hebben, door zich te laten kennen door hun kinderen en door ze serieus te nemen in hun gedachten en gevoelens.

    Ouders en kinderen leren van elkaar of vervreemden van elkaar.

     

    Source: 

     

    Number 10

    Exodus 20:

    Thou shalt not commit adultery

     

    Nederlandse burgerlijke wetgeving

    Artikel 81 van Boek 1 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek bepaalt "Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen"), maar definieert getrouwheid niet (zie ook rechten en plichten bij het burgerlijk huwelijk in Nederland). Echtbreuk is sinds 1971 in Nederland niet meer strafbaar.

    Het valt overigens op te merken dat de wetgever in Nederland het artikel 83 dat onder andere bepaalde dat de "Echtgenoten jegens elkander verplicht zijn tot samenwoning, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten." in 2001 heeft geschrapt.

     

    Echtbreuk

    Source:

     

    NOW IT'S YOUR TURN! Post the 10 Commandments EVERYWHERE!

    Source:

    https://youtu.be/aQ9xaNDkgl8

     

     

    Matthew 22:

    37 Jesus said unto him, Thou shalt love the Lord thy God with all thy heart, and with all thy soul, and with all thy mind.

    38 This is the first and great commandment. (first 5 commandments)

    39 And the second is like unto it, Thou shalt love thy neighbour as thyself.

    40 On these two commandments hang all the law and the prophets. (second 5 commandments)

     

    Matthew 5:

    17 Think not that I am come to destroy the law, or the prophets: I am not come to destroy, but to fulfil.

    18 For verily I say unto you, Till heaven and earth pass, one jot or one tittle shall in no wise pass from the law, till all be fulfilled.

    19 Whosoever therefore shall break one of these least commandments, and shall teach men so, he shall be called the least in the kingdom of heaven: but whosoever shall do and teach them, the same shall be called great in the kingdom of heaven.

    20 For I say unto you, That except your righteousness shall exceed the righteousness of the scribes and Pharisees, ye shall in no case enter into the kingdom of heaven.

    21 Ye have heard that it was said by them of old time, Thou shalt not kill; and whosoever shall kill shall be in danger of the judgment:

     

     

    Create a Free Website With JouwWeb