TORAH, WET, INSTRUCTIES, GEBODEN

Genesis 26 (KJV / statenvertaling)

5 Because that Abraham obeyed my voice, and kept my charge, my commandments, my statutes, and my laws.

Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevelMijn gebodenMijn inzettingen en Mijn wetten (Torah / h8451).

Revelation /Openbaring 14 (KJV / statenvertaling)

12 Here is the patience of the saints: here are they that keep the commandments of God, and the faith of Jesus.

12 Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden (TORAH) Gods bewaren en het geloof van Jezus.

 

Revelation /Openbaring 12 (KJV / statenvertaling)

17 And the dragon was wroth with the woman, and went to make war with the remnant of her seed, which keep the commandments of God, and have the testimony of Jesus Christ.

17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg (oorlog) te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.

 

 

John 5:22
For the Father judgeth no man, but hath committed all judgment unto the Son:
 

John 5:27

And hath given him authority to execute judgment also, because he is the Son of man.
 

Jeremiah 17:10

I the LORD search the heart, I try the reins, even to give every man according to his ways, and according to the fruit of his doings.
 
Zechariah 7:12
(NIV)
They made their hearts as hard as flint and would not listen to the law or to the words that the LORD Almighty had sent by his Spirit through the earlier prophets. So the LORD Almighty was very angry.

 

(KJV)
Yea, they made their hearts as an adamant stone, lest they should hear the law, and the words which the LORD of hosts hath sent in his spirit by the former prophets: therefore came a great wrath from the LORD of hosts.

 

1 Samuel 7:3

And Samuel spake unto all the house of Israel, saying, If ye do return unto the LORD with all your heartsthen put away the strange gods and Ashtaroth from among you, and prepare your hearts unto the LORD, and serve him only: and he will deliver you out of the hand of the Philistines.
 
1 Chronicles 28:9
And thou, Solomon my son, know thou the God of thy father, and serve him with a perfect heart and with a willing mind: for the LORD searcheth all hearts, and understandeth all the imaginations of the thoughts: if thou seek him, he will be found of thee; but if thou forsake him, he will cast thee off for ever.

 

Daniel 7:
25 And he shall speak great words against the most High, and shall wear out the saints of the most High, and think to change times and laws: and they shall be given into his hand until a time and times and the dividing of time.
(Roman Catholic church 1.582)
 
Matthew 5:
18 For verily I say unto you, Till heaven and earth pass, one jot or one tittle shall in no wise pass from the law, till all be fulfilled.

 

Psalms 12:
6 The words of the LORD are pure words: as silver tried in a furnace of earth, purified seven times.

Thou shalt keep them, O LORD, thou shalt preserve them from this generation for ever.


Deuteronomy 4:
1 Now therefore hearken, O Israel, unto the statutes and unto the judgments, which I teach you, for to do them, that ye may live, and go in and possess the land which the LORD God of your fathers giveth you.

Ye shall not add unto the word which I command you, neither shall ye diminish ought from it, that ye may keep the commandments of the LORD your God which I command you.

 

Revelation 22:

18 For I testify unto every man that heareth the words of the prophecy of this book, If any man shall add unto these things, God shall add unto him the plagues that are written in this book:

19 And if any man shall take away from the words of the book of this prophecy, God shall take away his part out of the book of life, and out of the holy city, and from the things which are written in this book.

 

Deuteronomium 12: (KJV)

32 What thing soever I command you, observe to do it: thou shalt not add thereto, nor diminish from it.

 

Deuteronomy 24:
10 When thou dost lend thy brother any thing, thou shalt not go into his house to fetch his pledge.
11 Thou shalt stand abroad, and the man to whom thou dost lend shall bring out the pledge abroad unto thee.

10 Wanneer gij uw broeder iets te leen gaat, zult gij zijn huis niet binnengaan om zijn pand te halen.
11 Gij zult staan in het buitenland, en de man, aan wie gij leent, zal het pand u buiten brengen.
 
 

Jeremiah 31: (KJV)
33 But this shall be the covenant that I will make with the house of Israel; After those days, saith the LORD, I will put my law in their inward partsand write it in their hearts; and will be their God, and they shall be my people.

 

Jeremia 31:
31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;
33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
34 En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.
35 Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:
36 Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.
37 Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
38 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort.
39 En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.
40 En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.

148 – The Uncommon Law of the Land and Sea

Lex mercatoria (from the Latin for "merchant law"), often referred to as "the Law Merchant" in English, is the body of commercial law used by merchants throughout Europe during the medieval period. ... It functioned as the international law of commerce.

 

Source: https://en.wikipedia.org/wiki/Lex_mercatoria

 

Lex Mercatoria

Globalising Business Law in the 21st Century

Programmaleiders: Prof. mr. B.F. Assink, Prof. mr. C.A. Schwarz

Een in het oog springend kenmerk van het bedrijfsrecht door de eeuwen heen is dat het sterk internationaal wordt beïnvloed. Deze internationale beïnvloeding vindt plaats doordat handel vaak grensoverschrijdend is, doordat internationale en Europese regelgeving het nationale bedrijfsrecht sterk bepaalt en doordat maatschappelijke, technologische en economische ontwikkelingen van invloed zijn op het bedrijfsrecht.

  1. Het onderzoeksprogramma Lex Mercatoria: globaliserend bedrijfsrecht in de 21ste eeuw richt zich op de effecten van internationalisering en van globalisering op het bedrijfsrecht. De onderzoeksvragen die in het onderzoeksprogramma centraal staan, zijn:
  2. inzichtelijk te maken wat de inhoud is van de verschillende onderdelen van het bedrijfsrecht en waarin leemtes bestaan;
  3. inzichtelijk te maken welke internationale invloeden zich manifesteren op de verschillende onderdelen van het bedrijfsrecht;
  4. te onderzoeken wat de gevolgen zijn van deze internationale invloeden voor het bedrijfsrecht;
  5. te onderzoeken wat de invloed is die vanuit de (internationale) praktijk van het bedrijfsleven op het bedrijfsrecht wordt uitgeoefend, alsmede wat de wisselwerking is tussen praktijk, theorie en rechtspraak bij de totstandkoming van regelgeving in het bedrijfsrecht;
  6. te onderzoeken wat de verhouding is tussen het nationale en internationale bedrijfsrecht;
  7. te onderzoeken op welke wijze internationale en Europese regelgeving het beste geïmplementeerd kan worden in de Nederlandse rechtsorde en hoe het nationale bedrijfsrecht opgezet en geïnterpreteerd moet worden in het licht van internationale en Europese regelgeving en in het licht van ontwikkelingen in andere landen;
  8. te onderzoeken wat de meest wenselijke inrichting van het bedrijfsrecht is in antwoord op de vragen die internationalisering en globalisering opwerpen en te onderzoeken welke deelgebieden zich lenen voor de ontwikkeling van toekomstige verdragen of harmonisatie.

De doelstelling van het onderzoeksprogramma is bij te dragen aan een optimaal Nederlands, Europees en internationaal bedrijfsrecht. Dit kan er weer toe bijdragen dat Nederland en Europa kunnen (blijven) concurreren in de globaliserende samenleving van de 21ste eeuw.

 

Source: https://www.eur.nl/esl/research/areas/programmes/lex-mercatoria

 

Maxim of Law - Common Law - Statutory law -

law of the sea vs law of the land

Maxims of Law

 

When Jesus spoke the Truth to his accusers, he would justify himself by quoting Law. First, he would quote God's Law, and after quoting God's Law He would often quote the accuser's law and use that against them as well. For example, Jesus would say, "Did ye never read in the scriptures..." and then quote God's Law. Then he would turn around and say, "Is it not written in your law..." and quote their own law! His accusers would have no answer, they could not overcome Him. How could anyone overcome somebody who is obeying both God's Law and man's law!? If a man made law is just, it will be in harmony with God's Law.

This is the purpose of this article. These maxims are the foundation and principles of the laws that man passes today. Unfortunately, men enforce their own will more than they enforce law. So, this is why, in addition to knowing God's Law, it is also important to know man's law, because man's law is based upon God's Law. And when you are accused of "breaking the law," you can do what Jesus did, and use both God's Law and man's law to justify your lawful acts, for this is the only thing that will excuse you.

It is important to distinguish between commercial law and maxims of law, when quoting from their law. We should never, ever quote their codes, rules, regulations, ordinances, statutes, common law, merchant law, public policies, constitutions, etc., because these are commercial in nature, and if we use their commercial law, they can presume we are engaged in commerce (which means we are of the world), which will nullify our witness (because we are not of the world). Maxims of law are not commercial law, but are mostly based upon scripture and truth.

Here is a court case which demonstrates a typical example of the fruitlessness of describing oneself in the terms of the world, as distinguished from who and what our Heavenly Father has already told us we are.

 

It was rendered by JOHN V. PARKER, Chief Judge:

"Petitioner's shield of the "Common Law" as an "Unenfranchised Sovereign Individual of the United States of America, a Republic," provides him with the same degree of protection from federal income taxation as did the Ghost Dance of the Sioux warrior from the repeating rifles of the federal Calvary - ZERO." 599 F.Supp. 126, George E. McKinney, Sr. v. Donald Regan, Secretary of the Treasury, et al., Civ. A. No. 84-470-A., United States District Court, M.D. Louisiana, November 19, 1984.

Many insist on using the "common law" to defend themselves. The reason we should not is because, first and foremost, you do not see the term "common law" in scripture. Bondservants of Christ are only to use God's Law. Secondly, the common law is a commerical law today, created by merchants, influenced by Roman Law, and used for commercial purposes. The following definitions are taken from "A Dictionary of Law, by William C. Anderson, 1893."

 

Custom of merchants: A system of customs, originating among merchants, and allowed for the benefit of trade as part of the common law. Page 303.

Law-merchant; law of merchants: The rules applicable to commercial paper were transplanted into the common law from the law merchant. They had their origin in the customs and course of business of merchants and bankers, and are now recognized by the courts because they are demanded by the wants and conveniences of the mercantile world. Pages 670-671.

Roman Law: The common law of England has been largely influenced by the Roman law, in several respects:…Through the development of commercial law. Page 910.

All of man's laws, except for many maxims of law, are commercial in nature.

The following are the definitions of "maxims," and then the relevant maxims of law will be listed.

Maxim (Bouvier's Law Dictionary, 1856): An established principle or proposition. A principle of law universally admitted, as being just and consonant with reason.

2. Maxims in law are somewhat like axioms in geometry. 1 Bl. Com. 68. They are principles and authorities, and part of the general customs or common law of the land; and are of the same strength as acts of parliament, when the judges have determined what is a maxim; which belongs to the judges and not the jury. Terms do Ley; Doct. & Stud. Dial. 1, c. 8. Maxims of the law are holden for law, and all other cases that may be applied to them shall be taken for granted. 1 Inst. 11. 67; 4 Rep. See 1 Com. c. 68; Plowd. 27, b.

3. The application of the maxim to the case before the court, is generally the only difficulty. The true method of making the application is to ascertain how the maxim arose, and to consider whether the case to which it is applied is of the same character, or whether it is an exception to an apparently general rule.

4. The alterations of any of the maxims of the common law are dangerous. 2 Inst. 210.

Maxim (William C. Anderson's A Dictionary of Law, (1893), page 666): So called…because it's value is the highest and its authority the most reliable, and because it is accepted by all persons at the very highest.

2. The principles and axioms of law, which are general propositions flowing from abstracted reason, and not accommodated to times or men, are wisely deposited in the breasts of the judges to be applied to such facts as come properly before them.

3. When a principle has been so long practiced and so universally acknowledged as to become a maxim, it is obligatory as part of the law.

Maxim of Law (Black's Law Dictionary, 3rd Edition, (1933), page 1171): An established principle of proposition. A principle of law universally admitted as being a correct statement of the law, or as agreeable to reason. Coke defines a maxim to be "a conclusion of reason" Coke on Littleton, 11a. He says in another place, "A maxim is a proposition to be of all men confessed and granted without proof, argument, or discourse." Coke on Littleton. 67a.

 

Maxim (Black's Law Dictionary, 4th Edition): Maxims are but attempted general statements of rules of law and are law only to the extent of application in adjudicated cases."

These maxims are taken directly from man's law dictionaries and court cases. The following books were referenced for this article:

 

  1. Bouvier's Law Dictionary, by John Bouvier, (1856)
  2. Legal Maxims, by Broom and Bouvier, (1856)
  3. A Dictionary of Law, by William C. Anderson, (1893)
  4. Black's Law Dictionary, by Henry Campell Black, (3rd, 4th, 5th, and 6th Editions, 1933-1990)
  5. Maxims of Law, by Charles A. Weisman, (1990)

 

*Comments in [brackets] are added and not part of the maxim itself*

 

 

Accidents and Injury

 

  • An act of God does wrong to no one.
  • The act of God does no injury; that is, no one is responsible for inevitable accidents.
  • No one is held to answer for the effects of a superior force, or of an accident, unless his own fault has contributed.
  • The execution of law does no injury.
  • An action is not given to one who is not injured.
  • An action is not given to him who has received no damages.
  • He who suffers a damage by his own fault, has no right to complain.
  • Mistakes, neglect, or misconducts are not to be regarded as accidents.
  • Whoever pays by mistake what he does not owe, may recover it back; but he who pays, knowing he owes nothing; is presumed to give.
  • What one has paid knowing it not to be due, with the intention of recovering it back, he cannot recover back. [If the IRS accuses you of owing them money, if you want to go to court to dispute it, you must pay them in full what they demand and then sue them to get it back. Which places the burden of proof upon the accused rather than the accuser]
  • No man ought to be burdened in consequence of another's act.
  • There may be damage or injury inflicted without any act of injustice.
  • Not every loss produces and injury.
  • A personal injury does not receive satisfaction from a future course of proceeding.
  • Wrong is wiped out by reconciliation.
  • An injury is extinguished by the forgiveness or reconcilement of the party injured. [Luke 17:3-4, 2 Corinthians 2:7-8]

 

Benefits and Privileges

  • Favors from government often carry with them an enhanced measure of regulation.
  • Any one may renounce a law introduced for his own benefit.
  • No one is obliged to accept a benefit against his consent.
  • He who receives the benefit should also bear the disadvantage.
  • He who derives a benefit from a thing, ought to feel the disadvantages attending it.
  • He who enjoys the benefit, ought also to bear the burden.
  • He who enjoys the advantage of a right takes the accompanying disadvantage.
  • A privilege is, as it were, a private law.
  • A privilege is a personal benefit and dies with the person.
  • One who avails himself of the benefits conferred by statute cannot deny its validity.
  • What I approve I do not reject. I cannot approve and reject at the same time. I cannot take the benefit of an instrument, and at the same time repudiate it.
  • He who does any benefit to another for me is considered as doing it to me.

 

Commerce

  • Caveat emptor (let the buyer beware).
  • Let the purchaser beware.
  • Let the seller beware.
  • The payment of the price stands in the place of a sale.
  • The payment of the price of a thing is held as a purchase.
  • Goods are worth as much as they can be sold for.
  • Mere recommendation of an article does not bind the vendor of it.
  • It is settled that there is to be considered the home of each one of us where he may have his habitation and account-books, and where he has made an establishment of his business.
  • No rule of law protects a buyer who willfully closes his ears to information, or refuses to make inquiry when circumstances of grave suspicion imperatively demand it.
  • Let every one employ himself in what he knows.
  • He at whose risk a thing is done, should receive the profits arising from it.
  • Usury is odious in law. [Exodus 22:25, Leviticus 25:36-37, Nehemiah 5:7,10, Proverbs 28:8, Ezekiel 18:8,13,17; 22:12]

 

Common Sense

  • When you doubt, do not act.
  • It is a fault to meddle with what does not belong to or does not concern you.
  • Many men know many things, no one knows everything.
  • One is not present unless he understands.
  • It avails little to know what ought to be done, if you do not know how it is to be done.
  • He who questions well, learns well.
  • What ever is done in excess is prohibited by law.
  • No one is bound to give information about things he is ignorant of, but every one is bound to know that which he gives information about.
  • No man is bound to have foreknowledge of a Divine or a future event.
  • No one is bound to arm his adversary.

 

Consent and Contracts

  • Consent makes the law. A contract is a law between the parties, which can acquire force only by consent.
  • Consent makes the law: the terms of a contract, lawful in its purpose, constitute the law as between the parties.
  • To him consenting no injury is done.
  • He who consents cannot receive an injury.
  • Consent removes or obviates a mistake.
  • He who mistakes is not considered as consenting.
  • Every consent involves a submission; but a mere submission does not necessarily involve consent.
  • A contract founded on a base and unlawful consideration, or against good morals, is null.
  • One who wills a thing to be or to be done cannot complain of that thing as an injury.
  • The agreement of the parties makes the law of the contract.
  • The contract makes the law.
  • Agreements give the law to the contract.
  • The agreement of the parties overcomes or prevails against the law.
  • Advice, unless fraudulent, does not create an obligation.
  • No action arises out of an immoral consideration.
  • No action arises on an immoral contract.
  • In the agreements of the contracting parties, the rule is to regard the intention rather than the words.
  • The right of survivorship does not exist among merchants for the benefit of commerce.
  • When two persons are liable on a joint obligation, if one makes default the other must bear the whole.
  • You ought to know with whom you deal.
  • He who contracts, knows, or ought to know, the quality of the person with whom he contracts, otherwise he is not excusable.
  • He who approves cannot reject.
  • If anything is due to a corporation, it is not due to the individual members of it, nor do the members individually owe what the corporation owes.
  • Agreement takes the place of the law: the express understanding of parties supercedes such understanding as the law would imply.
  • Manner and agreement overrule the law.
  • The essence of a contract being assent, there is no contract where assent is wanting.

 

Court and Pleas

  • There can be no plea of that thing of which the dissolution is sought.
  • A false plea is the basest of all things.
  • There can be no plea against an action which entirely destroys the plea.
  • He who does not deny, admits. [A well-known rule of pleading]
  • No one is believed in court but upon his oath.
  • An infamous person is repelled or prevented from taking an oath.
  • In law none is credited unless he is sworn. All the facts must, when established by witnesses, be under oath or affirmation.
  • An act of the court shall oppress no one.
  • The practice of a court is the law of the court.
  • There ought to be an end of law suits.
  • It concerns the commonwealth that there be an end of law suits.
  • It is for the public good that there be an end of litigation.
  • A personal action dies with the person. This must be understood of an action for a tort only.
  • Equity acts upon the person.
  • No one can sue in the name of another.

 

Court Appearance

[This is why we should avoid voluntarily appearing in court]

  • A general appearance cures antecedent irregularity of process, a defective service, etc.
  • Certain legal consequences are attached to the voluntary act of a person.
  • The presence of the body cures the error in the name; the truth of the name cures an error in the description
  • An error in the name is immaterial if the body is certain.
  • An error in the name is nothing when there is certainty as to the person.
  • The truth of the demonstration removes the error of the name.

 

Crime and Punishment

  • A madman is punished by his madness alone.
  • The instigator of a crime is worse than he who perpetrates it.
  • They who consent to an act, and they who do it, shall be visited with equal punishment.
  • Acting and consenting parties are liable to the same punishment.
  • No one is punished for his thoughts.
  • No one is punished for merely thinking of a crime.
  • He who has committed iniquity, shall not have equity.
  • He who is once bad, is presumed to be always so in the same degree.
  • He who is once criminal is presumed to be always criminal in the same kind or way.
  • Whatever is once bad, is presumed to be so always in the same degree.
  • He who does not forbid a crime while he may, sanctions it.
  • He who does not blame, approves.
  • He is clear of blame who knows, but cannot prevent.
  • No one is to be punished for the crime or wrong of another.
  • No guilt attaches to him who is compelled to obey.
  • Gross negligence is held equivalent to intentional wrong.
  • Misconduct binds its own authors. It is a never-failing axiom that everyone is accountable only for his own offence or wrong.
  • In offenses, the will and not the consequences are to be looked to.
  • It is to the intention that all law applies.
  • The intention of the party is the soul of the instrument.
  • Every act is to be estimated by the intention of the doer.
  • An act does not make a man a criminal, unless his intention be criminal.
  • An act does not make a person guilty, unless the intention be also guilty. This maxim applies only to criminal cases; in civil matters it is otherwise.
  • In offenses, the intention is regarded, not the event.
  • The intention amounts to nothing unless some effect follows.
  • Take away the will, and every action will be indifferent.
  • Your motive gives a name to your act.
  • An outlaw is, as it were, put out of the protection of the law.
  • Vainly does he who offends against the law, seek the help of the law.
  • Drunkenness inflames and produces every crime.
  • Drunkenness both aggravates and reveals every crime.
  • He who sins when drunk shall be punished when sober.
  • Punishment is due if the words of an oath be false.
  • A prison is established not for the sake of punishment, but of detention and guarding.
  • Those sinning secretly are punished more severely than those sinning openly.
  • Punishment ought not to precede a crime.
  • If one falsely accuses another of a crime, the punishment due to that crime should be inflicted upon the perjured informer. [Deuteronomy 19:18]

 

Customs and Usages

  • Long time and long use, beyond the memory of man, suffices for right.
  • Custom is the best expounder of the law.
  • Custom is another law.
  • A prescriptive and legitimate custom overcomes the law.
  • Custom leads the willing, law compels or draws the unwilling.
  • Usage is the best interpreter of things.
  • Custom is the best interpreter of laws.
  • What is done contrary to the custom of our ancestors, neither pleases nor appears right.
  • Where two rights concur, the more ancient shall be preferred.

 

Expressions and Words

  • The meaning of words is the spirit of the law. [Romans 8:2]
  • The propriety of words is the safety of property.
  • It is immaterial whether a man gives his assent by words or by acts and deeds.
  • It matters not whether a revocation be by words or by acts.
  • What is expressed renders what is implied silent.
  • An unequivocal statement prevails over an implication.
  • In ambiguous expressions, the intention of the person using them is chiefly to be regarded.
  • The expression of those things which are tacitly implied operates nothing.
  • The expression of one thing is the exclusion of another.
  • A general expression is to be construed generally.
  • A general expression implies nothing certain.
  • General words are understood in a general sense.
  • When the words and the mind agree, there is no place for interpretation.
  • Every interpretation either declares, extends or restrains.
  • The best interpretation is made from things preceding and following; i.e., the context.
  • Words are to be interpreted according to the subject-matter.
  • He who considers merely the letter of an instrument goes but skin deep into its meaning.
  • Frequently where the propriety of words is attended to, the meaning of truth is lost.
  • Words are to be taken most strongly against him who uses them.
  • Multiplicity and indistinctness produce confusion; and questions, the more simple they are, the more lucid.
  • When two things repugnant to each other are found in a will, the last is to be confirmed.
  • Bad or false grammar does not vitiate a deed or grant.
  • Many things can be implied from a few expressions.
  • Language is the exponent of the intention.
  • Words are indicators of the mind or thought.
  • Speech is the index of the mind. [James 1:26]
  • Laws are imposed, not upon words, but upon things.

 

Fictions

  • A fiction is a rule of law that assumes something which is or may be false as true.
  • Where truth is, fiction of law does not exist.
  • There is no fiction without law.
  • Fictions arise from the law, and not law from fictions
  • Fiction is against the truth, but it is to have truth.
  • In a fiction of law, equity always subsists.
  • A fiction of law injures no one.
  • Fiction of law is wrongful is it works loss or injury to any one.

 

Fraud and Deceit

  • It is safer to be deceived than to deceive.
  • A deceiver deals in generals.
  • Fraud lies hid in general expressions.
  • A concealed fault is equal to a deceit.
  • Out of fraud no action arises.
  • A forestaller is an oppressor of the poor, and a public enemy to the whole community and the country.
  • It is a fraud to conceal a fraud.
  • Gross negligence is equivalent to fraud.
  • Once a fraud, always a fraud.
  • What otherwise is good and just, if it be sought by force and fraud, becomes bad and unjust.
  • He is not deceived who knows himself to be deceived.
  • Let him who wishes to be deceived, be deceived.
  • He who does not prevent what he can, seems to commit the thing.
  • He who does not prevent what he can prevent, is viewed as assenting.
  • He who does not forbid what he can forbid, seems to assent.
  • He who does not forbid, when he might forbid, commands.
  • He who does not repel a wrong when he can, induces it.
  • Often it is the new road, not the old one, which deceives the traveler.
  • Deceit is an artifice, since it pretends one thing and does another.

 

God and Religion

  • If ever the law of God and man are at variance, the former are to be obeyed in derogation of the later. [Acts 5:29]
  • That which is against Divine Law is repugnant to society and is void.
  • He who becomes a soldier of Christ has ceased to be a soldier of the world. [2 Timothy 2:3-4]
  • Where the Divinity is insulted the case is unpardonable.
  • Human things never prosper when divine things are neglected.
  • No man is presumed to be forgetful of his eternal welfare, and particularly at the point of death.
  • The church does not die.
  • That is the highest law which favors religion.
  • The law is from everlasting.
  • He who acts badly, hates the light.
  • He who does not willingly speak the truth, is a betrayer of the truth.
  • He who does not speak the truth, is a traitor to the truth.
  • The truth that is not sufficiently defended is frequently overpowered; and he who does not disapprove, approves.
  • Suppression of the truth is equivalent to the expression of what is false.
  • Truth, by whomever pronounced, is from God.
  • Truth fears nothing but concealment.
  • We can do nothing against truth. [2 Corinthians 13:8]
  • Truth is the mother of justice.
  • To swear is to call God to witness, and is an act of religion.
  • Earlier in time, is stronger in right. First in time, first in right.
  • He who is before in time, is preferred in right.
  • What is first is truest; and what comes first in time, is best in law.
  • No man is ignorant of his eternal welfare.
  • All men know God. [Hebrews 8:11]
  • The cause of the Church is a public cause.
  • The Law of God and the law of the land are all one, and both favor and preserve the common good of the land.
  • No man warring for God should be troubled by secular business.
  • What is given to the church is given to God.

 

Governments and Jurisdiction

  • That which seems necessary for the king and the state ought not to be said to tend to the prejudice of liberty of the [Christ's] ekklesia.
  • The power which is derived [from God] cannot be greater than that from which it is derived [God]. [Romans 13:1]
  • The order of things is confounded if every one preserves not his jurisdiction [in and of Christ].
  • Jurisdiction is a power introduced for the public good, on account of the necessity of dispensing justice.
  • Every jurisdiction has its own bounds.
  • The government cannot confer a favor which occasions injury and loss to others.
  • A minor ought not to be guardian of a minor, for he is unfit to govern others who does not know how to govern himself.
  • The government is to be subject to the law, for the law makes government.
  • The law is not to be violated by those in government.

 

Heirs

  • God, and not man, make the heir. [Romans 8:16]
  • God alone makes the heir, not man.
  • Co-heirs are deemed as one body or person, by reason of the unity of right which they possess. [Romans 8:17, Ephesians 5:31-32]
  • No one can be both owner and heir at the same time.
  • An heir is either by right of property, or right of representation.
  • An heir is the same person with his ancestor. [Because the ancestor, during his life, bears in his body (of law) all his heirs].
  • 'Heir' is a collective name or noun [so it is not private, and has no private rights].
  • Several co-heirs are as one body, by reason of the unity of right which they possess. [Romans 8:17, Ephesians 5:31-32]
  • The law favors a man's inheritance.
  • Heir is a term of law, son one of nature.
  • An heir is another self, and a son is a part of the father.
  • The heir succeeds to the restitution not the penalty.

 

Judges and Judgment

  • Let justice be done, though the heavens should fall.
  • One who commands lawfully must be obeyed.
  • Whoever does anything by the command of a judge is not reckoned to have done it with an evil intent, because it is necessary to obey. [Isaiah 33:22, "For the LORD is our judge…"]
  • Where a person does an act by command of one exercising judicial authority, the law will not suppose that he acted from any wrongful or improper motive, because it was his bounden duty to obey.
  • A judgment is always taken as truth.
  • If you judge, understand.
  • It is the duty of a good judge to remove the cause of litigation. [Acts 18:12-16]
  • The end of litigation is justice.
  • To a judge who exceeds his office or jurisdiction no obedience is due.
  • One who exercises jurisdiction out of his territory is not obeyed with impunity.
  • A twisting of language is unworthy of a judge.
  • A good judge decides according to justice and right, and prefers equity to strict law.
  • Of the credit and duty of a judge, no question can arise; but it is otherwise respecting his knowledge, whether he be mistaken as to the law or fact.
  • It is punishment enough for a judge that he is responsible to God. [Psalms 2:10-12, Romans 13]
  • That is the best system of law which confides as little as possible to the discretion of the judge.
  • That law is the best which leaves the least discretion to the judge; and this is an advantage which results from certainty.
  • He is the best judge who relies as little as possible on his own discretion.
  • Whenever there is a doubt between liberty and slavery, the decision must be in favor of liberty.
  • He who decides anything, a party being unheard, though he should decide right, does wrong.
  • He who spares the guilty, punishes the innocent. [Mark 15:6-15, Luke 23:17-25, John 18:38-40]
  • The judge is condemned when a guilty person escapes punishment.
  • What appears not does not exist, and nothing appears judicially before judgment.
  • It is improper to pass an opinion on any part of a sentence, without examining the whole.
  • Hasty justice is the step-mother of misfortune.
  • Faith is the sister of justice.
  • Justice knows not father not mother; justice looks at truth alone.
  • A judge is not to act upon his personal judgment or from a dictate of private will, but to pronounce according to law and justice.
  • No one should be judge in his own cause.
  • No one can be at once judge and party.
  • A judge is to expound, not to make, the law.
  • It is the duty of a judge to declare the law, not to enact the law or make it.
  • Definite, legal conclusions cannot be arrived at upon hypothetical averments.
  • A judge is the law speaking. [the mouth of the law]
  • A judge should have two salts: the salt of wisdom, lest he be insipid; and the salt of conscience, lest he be devilish.
  • He who flees judgment confesses his guilt.
  • No man should be condemned unheard.
  • The judge is counsel for the prisoner.
  • Everyone is presumed to be innocent until his guilt is established beyond a reasonable doubt.
  • Justice is neither to be denied nor delayed.
  • It is the property of a Judge to administer justice, not to give it.
  • Justice is an excellent virtue, and pleasing to the Most High.

 

Law

  • A maxim is so called because its dignity is chiefest, and its authority most certain, and because universally approved of all.
  • All law has either been derived from the consent of the people, established by necessity, confirmed by custom, or of Divine Providence.
  • Nothing is so becoming to authority [God] as to live according to the law [of God].
  • He acts prudently who obeys the commands of the Law. [Ecclesiastes 12:13]
  • Law is the safest helmet; under the shield of the law no one is deceived. [Ephesians 6:13-17, 1 Thessalonians 5:8]
  • An argument drawn from authority [scripture] is the strongest in law.
  • An argument drawn from a similar case, or analogy, avails in law.
  • That which was originally void, does not by lapse of time become valid.
  • The law does not seek to compel a man to do that which he cannot possibly perform.
  • The law requires nothing impossible.
  • The law compels no one to do anything which is useless or impossible.
  • No one is bound to do what is impossible
  • Impossibility excuses the law.
  • No prescription runs against a person unable to act.
  • The law shall not, through the medium of its executive capacity, work a wrong.
  • The law does wrong to no one.
  • An act of the law wrongs no man.
  • The law never works an injury, or does him a wrong.
  • The construction of law works not an injury.
  • An argument drawn from what is inconvenient is good in law, because the law will not permit any inconvenience.
  • Nothing inconvenient is lawful.
  • Nothing against reason is lawful.
  • The law which governs corporations is the same as that which governs individuals [godless entities].
  • Nothing against reason is lawful.
  • The laws sometimes sleep, but never die.
  • A contemporaneous exposition is the best and most powerful in the law.
  • The law never suffers anything contrary to truth.
  • Law is the dictate of reason.
  • The law does not notice or care for trifling matters.
  • It is a miserable slavery where the law is vague or uncertain.
  • It is a wretched state of things when the law is vague and mutable.
  • Examples illustrate and do not restrict the law.
  • The disposition of law is firmer and more powerful than the will of man.
  • Law is established for the benefit of man. [Mark 2:27]
  • To be able to know is the same as to know. This maxim is applied to the duty of every one to know the law.
  • We may do what is allowed by law.
  • Ignorance of fact may excuse, but not ignorance of law.
  • Ignorance of facts excuses, ignorance of law does not excuse.
  • In a doubtful case, that is the construction of the law which the words indicate.
  • In doubt, the gentler course is to be followed.
  • In doubt, the safer course is to be adopted.
  • In a deed which may be considered good or bad, the law looks more to the good than to the bad.
  • In things favored what does good is more regarded than what does harm.
  • In all affairs, and principally in those which concern the administration of justice, the rules of equity ought to be followed.
  • In ambiguous things, such a construction is to be made, that what is inconvenient and absurd is to be avoided.
  • Law is the science of what is good and evil.
  • The law punishes falsehood.
  • Reason and authority are the two brightest lights in the world.
  • The reason of the law is the soul of the law.
  • The reason ceasing, the law itself ceases.
  • When the reason, which is the soul of a law, ceases to exist, the law itself should lose its operative effect.
  • In default of the law, the maxim rules.
  • Human laws are born, live and die.
  • It is a perpetual law that no human or positive law can be perpetual.
  • If you depart from the law you will wander without a guide and everything will be in a state of uncertainty to every one. [Joshua 1:8]
  • Where there is no law there is no transgression, as it regards the world. [Romans 4:15]
  • Everything is permitted, which is not forbidden by law.
  • All rules of law are liable to exceptions. [Matthew 12:1-5]
  • What is inconvenient or contrary to reason, is not allowed in law.
  • The laws serve the vigilant, not those who sleep upon their rights.
  • Relief is not given to such as sleep on their rights.
  • Nothing unjust is presumed in law.
  • Acts required by law to be done, admit of no qualification.
  • To know the laws, is not to observe their mere words, but their force and power. [John 6:68]
  • We are all bound to our lawgiver, regardless of our personal interpretation of reality. [Isaiah 33:22, James 4:12]
  • Legality is not reality
  • The law sustains the watchful.
  • Those awake, not those asleep, the laws assist. [1 Timothy 1:9]
  • Legal remedies are for the active and vigilant.
  • What is good and equal, is the law of laws.
  • Whose right it is to institute, his right it is to abrogate.
  • Laws are abrogated or repealed by the same authority by which they are made.
  • The civil law is what a people establishes for itself. [It is not established by God]
  • Many things have been introduced into the common law, with a view to the public good, which are inconsistent with sound reason. [The law of merchants was merged with the common law]
  • The people is the greatest master of error.
  • A man may obey the law and yet be neither honest nor a good neighbor.
  • To investigate [inquire into] is the way to know what things are truly lawful. [2 Timothy 2:15]
  • Those who do not preserve the law of the land, they justly incur the awesome and indelible brand of infamy.
  • An exception to the rule should not destroy the rule.
  • Laws should bind their own maker.
  • Necessity overrules the law.
  • Necessity makes that lawful which otherwise is not lawful.
  • Things which are tolerated on account of necessity ought not to be drawn into precedents.
  • It has been said, with much truth, "Where the law ends, tyranny begins."

 

Marriage

  • The law favors dower; it is the reward of chastity; therefore let it be preserved. [Exodus 22:17]
  • Husband and wife are considered one person in law. [Genesis 2:24]
  • A wife is not her own mistress, but is under the power of her husband.
  • The union of a man and a woman is of the law of nature.
  • Marriages ought to be free.
  • All things which are of the wife, belong to the husband. [Genesis 3:16]
  • Although the property may be the wife's, the husband is the keeper of it, since he is the head of the wife.
  • Consent, and not cohabitation, makes the marriage.
  • Insanity prevents marriage from being contracted, because consent is needed.
  • A wife follows the domicile of her husband.
  • Husband and wife cannot be a witness for, or against, each other, because of the union of person that exists.
  • The right of blood and kindred cannot be destroyed by any civil law. [Acts 17:26-28]
  • Children are the blood of their parents, but the father and mother are not of the blood of the children.

 

Miscellaneous

  • He who has the risk has the dominion or advantage.
  • There is no disputing against a man denying principles.
  • The immediate, and not the remote cause, is to be considered.
  • A consequence ought not to be drawn from another consequence.
  • He who takes away the means, destroys the end.
  • He who destroys the means, destroys the end.
  • He who seeks a reason for everything, subverts reason.
  • Every exception not watched tends to assume the place of the principle.
  • Where there is a right, there is a remedy.
  • For every legal right the law provides a remedy.
  • He who uses the right of another [belonging to Christ] ought to use the same right [of Christ]. [In other words, don't use something new, or something outside of Christ].
  • Liberty is an inestimable good.
  • All shall have liberty to renounce those things which have been established in their favor.
  • Power is not conferred, but for the public good.
  • Power ought to follow, not to precede justice.
  • To know properly is to know the reason and cause of a thing.
  • The useful by the useless is not destroyed.
  • Where there is no act, there can be no force.
  • One may not do an act to himself.
  • A thing done cannot be undone.
  • No man is bound for the advice he gives.
  • He who commands a thing to be done is held to have done it himself.
  • When anything is commanded, everything by which it can be accomplished is also commanded.
  • The principal part of everything is the beginning.
  • To refer errors to their origin is to refute them.
  • The origin of a thing ought to be inquired into.
  • Human nature does not change with time or environment.
  • Anger is short insanity.
  • It is lawful to repel force by force, provided it be done with the moderation of blameless defense, not for the purpose of taking revenge, but to ward off injury.
  • The status of a person is his legal position or condition.
  • A person is a man considered with reference to a certain status.
  • The partner of my partner is not my partner.
  • Use is the master of things, experience is the mistress of things.
  • Protection draws to it subjection, subjection, protection.
  • Error artfully colored is in many things more probable than naked truth; and frequently error conquers truth and reasoning.

 

Officers

  • Ignorance of the Law does not excuse misconduct in anyone, least of all a sworn officer of the law.
  • Summonses or citations should not be granted before it is expressed under the circumstances whether the summons ought to be made.
  • A delegated power cannot be again delegated. A deputy cannot appoint a deputy.
  • An office ought to be injurious to no one.
  • A neglected duty often works as much against the interests as a duty wrongfully performed.
  • Failure to enforce the law does not change it.
  • It is contrary to the Law of Nations to do violence to Ambassadors.
  • An Ambassador fills the place of the king by whom he is sent, and is to be honored as he is whose place he fills.
  • The greatest enemies to peace are force and wrong.
  • Force and wrong are greatly contrary to peace.
  • Force is inimical to the laws.

 

Possession

  • No one gives who does not have.
  • No one can give what he does not own.
  • One cannot transfer to another a right which he has not.
  • He gives nothing who has nothing.
  • Two cannot possess one thing each in entirety.
  • A gift is rendered complete by the possession of the receiver.
  • What is mine cannot be taken away without my consent.
  • He that gives never ceases to possess until he that receives begins to possess.
  • A person in possession is not bound to prove that the possessions belong to him.
  • Things taken or captured by pirates and robbers do not change their ownership.
  • Things which are taken from enemies immediately become the property of the captors.
  • It is one thing to possess, it is another to be in possession.
  • Possession of the termer, possession of the reversioner.

 

Property and Land

  • Land lying unoccupied is given to the first occupant.
  • What belongs to no one, naturally belong to the first occupant.
  • Possession is a good title, where no better title appears.
  • Long possession produces the right of possession, and takes away from the true owner his action.
  • When a man has the possession as well as the right of property, he is said to have jus duplicatum - a double right, forming a complete title.
  • Rights of dominion are transferred without title or delivery, by prescription, to wit, long and quiet possession.
  • Possessor has right against all men but him who has the very right.
  • Enjoy your own property in such a manner as not to injure that of another person.
  • He who owns the soil, owns up to the sky.
  • The owner of a piece of land owns everything above and below it to an indefinite extent.
  • Of whom is the land, of him is it also to the sky and to the deepest depths; he who owns the land owns all above and all below the surface.
  • Every person has exclusive dominion over the soil which he absolutely owns; hence such an owner of land has the exclusive right of hunting and fishing on his land, and the waters covering it.
  • Every man's house is his castle.
  • A citizen cannot be taken by force from his house to be conducted before a judge or to prison.
  • The habitation of each one is an inviolable asylum for him.
  • Whatever is affixed to the soil belongs to it.
  • Rivers and ports are public, therefore the right of fishing there is common to all.
  • Land comprehends any ground soil, or earth whatsoever; as meadows, pastures, woods, moors, waters, and marshes.

 

Right and Wrong

  • A right cannot arise from a wrong.
  • You are not to do evil that good may come of it.
  • It is not lawful to do evil that good may come of it.
  • That interpretation is to be received, which will not intend a wrong.
  • It is better to suffer every wrong or ill, than to consent to it.
  • It is better to recede than to proceed wrongly.
  • To lie is to go against the mind.
  • The multitude of those who err is no excuse for error. [Exodus 23:2]
  • No one is considered as committing damages, unless he is doing what he has no right to do.
  • No one shall take advantage of his own wrong.
  • No man ought to derive any benefit of his own wrong.
  • No one ought to gain by another's loss.
  • No one ought to enrich himself at the expense of others.
  • No one can improve his condition by a crime.
  • He who uses his legal rights, harms no one.
  • An error not resisted is approved.
  • He who is silent appears to consent.
  • Things silent are sometimes considered as expressed.
  • To conceal is one thing, to be silent another.
  • Concealment of the truth is (equivalent to) a statement of what is false.
  • Suppression of fact, which should be disclosed, is the same in effect as willful misrepresentation.
  • Evil is not presumed.
  • It is safer to err on the side of mercy.

 

Scriptural

  • Unequal things ought not to be joined. [2 Corinthians 6:14]
  • Things unite with similar things.
  • The law is no respecter of persons. [Acts 10:34]
  • Time runs against the slothful and those who neglect their rights. [Proverbs 24:30-31]
  • Debts follow the person of the debtor.
  • The most favorable construction is made in restitutions. [Exodus 22:5-6,12]
  • Where damages are given, the losing party should pay the costs of the victor.
  • In many counselors there is safety. [Proverbs 11:14; 15:22; 24:6]
  • Remove the foundation, the structure or work fall. [Luke 6:48-49]
  • A legacy is confirmed by the death of the testator, in the same manner as a gift from a living person is by delivery alone. [Hebrews 9:16]
  • The will of a testator is ambulatory (alterable, revocable) up to his death. [Hebrews 9:16-17]
  • Every will is completed at death. A will speaks from the time of death only. [Hebrews 9:16-17]
  • The last will of a testator is to be fulfilled according to his real intention.
  • To insult the deity is an unpardonable offense. [Matthew 12:31]
  • Women are excluded from all civil and public charges or offices. [1 Timothy 2:12, 1 Corinthians 14:34].
  • He who is in the womb, is considered as born, whenever it is for his benefit. [Job 31:15, Isaiah 49:1,5, Jeremiah 1:5]
  • He who first offends, causes the strife. [Matthew 5:22]
  • He who pays tardily, pays less than he ought. [Leviticus 19:13, Deuteronomy 24:14-15]
  • The beaten path is the safe path; the old way is the safe way. [Jeremiah 6:16]

 

Servants and Slaves

  • Whatever is acquired by the servant, is acquired for the master.
  • A slave is not a person.
  • A slave, and everything a slave has, belongs to his master.
  • He who acts by or through another, acts for himself.
  • He who does anything through another, is considered as doing it himself.
  • The master is liable for injury done by his servant.
  • He is not presumed to consent who obeys the orders of his father or his master.

 

Wisdom and Knowledge

  • If you know not the names of things, the knowledge of things themselves perishes; and of you lose the names, the distinction of the things is certainly lost.
  • Names are mutable, but things immutable.
  • Names of things ought to be understood according to common usage, not according to the opinions of individuals.
  • A name is not sufficient if a thing or subject for it does not exist by law or by fact.
  • Not to believe rashly is the nerve of wisdom.
  • Reason is a ray of the Divine Light. [Isaiah 1:18]
  • Abundant caution does no harm.
  • External acts indicate undisclosed thoughts.
  • External actions show internal secrets.
  • Outward acts evince the inward purpose.
  • You will perceive many things more easily by practice than by rules.
  • Remove the cause and the effect will cease.
  • Give the things which are yours whilst they are yours; after death they are not yours.

 

Witnesses and Proof

  • A witness is a person who is present at and observes a transaction. [The government only has over persons, not substance. Any video tape, audio tape, computer printout, etc. that are used as witnesses
  • The answer of one witness shall not be heard. [Deuteronomy 19:15]
  • The testimony of one witness, unsupported, may not be enough to convict; for there may then be merely oath against oath.
  • This is a maxim of the civil law, where everything must be proved by two witnesses. [Matthew 18:16, 2 Corinthians 13:1]
  • In law, none is credited unless he is sworn. All facts must, when established by witnesses, be under oath or affirmation.
  • A confession made in court is of greater effect than any proof.
  • No man is bound to produce writings against himself.
  • No one can be made to testify against himself or betray himself.
  • No one is bound to accuse himself.
  • No one ought to accuse himself, unless before God.
  • One making a voluntary confession, is to be dealt with more mercifully.
  • He ought not to be heard who advances a proposition contrary to the rules of law.
  • False in one (particular), false in all.
  • Deliberate falsehood in one matter will be imputed to related matters.
  • He who alleges contradictory things is not to be listened to.
  • Proofs are to be weighed not numbered; that is, the more worthy or credible are to be believed. [It doesn't matter how many men say something, because the Word of God is superior to all. It does not matter how many people believe a lie, it's still a lie. And in a democracy, a lie is the truth].
  • A presumption will stand good until the contrary is proved.
  • The presumption is always in favor of the one who denies.
  • All things are presumed to be lawfully done and duly performed until the contrary is proved.
  • When the plaintiff does not prove his case, the defendant is absolved.
  • When opinions are equal, a defendant is acquitted.
  • An act done by me against my will is not my act.
  • What does not appear and what is not is the same; it is not the defect of law, but the want of proof.
  • The faculty or right of offering proof is not to be narrowed.
  • The latter decisions are stronger in law.
  • No one is restrained from using several defenses.
  • No one is bound to inform about a thing he knows not, but he who gives information is bound to know what he says.
  • No one is bound to expose himself to misfortune and dangers.
  • Plain truths need not be proved.
  • What is clearly apparent need not be proved.
  • One eye witness is better than ten ear ones.
  • An eye witness outweighs others.
  • What appears to the court needs not the help of witnesses.
  • It is in the nature of things, that he who denies a fact is not bound to prove it.
  • The burden of proof lies upon him who affirms, not on him who denies.
  • The claimant is always bound to prove: the burden of proof lies on him.
  • Upon the one alleging, not upon him denying, rests the duty of proving.
  • Upon the plaintiff rests the proving – the burden of proof.
  • The necessity of proving lies with him who makes the charge.
  • When the law presumes the affirmative, the negative is to be proved.
  • When the proofs of facts are present, what need is there of words.
  • It is vain to prove that which if proved would not aid the matter in question.
  • Facts are more powerful than words.
  • Negative facts are not proof.
  • Witnesses cannot testify to a negative; they must testify to an affirmative.
  • Better is the condition of the defendant, than that of the plaintiff.
  • What is not proved and what does not exist are the same; it is not a defect of the law, but of proof.
  • Principles prove, they are not proved.
  • There is no reasoning of principles.
  • All things are presumed to have been done in due and solemn form.

 

Source: https://ecclesia.org/truth/maxims.html

 

MAXIM

An established principle or proposition. A principle of law universally admitted as being just and consonant with reason. Maxims in law (a status of; a citizen: a legally recognized subject or national of a state or commonwealth, either native or naturalized.) are somewhat like axioms in geometry. They are principles and authorities, and part of the general customs or common law of the land; and are of the same strength as acts of parliament, when the judges have determined what is a maxim; which belongs to the judges and not the jury. Maxims of the law are holden for law, and all other cases that may be applied to them shall be taken for granted.The application of the maxim to the case before the court is generally the only difficulty. The true method of making the application is to ascertain how the maxim arose, and to consider whether the case to which it is applied is of the same character, or whether it is an exception to an apparently general rule.The alterations of any of the maxims of the common law are dangerous.

 

  • burger
citizen, commoner, burgess, freeman, gownsman
  • staatsburger/staatsburgeres
citizen
  • poorter
burgher, citizen, freeman
 

Source: https://www.lectlaw.com/def2/m096.htm

 

 

Genesis 26:5 עֵקֶב אֲשֶׁר־שָׁמַע אַבְרָהָם בְּקֹלִי וַיִּשְׁמֹר מִשְׁמַרְתִּי מִצְוֹתַי חֻקֹּותַי וְתֹורֹתָֽי׃
Masoretic Text
Reverse Interlinear English (KJV) [?] Strong's Root Form (Hebrew) Parsing
Because h6118   
עֵקֶב `eqeb
that Abraham h85   
אַבְרָהָם 'Abraham
obeyed h8085   
שָׁמַע shama`
my voice, h6963   
קוֹל qowl
and kept h8104   
שָׁמַר shamar
my charge, h4931   
מִשְׁמֶרֶת mishmereth
my commandments, h4687   
מִצְוָה mitsvah
my statutes, h2708   
חֻקָּה chuqqah
and my laws. h8451   
תּוֹרָה towrah

 

Lexicon :: Strong's H8451 - towrah

תּוֹרָה

Transliteration

towrah

Pronunciation

tō·rä' (Key) 

Part of Speech

feminine noun

Root Word (Etymology)

From יָרָה (H3384)

Dictionary Aids

TWOT Reference: 910d

KJV Translation Count — Total: 219x

The KJV translates Strongs H8451 in the following manner: law (219x).

Outline of Biblical Usage

  1. law, direction, instruction
    1. instruction, direction (human or divine)
      1. body of prophetic teaching
      2. instruction in Messianic age
      3. body of priestly direction or instruction
      4. body of legal directives
    2. law
      1. law of the burnt offering
      2. of special law, codes of law
    3. custom, manner
    4. the Deuteronomic or Mosaic Law

 

Lexicon :: Strong's H3384 - yarah

יָרָה

Transliteration

yarah

Pronunciation

yä·rä' (Key) 

Part of Speech

verb

Root Word (Etymology)

A primitive root

Dictionary Aids

TWOT Reference: 910

KJV Translation Count — Total: 84x

The KJV translates Strongs H3384 in the following manner: teach (42x), shoot (18x), archers (5x),cast (5x), teacher
 (4x), rain (2x), laid (1x), direct (1x), inform (1x), instructed (1x), shewed (1x),
shooters (1x), through (1x), watered (1x).

Outline of Biblical Usage

  1. to throw, shoot, cast, pour
    1. (Qal)
      1. to throw, cast
      2. to cast, lay, set
      3. to shoot arrows
      4. to throw water, rain
    2. (Niphal) to be shot
    3. (Hiphil)
      1. to throw, cast
      2. to shoot
      3. to point out, show
      4. to direct, teach, instruct
      5. to throw water, rain

 

Lexicon :: Strong's G1785 - entolē

ἐντολή

Transliteration

entolē

Pronunciation

en-to-lā' (Key) 

Part of Speech

feminine noun

Root Word (Etymology)

From ἐντέλλω (G1781)

Dictionary Aids

Vine's Expository Dictionary: View Entry

TDNT Reference: 2:545,234

KJV Translation Count — Total: 71x

The KJV translates Strongs G1785 in the following manner: commandment (69x), precept (2x).

Outline of Biblical Usage

  1. an order, command, charge, precept, injunction
    1. that which is prescribed to one by reason of his office
  2. a commandment
    1. a prescribed rule in accordance with which a thing is done
      1. a precept relating to lineage, of the Mosaic precept concerning the priesthood
      2. ethically used of the commandments in the Mosaic law or Jewish tradition

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)

ἐντολή entolḗ, en-tol-ay'; from G1781; injunction, i.e. an authoritative prescription:—commandment, precept.

 

Exodus 18:

13 And it came to pass on the morrow, that Moses sat to judge the people: and the people stood by Moses from the morning unto the evening.

14 And when Moses' father in law saw all that he did to the people, he said, What is this thing that thou doest to the people? why sittest thou thyself alone, and all the people stand by thee from morning unto even?

15 And Moses said unto his father in law, Because the people come unto me to enquire of God:

16 When they have a matter, they come unto me; and I judge between one and another, and I do make them know the statutes of God, and his laws.

17 And Moses' father in law said unto him, The thing that thou doest is not good.

18 Thou wilt surely wear away, both thou, and this people that is with thee: for this thing is too heavy for thee; thou art not able to perform it thyself alone.

19 Hearken now unto my voice, I will give thee counsel, and God shall be with thee: Be thou for the people to God-ward, that thou mayest bring the causes unto God:

20 And thou shalt teach them ordinances and laws, and shalt shew them the way wherein they must walk, and the work that they must do.

21 Moreover thou shalt provide out of all the people able men, such as fear God, men of truth, hating covetousness; and place such over them, to be rulers of thousands, and rulers of hundreds, rulers of fifties, and rulers of tens:

22 And let them judge the people at all seasons: and it shall be, that every great matter they shall bring unto thee, but every small matter they shall judge: so shall it be easier for thyself, and they shall bear the burden with thee.

23 If thou shalt do this thing, and God command thee so, then thou shalt be able to endure, and all this people shall also go to their place in peace.

24 So Moses hearkened to the voice of his father in law, and did all that he had said.

25 And Moses chose able men out of all Israel, and made them heads over the people, rulers of thousands, rulers of hundreds, rulers of fifties, and rulers of tens.

26 And they judged the people at all seasons: the hard causes they brought unto Moses, but every small matter they judged themselves.

 

 

 

 

Exodus 24

12 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Kom tot Mij op den berg, en wees aldaar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen.

Leviticus 27

34 Dit zijn de geboden (TORAH), die de HEERE (YHWH) Mozes geboden heeft, aan de kinderen Israëls, op den berg Sinaï.

Spreuken 3

Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden (TORAH en tien geboden).

Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.

Romeinen 2

13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;

Romeinen 3

20 Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.
31 
Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet.

 

Johannes 1

17 Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

Romeinen 4

16 Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;

Genade:
Het is een spontane, niet verdiende goddelijke gunst.
Een situatie dat God of iemand anders je je verdiende straf niet geeft.
Clementie, vergeving, gratie, pardon, vergiffenis, barmhartigheid, begenadiging, goedertierenheid

Ezechiël 44

23 En zij zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine.

24 En over een twistzaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn gezette hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen.

 

Jesaja 1

13 Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden (Jan t/m Dec), en sabbatten (zondag), en het bijeenroepen der vergaderingen (jullie houden bijeenkomsten ter ere van mij) vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.

14 Uw nieuwe maanden  (Jan t/m Dec) en uw gezette hoogtijden (Bv: Kerstmis, Haloween, Carnaval, Valentijnsdag)  haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen.

 

Deuteronomium 5

27 Nader gij, en hoor alles, wat de HEERE, onze God, zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de HEERE, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen.

28 Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, toen gij tot mij spraakt, zo zeide de HEERE tot mij: Ik heb gehoord de stem der woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is altemaal goed, dat zij gesproken hebben.

29 Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dagen te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!

30 Ga, zeg hun: Keert weder naar uw tenten.

31 Maar gij, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die gij hun leren zult, dat zij ze doen in het land, hetwelk Ik hun geven zal, om dat te erven.

32 Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechter-, noch ter linkerhand.

33 In al den weg, dien de HEERE, uw God, u gebiedt, zult gij gaan; opdat gij leeft, en dat het u welga, en gij de dagen verlengt in het land, dat gij erven zult.

Deuteronomium 6

Bevel om Gods geboden te bewaren

Dit zijn dan de geboden, de inzettingen en de rechten, die de HEERE (YHWH), uw God, geboden heeft om u te leren; opdat gij ze doet in het land, naar hetwelk gij heentrekt, om dat erfelijk te bezitten;

Opdat gij den HEERE (YHWH), uw God, vrezet, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al de dagen uws levens; en opdat uw dagen verlengd worden.

Hoor dan, Israël! en neem waar, dat gij ze doet, opdat het u welga, en opdat gij zeer vermenigvuldigdet (gelijk als u de HEERE, uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende.

Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!

Zo zult gij den HEERE(YHWH), uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.

En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.

En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.

Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.

En gij zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven.

10 Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt,

11 En huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;

12 Zo wacht u, dat gij den HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.

13 Gij zult den HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren.

14 Gij zult andere goden niet navolgen, van de goden der volken, die rondom u zijn.

15 Want de HEERE, uw God is een ijverig God in het midden van u; dat de toorn des HEEREN, uws Gods, tegen u niet ontsteke, en Hij u van den aardbodem verdelge.

16 Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.

17 Gij zult de geboden des HEEREN, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.

18 En gij zult doen, wat recht en goed is in de ogen des HEEREN; opdat het u welga, en dat gij inkomt, en erft het goede land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft;

19 Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als de HEERE gesproken heeft.

20 Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die de HEERE, onze God, ulieden geboden heeft?

21 Zo zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Faraö in Egypte; maar de HEERE(YHWH) heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd.

22 En de HEERE (YHWH) gaf tekenen, en grote en kwade wonderen, in Egypte, aan Faraö en aan zijn ganse huis, voor onze ogen;

23 En hij voerde ons van daar uit, opdat Hij ons inbracht, om ons het land te geven, dat Hij onzen vaderen gezworen had.

24 En de HEERE gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vrezen den HEERE (YHWH), onzen God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is.

25 En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht des HEEREN (YHWH), onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.

Exodus 3
15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: De HEERE YHWH (iaoue/Yaweh)יְהוָה,

 de God uwer vaderen יְהוָה אֱלֹהֵי, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.

Johannes 14

15 Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden (TORAH).

1 Johannes 3
23 En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.

Ezechiël 20
12 Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben, Die hen heilige.

Deuteronomium 10

Vermaning God te dienen

12 Nu dan, Israël! wat eist de HEERE, uw God van u dan den HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den HEERE, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;

13 Om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.

14 Ziet, des HEEREN, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.

15 Alleenlijk heeft de HEERE lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is.

16 Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer.

17 Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;

18 Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.

19 Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.

20 Den HEERE (YHWH), uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.

21 Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.

22 Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u de HEERE, uw God, gesteld als de sterren des hemels in menigte.


Jozua 23

Dat gij niet ingaat tot deze volken: deze, die overgebleven zijn bij ulieden; gedenkt ook niet aan den naam hunner goden, en doet er niet bij zweren, en dient hen niet, en buigt u voor die niet;

Jeremía 12

16 En het zal geschieden, indien zij de wegen Mijns volks vlijtiglijk zullen leren, zwerende bij Mijn NaamZo waarachtig als de HEERE leeft! gelijk als zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden Mijns volks gebouwd worden.

Leviticus 19

12 Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.

1 Johannes 2

1 Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige;

2 En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.

3 En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren.

4 Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet;

5 Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.

Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.

7 Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt.

8 Wederom schrijf ik u een nieuw gebod: hetgeen waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu.

9 Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe.

10 Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en geen ergernis is in hem.

11 Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

12 Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.

13 Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend.

14 Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.

15 Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

16 Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.

17 En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.

18 Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.

19 Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.

20 Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.

21 Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is.

22 Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.

23 Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet.

24 Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven.

25 En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.

26 Dit heb ik u geschreven van degenen, die u verleiden.

27 En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.

28 En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst.

29 Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is, zo weet gij, dat een iegelijk, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is.


Jesaja 8
16 Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen.

 

1 Johannes 3

18 Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.

19 En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem.

20 Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.

21 Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God;

22 En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden (TORAH) bewaren, en doen, hetgeen behagelijk is voor Hem.

23 En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Yeshua Hamashiach, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.

24 En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft.

Openbaringen 12:
En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg (oorlog) te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.

 

Openbaring 13 

10 Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.

Psalmen 139

23 Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.

Psalmen 43

Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;

En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!

De eerlijke levenswandel temidden der heidenen

11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;

12 En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

13 Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;

14 Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.

15 Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;

16 Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God.

17 Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.

1 Petrus 1

23 Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaaddoor het levende en eeuwig blijvende Woord van God.

Deuteronomium 4

Mozes vermaant het volk tot onderhouding van Gods geboden

Nu dan, Israël! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de HEERE, uwer vaderen God, u geeft.

Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.

Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-Peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan.

Gij daarentegen, die den HEERE, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende.

Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE (YHWH), mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven.

Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk!

Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de HEERE, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen?

En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?

Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken.

10 Ten dage, als gij voor het aangezicht des HEEREN (YHWH), uws Gods, aan Horeb stondt, als de HEERE tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;

11 En gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels; er was duisternis, wolken en donkerheid).

12 Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem.

13 Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.

14 Ook gebood mij de HEERE (YHWH) ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven.

15 Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEERE op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak;

16 Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw,

17 De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;

18 De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van enigen vis, die in het water is onder de aarde;

19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE, uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.

20 Maar ulieden heeft de HEERE (YHWH) aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.

21 Ook vertoornde Zich de HEERE over mij, om ulieder woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de HEERE (YHWH), uw God, u ter erfenis geven zal.

22 Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar gij zult er overgaan, en datzelve goede land erven.

23 Wacht u, dat gij het verbond des HEEREN, uws Gods, hetwelk Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de HEERE, uw God, u verboden heeft.

24 Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.

25 Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen des HEEREN, uws Gods, om Hem tot toorn te verwekken;

26 Zo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuige tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.

27 En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u henen leiden zal.

28 En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.

29 Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

30 Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.

31 Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.

32 Want, vraag toch naar de vorige dagen, die vóór u geweest zijn, van dien dag af, dat God den mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde des hemels tot aan het andere einde des hemels, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit:

33 Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en levend zij gebleven?

34 Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al hetgeen de HEERE (YHWH), uw God (Elohiem), ulieden voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?

35 U is het getoond, opdat gij wetet, dat de HEERE (YHWH) die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!

36 Van den hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en gij hebt Zijn woorden uit het midden des vuurs gehoord.

37 En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen verkoren had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;

38 Om volken, die groter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hunlieder land ter erfenis gave, als het te dezen dage is.

39 Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!

40 En gij zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE (YHWH), uw God, u geeft, voor altoos.

Drie vrijsteden verordend

41 Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon;

42 Opdat daarheen vlood de doodslager, die zijn naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in een van deze steden vlood en levend bleef;

43 Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.

Herhaling van de wet der tien geboden

44 Dit is nu de wet, die Mozes den kinderen Israëls voorstelde:

45 Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israëls, als zij uit Egypte waren uitgetogen;

46 Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; welken Mozes sloeg, en de kinderen Israëls, als zij uit Egypte waren uitgetogen,

47 En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Bazan; twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen den opgang der zon;

48 Van Aroër af, dat aan den oever der beek Arnon is, tot aan den berg Sion, welke is Hermon;

49 En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee des vlakken velds, onder Asdoth-Pisga.

Handelingen 2

Uitstorting van den Heiligen Geest

En als de dag van het Pinksterfeest (Shavuot/wekenfeestvervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.

En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.

En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.

En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn.

En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galiléërs?

En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?

Parthers, en Méders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotámië, en Judéa, en Cappadócië, Pontus en Azië;

10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libyë, hetwelk bij Cyréne ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;

11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.

12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?

13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.

Toespraak van Petrus op den Pinksterdag

14 Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.

15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van den dag.

16 Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël:

17 En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.

18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.

19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.

20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, (Bloed manen 2014 en 2015 en zonsverdistering) eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt. 

21 En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.

22 Gij Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazaréner, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;

23 Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;

24 Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.

25 Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde.

26 Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;

27 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.

28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.

29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.

30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;

31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.

32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.

33 Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.

34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand.

35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.

36 Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.

De eerste bekeerden

37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?

38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.

39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.

40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!

41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.

42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.

43 En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.

44 En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;

45 En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.

46 En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten;

47 En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.

2 Kronieken 34

Het wedergevonden wetboek

In het achttiende jaar nu zijner regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azália, en Maäséja, den overste der stad, en Joha, den zoon van Jóahaz, den kanselier, om het huis des HEEREN, zijns Gods, te verbeteren.

En zij kwamen tot Hilkía, den hogepriester, en zij gaven het geld, dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het ganse overblijfsel van Israël, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren;

10 Zij nu gaven het in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN, en deze gaven dat dengenen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis des HEEREN, om het huis te vermaken en te verbeteren.

11 Want zij gaven het den werkmeesters en den bouwlieden, om gehouwen stenen te kopen, en hout tot de samenvoegingen, en om de huizen te zolderen, die de koningen van Juda verdorven hadden.

12 En die mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over dezelve waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merári, mitsgaders Zacharía en Mesullam, van de kinderen der Kohathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.

13 Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtlieden, en poortiers.

14 En als zij het geld uitnamen, dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester Hilkía het wetboek des HEEREN,gegeven door de hand van Mozes.

15 En Hilkía antwoordde en zeide tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En Hilkía gaf Safan dat boek.

16 En Safan droeg dat boek tot den koning; daarbenevens bracht hij nog den koning bescheid weder, zeggende: Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij;

17 En zij hebben het geld samengestort, dat in het huis des HEEREN gevonden is, en hebben het gegeven in de hand der bestelden, en in de hand dergenen, die het werk maakten.

18 Voorts gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: Hilkía, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht des konings.

19 Het geschiedde nu, als de koning de woorden der wet hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.

20 En de koning gebood Hilkía, en Ahíkam, den zoon van Safan, en Abdon, den zoon van Micha, en Safan, den schrijver, en Asája, den knecht des konings, zeggende:

21 Gaat heen, vraagt den HEERE voor mij, en voor het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des HEEREN is groot, die over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord des HEEREN, om te doen naar al hetgeen in dat boek geschreven is.

 

 

 

Er zijn menselijke wetten waaraan JIJ je moet houden, maar YHWH (God) heeft zijn eigen wetten waaraan wij mensen eerst aan moeten voldoen. Maar er komt een tijd dat er van ons mensen wordt GEËIST dat wij de menselijke wetten boven die van YHWH moeten zetten en als je die niet doet krijg je geen geld, eten, drinken, onderdak, enz...

Maar dan moeten wij als mensen kiezen voor YHWH anders val je NIET onder Zijn bescherming.
Maar dan wordt je wel gedood (onthoofd) door mensen.
Daarom is het zo belangrijk om YHWH zijn wetten te kennen en doen.
En ook Zijn leefregels en Zijn feestdagen te kennen.
Leer de wijsheid van YHWH kennen niet de wijsheid van deze wereld.
Nadat je overlijd slaap je tot de wederopstanding, maar er zijn er twee opstandingen.

De eerste opstanding: is van Yeshua en dan leef je voor eeuwig.
De tweede opstanding: is die van Satan en die leid tot de dood in vuur en sulfer, genaamd de eeuwige dood.

Je moet nu in DIT leven ervoor kiezen, welke van de twee toekomsten je wilt hebben.

Jesaja 33
22 
Want de HEERE (YHWH) is onze Rechter, de HEERE (YHWH) is onze Wetgever, de HEERE (YHWH) is onze Koning. Hij zal ons behouden.

 

Martial Law = Krijgswet / staat van beleg


Tobit 3
2. U bent rechter van de wereld.

Galaten 2

21 Ik doe de genade Gods niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.

1Ti 1:8
But 
G1161 we know G1492 that G3754 the law G3551 is good, G2570 if G1437 a man G5100 use G5530 it G846lawfully; G3545


1 Timótheüs 1

Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt;

Deuteronomium 4
Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.

Deuteronomium 12

32 Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.

2 Timótheüs 4

Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:
Predik het Woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;
En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.
Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.

Kittelachtig:
kittelig, prikkelbaar, lichtgeraakt, Kietelend, Kriegel.  

Tobit 3
Overmand door verdriet barstte ik in tranen uit, en snikkend bad ik: 
‘Heer, u bent rechtvaardig, alles wat u doet is rechtvaardig. Al uw daden getuigen van uw barmhartigheid en trouw. U bent rechter van de wereld.
Vergeet mij toch niet en vestig uw blik op mij, Heer, en straf mij niet voor mijn zonden en mijn onbezonnen daden, noch voor die van mijn voorouders. Ze hebben tegen u gezondigd en uw geboden niet in acht genomen. 
Daarom hebt u ons prijsgegeven aan plundering, ballingschap en dood, en worden we bespot, belasterd en beledigd door alle volken waaronder we zijn verstrooid. 
Ja, uw oordeel over mij is rechtvaardig, want ik heb gezondigd. We hebben uw geboden niet in acht genomen en zijn u niet trouw gebleven. 
Doe daarom met mij wat u wilt, gebied toch dat mijn levensadem wordt teruggenomen. Dan word ik tenminste verlost van dit aardse bestaan en verga ik tot stof. Ik kan maar beter sterven dan dat ik nog langer moet leven, want de leugenachtige verwijten die ik heb moeten aanhoren, hebben me diep gegriefd. Ach Heer, gebied toch dat ik van deze ellende word bevrijd en laat me naar mijn eeuwige rustplaats gaan. Wend uw blik niet van me af, Heer, want het is beter dat ik sterf dan dat ik in ellende moet leven en me vals moet laten beschuldigen.’ 

Exodus 23

Wetten over laster en valse getuigenis
Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij den goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.
Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.
Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
Wanneer gij uws vijands os, of zijn dwalenden ezel, ontmoet, gij zult hem denzelven ganselijk wederbrengen.
Wanneer gij uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.
Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
Zijt verre van valse zaken; en den onschuldige en gerechtige zult gij niet doden; want Ik zal den goddeloze niet rechtvaardigen.
Ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak der rechtvaardigen.
Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken; want gij kent het gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest zijt in Egypteland.
10 Gij zult ook zes jaar uw land bezaaien, en deszelfs inkomst verzamelen;
11 Maar in het zevende zult gij het rusten en stil liggen laten, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten des velds eten mogen; alzo zult gij ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen.
12 Zes dagen zult gij uw werken doen; maar op den zevenden dag zult gij rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon uwer dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe.
13 In alles, wat Ik tot ulieden gezegd heb, zult gij op uw hoede zijn; en den naam van andere goden zult gij niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden!
De drie hoge feesten
14 Drie reizen in het jaar zult gij Mij feest houden.
15 Het feest van de ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), ter bestemder tijd in de maand Abib, want in dezelve zijt gij uit Egypte getogen; doch men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen.
16 En het feest des oogstes, der eerste vruchten van uw arbeid, die gij op het veld gezaaid zult hebben. En het feest der inzameling, op den uitgang des jaars, wanneer gij uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben.
17 Drie malen des jaars zullen al uw mannen voor het aangezicht des Heeren HEEREN verschijnen.
18 Gij zult het bloed Mijns offers met geen gedesemde broden offeren; ook zal het vette Mijns feestes tot op den morgen niet vernachten.
19 De eerstelingen der eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des HEEREN uws Gods brengen. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.
Gods geleide
20 Ziet, Ik zende een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb.
21 Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.
22 Maar zo gij Zijner stem naarstiglijk gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uwer vijanden vijand, en uwer wederpartijders wederpartij zijn.
23 Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.
24 Gij zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult gij naar hun werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen.
25 En gij zult den HEERE (YHWH) uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de krankheden uit het midden van u weren.
26 Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal uwer dagen vervullen.
27 Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot hetwelk gij komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u den nek toekeren.
28 Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten.
29 Ik zal hen in een jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde.
30 Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
31 En Ik zal uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot.
32 Gij zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken.
33 Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.
 

Deuteronomium 8

Israël tot gehoorzaamheid vermaand
Alle geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat de HEERE aan uw vaderen gezworen heeft.
En gij zult gedenken aan al den weg, dien u de HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.
En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN (YHWH) mond uitgaat.
Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren.
Bekent dan in uw hart, dat de HEERE, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt.
En houdt de geboden des HEEREN, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.
Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten;
Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig;
Een land, waarin gij brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult.
10 Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult gij den HEERE (YHWH), uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.
11 Wacht u, dat gij den HEERE, uw God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede;
12 Opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen,
13 En uw runderen en uw schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat gij hebt vermeerderd zal zijn;
14 Uw hart zich alsdan verheffe, dat gij vergeet den HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft;
15 Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;
16 Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed;
17 En gij in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen.
18 Maar gij zult gedenken den HEERE, uw God, dat Hij het is, Die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is.
19 Maar indien het geschiedt, dat gij den HEERE, uw God, ganselijk vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u voor dezelve buigt, zo betuig ik heden tegen u, dat gij voorzeker zult vergaan.
20 Gelijk de heidenen, die de HEERE voor uw aangezicht verdaan heeft, alzo zult gij vergaan, omdat gij de stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn.


Exodus 24

Mozes en de oudsten op den berg
Daarna zeide Hij tot Mozes: Klim op tot den HEERE (YHVH), gij en Aäron, Nadab en Abíhu, en zeventig van de oudsten van Israël; en buigt u neder van verre!
En dat Mozes alleen zich nadere tot den HEERE (YHWH), maar dat zij niet naderen; en het volk klimme ook niet op met hem.
Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden des HEERE (YHWH), en al de rechten, toen antwoordde al het volk met één stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die de HEERE (YHWH) gesproken heeft, zullen wij doen.
Mozes nu beschreef al de woorden des HEEREN (YHWH), en hij maakte zich des morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan den berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël.
En hij zond de jongelingen van de kinderen Israëls, die brandofferen offerden, en den HEERE (YHWH) dankofferen offerden, van jonge ossen.
En Mozes nam de helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar.
En hij nam het boek des verbonds, en hij las het voor de oren des volks; en zij zeiden: Al wat de HEERE (YHWH) gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen.
Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zeide: Ziet, dit is het bloed des verbonds, hetwelk de HEERE (YHWH) met ulieden gemaakt heeft over al die woorden.
Mozes nu en Aäron klommen opwaarts, ook Nadab en Abíhu, en zeventig van de oudsten van Israël.
10 En zij zagen den God van Israël, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestaltenis des hemels in zijn klaarheid.
11 Doch Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de kinderen Israëls; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden.
12 Toen zeide de HEERE (YHWH) tot Mozes: Kom tot Mij op den berg, en wees aldaar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen.
13 Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom op den berg Gods.
14 En hij zeide tot de oudsten: Blijft gij ons hier, totdat wij weder tot u komen; en ziet, Aäron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot dezelve komen.
15 Toen Mozes op den berg geklommen was, zo heeft een wolk den berg bedekt.
16 En de heerlijkheid des HEEREN (YHWH) woonde op den berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op den zevenden dag riep Hij Mozes uit het midden der wolk.
17 En het aanzien der heerlijkheid des HEEREN (YHWH) was als een verterend vuur, op het opperste diens bergs, in de ogen der kinderen Israëls.
18 En Mozes ging in het midden der wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en Mozes was op dien berg veertig dagen en veertig nachten.
 


Zwarte top van de berg waarop YHWH als verterend voor Mozes verscheen Sinaï Saudi Arabië.    


       Dit zijn de 12 kolommen van Mozes.





Altaar van Mozes

Jozua 1

HET BOEK JOZUA

God beveelt Jozua Israël naar Kanaän te geleiden

Het geschiedde nu, na den dood van Mozes, den knecht des HEEREN (YHWH), dat de HEERE (YHWH) tot Jozua, den zoon van Nun, den dienaar van Mozes, sprak, zeggende:

Mijn knecht Mozes is gestorven; zo maak u nu op, trek over deze Jordaan, gij en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, den kinderen Israëls, geve.

Alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb.

Van de woestijn en dezen Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het ganse land der Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen den ondergang der zon, zal ulieder landpale zijn.

Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.

Wees sterk en heb goeden moed! want gij zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaderen heb gezworen hun te geven.

Alleenlijk wees sterk en heb zeer goeden moed, dat gij waarneemt te doen naar de ganse wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter- noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt alom, waar gij zult gaan;

Dat het boek dezer wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen.

Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goeden moed, en verschrik niet, en ontzet u niet; want de HEERE, uw God, is met u alom, waar gij heengaat.

 

Jozua 8

Jozua bouwt een altaar op den berg Ebal

30 Toen bouwde Jozua een altaar den HEERE (YHVH), den God van Israël, op den berg Ebal;

31 Gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN (YHVH), den kinderen Israëls geboden had, achtereenvolgens hetgeen geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van gehele stenen, over dewelke men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij den HEERE (YHVH) brandofferen; ook offerden zij dankofferen.

32 Aldaar schreef hij ook op stenen een dubbel van de wet van Mozes, hetwelk hij geschreven heeft voor het aangezicht der kinderen Israëls.

33 En gans Israël met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan gene zijde der ark, voor de Levietische priesteren, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zo vreemdelingen (aliens, Nephelims, gevallen engelen) als inboorlingen, een helft daarvan tegenover den berg Gerizîm, en een helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN (YHVH), bevolen had; om het volk van Israël in het eerst te zegenen.

34 En daarna las hij overluid al de woorden der wet, de zegening en den vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat.

35 Daar was niet één woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de gehele gemeente van Israël, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en de vreemdelingen (aliens, Nephelims, gevallen engelen), die in het midden van hen wandelden. 

 

Deuteronomium 31

Voorschriften voor het bewaren en voorlezen der wet

En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesteren, de zonen van Levi, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, en aan alle oudsten van Israël.

10 En Mozes gebood hun, zeggende:

Ten einde van zeven jaren, op den gezetten tijd van het jaar der vrijlating, op het feest der loofhutten.

11 Als gans Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN (YHVH), uws Gods, in de plaats, die Hij zal verkoren hebben, zult gij deze wet voor gans Israël uitroepen, voor hun oren;

12 Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen (aliens, Nephelims, gevallen engelen), die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den HEERE (YHVH) , uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet.

13 En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen den HEERE (YHVH), uw God, al de dagen, die gij leeft op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om dat te erven.

24 En het geschiedde, als Mozes voleind had de woorden dezer wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren;

25 Zo gebood Mozes den Levieten, die de ark des verbonds des HEEREN (YHVH) droegen, zeggende:

26 Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark des verbonds des HEEREN (YHWH), uws Gods, dat het aldaar zij ten getuige tegen u.

Installing a Mezuzah on Your Door
How to Affix a Mezuzah
IT'S MY MEZUZAH
Mezuzah Up (short version) by Rabbi Yosef Moscowit

 

Deuteronomium 6

Hoor, Israël! de HEERE (YHWH), onze God, is een enig HEERE (YHWH)!

Zo zult gij den HEERE (YHWH), uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.

En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.

En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.

Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.

En gij zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven.

Deuteronomium 11

13 En het zal geschieden, zo gij naarstiglijk zult horen naar mijn geboden, die ik u heden gebiede, om den HEERE (YHWH), uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;

14 Zo zal Ik den regen uws lands geven te zijner tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat gij uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.

15 En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en gij zult eten en verzadigd worden.

16 Wacht uzelven, dat ulieder hart niet verleid worde, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;

17 Dat de toorn des HEEREN (YHWH) tegen ulieden ontsteke, en Hij den hemel toesluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft.

18 Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;

19 En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat;

20 En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten;

1 Johannes 4

Opwekking tot liefde voor God en den naaste. God is liefde

Geliefden! Laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God;

Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde.

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.

10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.

11 Geliefden, indien God ons alzo lief heeft gehad, zo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben.

12 Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, zo blijft God in ons, en Zijn liefde is in ons volmaakt.

13 Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.

14 En wij hebben het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld.

15 Zo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God.

16 En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.

17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.

18 Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde.

19 Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.

20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?

21 En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.


Jesaja 24

Want het land is bevlekt vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzetting, zij vernietigen het eeuwig verbond.

The Bible Unlocked: The Tithing Deception!!!!! 
 
30 And all the tithe of the land, whether of the seed of the land, or of the fruit of the tree, is the LORD'S: it is holy unto the LORD.

31 And if a man will at all redeem ought of his tithes, he shall add thereto the fifth part thereof.

32 And concerning the tithe of the herd, or of the flock, even of whatsoever passeth under the rod, the tenth shall be holy unto the LORD.

 

Deuteronomium 14:
22 Thou shalt truly tithe all the increase of thy seed, that the field bringeth forth year by year.

23 And thou shalt eat before the LORD thy God, in the place which he shall choose to place his name there, the tithe of thy corn, of thy wine, and of thine oil, and the firstlings of thy herds and of thy flocks; that thou mayest learn to fear the LORD thy God always.

 

2 Chronicles 6:
6 But I have chosen Jerusalem, that my name might be there; and have chosen David to be over my people Israel.

 

Deuteronomium 14:

24 And if the way be too long for thee, so that thou art not able to carry it; or if the place be too far from thee, which the LORD thy God shall choose to set his name there, when the LORD thy God hath blessed thee:

25 Then shalt thou turn it into money, and bind up the money in thine hand, and shalt go unto the place which the LORD thy God shall choose:

26 And thou shalt bestow that money for whatsoever thy soul lusteth after, for oxen, or for sheep, or for wine, or for strong drink, or for whatsoever thy soul desireth: and thou shalt eat there before the LORD thy God, and thou shalt rejoice, thou, and thine household,

Within your gates:

27 And the Levite that is within thy gates; thou shalt not forsake him; for he hath no part nor inheritance with thee.
28 At the end of three years thou shalt bring forth all the tithe of thine increase the same year, and shalt lay it up within thy gates:
29 And the Levite, (because he hath no part nor inheritance with thee,) and the stranger, and the fatherless, and the widow (single woman), which are within thy gates, shall come, and shall eat and be satisfied; that the LORD thy God may bless thee in all the work of thine hand which thou doest.

 

Nehemiah 10:
35 And to bring the firstfruits of our ground, and the firstfruits of all fruit of all trees, year by year, unto the house of the LORD:
36 Also the firstborn of our sons, and of our cattle, as it is written in the law, and the firstlings of our herds and of our flocks, to bring to the house of our God, unto the priests that minister in the house of our God:
37 And that we should bring the firstfruits of our dough, and our offerings, and the fruit of all manner of trees, of wine and of oil, unto the priests, to the chambers of the house of our God; and the tithes of our ground unto the Levites, that the same Levites might have the tithes in all the cities of our tillage.
38 And the priest the son of Aaron shall be with the Levites, when the Levites take tithes: and the Levites shall bring up the tithe of the tithes unto the house of our God, to the chambers, into the treasure house.
39 For the children of Israel and the children of Levi shall bring the offering of the corn, of the new wine, and the oil, unto the chambers, where are the vessels of the sanctuary, and the priests that minister, and the porters, and the singers: and we will not forsake the house of our God.


Malachi 3:
8 Will a man rob God? Yet ye have robbed me. But ye say, Wherein have we robbed thee? In tithes and offerings.

9 Ye are cursed with a curse: for ye have robbed me, even this whole nation.
10 Bring ye all the tithes into the storehouse, that there may be meat (NO MONEY) in mine house, and prove me now herewith, saith the LORD of hosts, if I will not open you the windows of heaven, and pour you out a blessing, that there shall not be room enough to receive it.
11 And I will rebuke the devourer for your sakes, and he shall not destroy the fruits of your ground; neither shall your vine cast her fruit before the time in the field, saith the LORD of hosts.

 

Malachi 1:
12 But ye have profaned it, in that ye say, The table of the LORD is polluted; and the fruit thereof, even his meat, is contemptible.
13 Ye said also, Behold, what a weariness is it! and ye have snuffed at it, saith the LORD of hosts; and ye brought that which was torn, and the lame, and the sick; thus ye brought an offering: should I accept this of your hand? saith the LORD.
14 But cursed be the deceiver, which hath in his flock a male, and voweth, and sacrificeth unto the Lord a corrupt thing: for I am a great King, saith the LORD of hosts, and my name is dreadful among the heathen.

 

Malachi 3:

10 Bring ye all the tithes into the storehouse, that there may be meat in mine house, and prove me now herewith, saith the LORD of hosts, if I will not open you the windows of heaven, and pour you out a blessing, that there shall not be room enough to receive it.

11 And I will rebuke the devourer for your sakes, and he shall not destroy the fruits of your ground; neither shall your vine cast her fruit before the time in the field, saith the LORD of hosts.

 

Matthew 23:
23 Woe unto you, scribes and Pharisees, hypocrites! for ye pay tithe of mint and anise and cummin, and have omitted the weightier matters of the law, judgment, mercy, and faith: these ought ye to have done, and not to leave the other undone.

34 Wherefore, behold, I send unto you prophets, and wise men, and scribes (schriftgeleerden): and some of them ye shall kill and crucify; and some of them shall ye scourge in your synagogues, and persecute them from city to city:


1 Timothy:
3 If any man teach otherwise, and consent not to wholesome words, even the words of our Lord Jesus Christ, and to the doctrine which is according to godliness;

4 He is proud, knowing nothing, but doting about questions and strifes of words, whereof cometh envy, strife, railings, evil surmisings,

5 Perverse disputings of men of corrupt minds, and destitute of the truth, supposing that gain is godliness: from such withdraw thyself.
6 But godliness with contentment is great gain.
7 For we brought nothing into this world, and it is certain we can carry nothing out.
8 And having food and raiment (gewaad/kleding) let us be therewith content.
9 But they that will be rich fall into temptation and a snare, and into many foolish and hurtful lusts, which drown men in destruction and perdition.
10 For the love of money is the root of all evil: which while some coveted after, they have erred from the faith, and pierced themselves through with many sorrows.
11 But thou, O man of God, flee these things; and follow after righteousness, godliness, faith, love, patience, meekness.
12 Fight the good fight of faith, lay hold on eternal life, whereunto thou art also called, and hast professed a good profession before many witnesses.
13 I give thee charge in the sight of God, who quickeneth all things, and before Christ Jesus, who before Pontius Pilate witnessed a good confession;
14 That thou keep this commandment without spot, unrebukeable, until the appearing of our Lord Jesus Christ:

 

Ecclesiastes 12:
13 Let us hear the conclusion of the whole matter: Fear God, and keep his commandments: for this is the whole duty of man.
14 For God shall bring every work into judgment, with every secret thing, whether it be good, or whether it be evil.

 

Alms/aalmoes.

 

Matthew 6:
1 Take heed that ye do not your alms before men, to be seen of them: otherwise ye have no reward of your Father which is in heaven.
2 Therefore when thou doest thine alms, do not sound a trumpet before thee, as the hypocrites do in the synagogues and in the streets, that they may have glory of men. Verily I say unto you, They have their reward.
3 But when thou doest alms, let not thy left hand know what thy right hand doeth:
4 That thine alms may be in secret: and thy Father which seeth in secret himself shall reward thee openly.


Luke 11:
41 But rather give alms of such things as ye have; and, behold, all things are clean unto you.


Luke 12:
33 Sell that ye have, and give alms; provide yourselves bags which wax not old, a treasure in the heavens that faileth not, where no thief approacheth, neither moth corrupteth.


Acts 3:
2 And a certain man lame from his mother's womb was carried, whom they laid daily at the gate of the temple which is called Beautiful, to ask alms of them that entered into the temple;
3 Who seeing Peter and John about to go into the temple asked an alms.
10 And they knew that it was he which sat for alms at the Beautiful gate of the temple: and they were filled with wonder and amazement at that which had happened unto him.


Acts 10:
2 A devout man, and one that feared God with all his house, which gave much alms to the people, and prayed to God always.
4 And when he looked on him, he was afraid, and said, What is it, Lord? And he said unto him, Thy prayers and thine alms are come up for a memorial before God.
31 And said, Cornelius, thy prayer is heard, and thine alms are had in remembrance in the sight of God.


Acts 24:
17 Now after many years I came to bring alms to my nation, and offerings.

 

LEVITICUS (1,1-27,34)

Wetten voor het brandoffer (1,1-17)

Wetten voor het spijsoffer (2,1-16)

Wetten voor het dankoffer (3,1-17)

Wetten voor het zondoffer (4,1-35)

Wetten voor het schuldoffer (5,1-6,7)

Wetten voor het bereiden van het brandoffer (6,8-7,38)

Wetten voor de priesters (10,8-20)

Wetten over reine en onreine dieren (11,1-47)

Wetten voor de reiniging der kraamvrouwen (12,1-8)

Wetten voor melaatsheid (13,1-59)

Wetten voor de reiniging der melaatsheid (14,1-57)

Wetten voor onreinheid (15,1-33)

Huwelijkswetten (18,1-30)

Huiselijke en burgerlijke wetten (19,1-37)

Wetten voor de priesters (21,1-24)

Wetten voor de priesters bij het eten (22,1-16)

Wetten der hoogtijden (23,1-44)

Wetten voor de olie van den tabernakel en de toonbroden (24,1-9)

Wetten voor het sabbat- en jubeljaar (25,1-22)

Beloften aan hen die naar Gods wet leven en bedreiging der overtreders (26,1-46)

Wetten over schatting en lossing (27,1-34)



NUMERI (1,1-36,13)

Wetten over ontvreemding (5,5-10)

Wetten over de ijverzucht (5,11-31)

Wet van het nazireeërschap (6,1-21)

Wetten over het aansteken der lampen (8,1-4)

Wetten voor verschillende offeranden (15,1-31)

Wet van het recht der erve (27,1-11)

Wetten voor de dagelijkse offeranden (28,1-8)

Wetten voor het sabbatoffer en voor de nieuwe maand (28,9-15)

Wetten voor de feesttijden (28,16-31)

Wetten der geloften (30,1-16)



Deuteronomium 6: 1-9.
1 Dit zijn de geboden, wetten en regels die ik u in opdracht van de HEER, uw God, moet leren en die u moet naleven in het land aan de overkant, dat u in bezit zult nemen. 
U moet voor de HEER, uw God, ontzag tonen door u te houden aan zijn wetten en geboden, zoals ik die nu aan u geef; dat geldt voor u, zolang u leeft, en voor uw kinderen en uw kleinkinderen. Dan zult u met een lang leven gezegend worden. 
3 Luister dus, Israël, en neem ze nauwlettend in acht. Dan zal het u goed gaan in het land dat overvloeit van melk en honing, en zult u sterk in aantal toenemen, zoals de HEER, de God van uw voorouders, u heeft toegezegd.

De HEER is de enige
Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! 
Heb daarom de HEER, uw God, lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. 
6 Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. 
7 Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat.
8 Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. 
9 Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad.

Dit is waarom satan je een chip in de voorhoofd en/of hand wil zetten.
Hij kopieert daarmee God. En mensen die de bijbel niet goed kennen die trappen daarin.


Daniël 7:25.
Hij (satan/antichrist) zal in opstand komen tegen de hoogste God, en de heiligen van de hoogste onderdrukken. Hij zal proberen hun feesten en hun wet te veranderen, en zij zullen aan zijn heerschappij zijn overgeleverd voor één tijd, een dubbele tijd en een halve tijd. 

2 Korintiërs 3:6.

Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 

Matteüs 2:35, Marcus 13:31 en Lucas 21:33.
Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.


Jesaja 1: 13-14. 

13 Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niethet is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.
   14 Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen. 


Leviticus 18.

Huwelijkswetten

1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Ik ben de HEERE, uw God!
3 Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischen lands, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken des lands Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.
4 Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de HEERE, uw God!
5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!
6 Niemand zal tot enige nabestaande zijns vleses naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben de HEERE!
7 Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken; zij is uw moeder; gij zult haar schaamte niet ontdekken.
8 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders.
9 De schaamte uwer zuster, der dochter uws vaders, of der dochter uwer moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult gij niet ontdekken.
10 De schaamte der dochter uws zoons, of der dochter uwer dochter, haar schaamte zult gij niet ontdekken; want zij zijn uw schaamte.
11 De schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uw vader geboren is (zij is uw zuster), haar schaamte zult gij niet ontdekken.
12 Gij zult de schaamte van de zuster uws vaders niet ontdekken; zij is uws vaders nabestaande.
13 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontdekken; want zij is uwer moeder nabestaande.
14 Gij zult de schaamte van den broeder uws vaders niet ontdekken; tot zijn huisvrouw zult gij niet naderen; zij is uw moei.
15 Gij zult de schaamte uwer schoondochter niet ontdekken; zij is uws zoons huisvrouw; gij zult haar schaamte niet ontdekken.
16 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeders niet ontdekken; het is de schaamte uws broeders.
17 Gij zult de schaamte ener vrouw en harer dochter niet ontdekken; de dochter haars zoons, noch de dochter van haar dochter zult gij nemen, om haar schaamte te ontdekken; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad.
18 Gij zult ook geen vrouw tot haar zuster nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte nevens haar, in haar leven, te ontdekken.
19 Ook zult gij tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.
20 En gij zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden.
21 En van uw zaad zult gij niet geven, om voor den Molech door het vuur te doen gaan; en den Naam uws Gods zult gij niet ontheiligen; Ik ben de HEERE!
22 Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel. (Homo)
(22 Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk).
23 Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging.
24 Verontreinigt u niet met enige van deze; want de heidenen, die Ik van uw aangezicht uitwerpe, zijn met alle deze verontreinigd;
25 Zodat het land onrein is, en Ik over hetzelve zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt.
26 Maar gij zult Mijn inzettingen en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelen niets doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
27 Want de lieden dezes lands, die vóór u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden.
28 Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat vóór u was, uitgespuwd heeft.
29 Want al wie enige van deze gruwelen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.
30 Daarom zult gij Mijn bevel onderhouden, dat gij niet doet van die gruwelijke inzettingen, die vóór u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt; Ik ben de HEERE, uw God!

Leviticus 19.

Huiselijke en burgerlijke wetten

1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2 Spreek tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig!
3 Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben de HEERE, uw God!
4 Gij zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben de HEERE, uw God!
5 En wanneer gij een dankoffer den HEERE offeren zult, naar uw welgevallen zult gij dat offeren.
6 Op den dag van uw offeren, en des anderen daags, zal het gegeten worden; maar wat tot op den derden dag overblijft zal met vuur verbrand worden.
7 En zo het op den derden dag enigszins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn.
8 En zo wie dat eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige des HEEREN ontheiligd heeft; daarom zal dezelve ziel, uit haar volken uitgeroeid worden.
9 Als gij ook den oogst uws lands inoogsten zult, gij zult den hoek uws velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen.
10 Insgelijks zult gij uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen beziën van uw wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de HEERE, uw God!
11 Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, noch valselijk handelen, een iegelijk tegen zijn naaste.
12 Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.
13 Gij zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; des dagloners arbeidsloon zal bij u niet vernachten tot aan den morgen.
14 Gij zult den dove niet vloeken, en voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten; maar gij zult voor uw God vrezen; Ik ben de HEERE!
15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
16 Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben de HEERE!
17 Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.
18 Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE!
19 Gij zult Mijn inzettingen houden; gij zult geen tweeërlei aard uwer beesten laten samen te doen hebben; uwen akker zult gij niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.
20 En wanneer een man, door bijligging des zaads, bij een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bij den man versmaad, en geenszins gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven; die zullen gegeseld worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet vrij gemaakt.
21 En hij zal zijn schuldoffer den HEERE aan de deur van de tent der samenkomst brengen, een ram ten schuldoffer.
22 En de priester zal met den ram des schuldoffers, voor hem over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht des HEEREN verzoening doen; en hem zal vergeving geschieden van zijn zonde, die hij gezondigd heeft.
23 Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter spijze geplant zult hebben, zo zult gij de voorhuid daarvan, deszelfs vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden.
24 Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor den HEERE.
25 En in het vijfde jaar zult gij deszelfs vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben de HEERE, uw God!
26 Gij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.
27 Gij zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult gij de hoeken uws baards niet verderven.
28 Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben de HEERE!
29 Gij zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld worde.
30 Gij zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!
31 Gij zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben de HEERE, uw God!
32 Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!
33 En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet verdrukken.
34 De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben de HEERE, uw God!
35 Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.
36 Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
37 Daarom zult gij al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben de HEERE!

Leviticus 20.

Straffen tegen verschillende misdaden

1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2 Gij zult ook tot de kinderen Israëls zeggen: Een ieder uit de kinderen Israëls, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad den Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk des lands zal hem met stenen stenigen.
3 En Ik zal Mijn aangezicht tegen dien man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heiligen Naam ontheiligen zou.
4 En indien het volk des lands hun ogen enigszins verbergen zal van dien man, als hij van zijn zaad den Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode;
5 Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen dien man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om den Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
6 Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien.
7 Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben de HEERE, uw God!
8 En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelve; Ik ben de HEERE, Die u heilige.
9 Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
10 Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, dewijl hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster.
11 En een man, die bij zijns vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijns vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
12 Insgelijks, als een man bij de vrouw zijns zoons zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen!
13 Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
14 En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en diezelve met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij.
15 Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest doden.
16 Alzo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmede te doen te hebben, zo zult gij die vrouw en dat beest doden; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
17 En als een man zijn zuster, de dochter zijns vaders, of de dochter zijner moeder, zal genomen hebben, en hij haar schaamte gezien, en zij zijn schaamte zal gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen huns volks uitgeroeid worden; hij heeft de schaamte zijner zuster ontdekt, hij zal zijn ongerechtigheid dragen.
18 En als een man bij een vrouw, die haar krankheid heeft, zal gelegen en haar schaamte ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloeds ontdekt zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden.
19 Daartoe zult gij de schaamte van de zuster uwer moeder, en van de zuster uws vaders niet ontdekken; dewijl hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen.
20 Als ook een man bij zijn moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte zijns ooms ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven.
21 En wanneer een man zijns broeders huisvrouw zal genomen hebben, het is onreinigheid; hij heeft de schaamte zijns broeders ontdekt; zij zullen zonder kinderen zijn.
22 Onderhoudt dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechten, en doet dezelve; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe.
23 En wandelt niet in de inzettingen des volks, hetwelk Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden.
24 En Ik heb u gezegd: Gij zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat gij hetzelve erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben de HEERE, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb!
25 Daarom zult gij onderscheid maken tussen reine en onreine beesten, en tussen het onreine en reine gevogelte; en gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten en aan het gevogelte, en aan al wat op den aardbodem kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt.
26 En gij zult Mij heilig zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat gij Mijns zoudt zijn.
27 Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.
Uit: Statenvertaling (Jongbloed-editie)


Leviticus 23. (Dit is voor Christenen in aangepaste vorm)

Wetten der hoogtijden

Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De gezette hoogtijden des HEEREN, welke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn gezette hoogtijden.

Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is des HEEREN sabbat, in al uw.

Deze zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, de heilige samenroepingen, welke gij uitroepen zult op hun gezetten tijd.

In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEEREN pascha.

En op den vijftienden dag derzelver maand is het feest van de ongezuurde broden des HEEREN; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.

Op den eersten dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.

Maar gij zult zeven dagen vuuroffer den HEERE offeren; en op den zevenden dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult gij doen.


En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

10 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als gij in het land zult gekomen zijn, hetwelk Ik u geven zal, en gij zijn oogst zult inoogsten, dan zult gij een garf der eerstelingen van uw oogst tot den priester brengen.

11 En hij zal die garf voor het aangezicht des HEEREN , opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal de priester die bewegen.

12 Gij zult ook op den dag, als gij die garf bewegen zult, bereiden een volkomen lam, dat eenjarig is, ten brandoffer den HEERE;

13 En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, den HEERE tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin.

14 En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dienzelven dag, dat gij de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.

15 Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;

16 Tot den anderen dag, na den zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een spijsoffer den HEERE offeren.

17 Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen den HEERE.

18 Gij zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen den HEERE een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.

19 Ook zult gij een geitenbok ten zondoffer, en twee eenjarige lammeren ten dankoffer bereiden.

20 Dan zal de priester dezelve met het brood der eerstelingen ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN, met de twee lammeren bewegen; zij zullen den HEERE een heilig ding zijn, voor den priester.

21 En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw geslachten.

22 Als gij nu den oogst uws lands zult inoogsten, gij zult, in uw inoogsten, den hoek des velds niet ganselijk afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor den arme en voor den vreemdeling zult gij ze laten; Ik ben de HEERE, uw God!


    23 
En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

24 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: In de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een rust hebben, een gedachtenis des geklanks, een heilige samenroeping.

25 Geen dienstwerk zult gij doen; maar gij zult den HEERE vuuroffer offeren.


    26 
Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

27 Doch op den tienden dezer zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult gij hebben; dan zult gij uw zielen verootmoedigen, en zult den HEERE een vuuroffer offeren.

28 En op dienzelven dag zult gij geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods.

29 Want alle ziel, welken op dienzelven dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit haar volken.

30 Ook alle ziel, die enig werk op dienzelven dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden haars volks verderven.

31 Gij zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.

32 Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten.


    33 
En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

34 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Op den vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest der loofhutten zeven dagen den HEERE zijn.

35 Op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen.

36 Zeven dagen zult gij den HEERE vuurofferen offeren; op den achtsten dag zult gij een heilige samenroeping hebben, en zult den HEERE vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; gij zult geen dienstwerk doen.


    37
 Dit zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, welke gij zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om den HEERE vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren;

38 Behalve de sabbatten des HEEREN, en behalve uw gaven, en behalve al uw geloften, en behalve al uw vrijwillige offeren, welke gij den HEERE geven zult.


    39 
Doch op den vijftienden dag der zevenden maand, als gij het inkomen des lands zult ingegaderd hebben, zult gij des HEEREN feest zeven dagen vieren; op den eersten dag zal er rust zijn, en op den achtsten dag zal er rust zijn.

40 En op den eersten dag zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeven dagen vrolijk zijn.

41 En gij zult dat feest den HEERE zeven dagen in het jaar vieren; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren.

42 Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen;

43 Opdat uw geslachten weten, dat Ik de kinderen Israëls in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!

44 Alzo heeft Mozes de gezette hoogtijden des HEEREN tot de kinderen Israëls uitgesproken.


Var: Bijbelse jonge stier

Matthéüs 19

Jezus zegent de kinderen

13 Toen werden kinderkens tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften dezelve.

14 Maar Jezus zeide: Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.

15 En als Hij hun de handen opgelegd had, vertrok Hij van daar.

De rijke jongeling

16 En ziet, er kwam een tot Hem, en zeide tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?

17 En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eénnamelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.

18 Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;

19 Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.

20 De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?

21 Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.

22 Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.

23 En Jezus zeide tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan.

24 En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods.

25 Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden?

26 En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

27 Toen antwoordde Petrus, en zeide tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden?

28 En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.

29 En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven.

30 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.


Deut 30:10

Wanneer gij der stemme des HEEREN, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeren tot den HEERE, uw God, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

Deut 31,26
Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, dat het aldaar zij ten getuige tegen u.

Joz 8,31
Gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, den kinderen Israëls geboden had, achtereenvolgens hetgeen geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van gehele stenen, over dewelke men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij den HEERE brandofferen; ook offerden zij dankofferen.

Joz 8,34
En daarna las hij overluid al de woorden der wet, de zegening en den vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat.

Joz 23,6
Zo weest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is in het wetboek van Mozes; opdat gij daarvan niet afwijkt ter rechter- noch ter linkerhand;

Joz 24,26
En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des HEEREN was.

2 Kon 14,6
Doch de kinderen der doodslagers doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden.

2 Kon 22,8
Toen zeide de hogepriester Hilkía tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek in het huis des HEEREN gevonden; en Hilkía gaf dat boek aan Safan, die las het.

2 Kron 17,9
En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk.

2 Kron 34,14
En als zij het geld uitnamen, dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester Hilkía het wetboek des HEEREN, gegeven door de hand van Mozes.

2 Kron 34,15
En Hilkía antwoordde en zeide tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En Hilkía gaf Safan dat boek.

Neh 8,4
En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgenlicht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.

Neh 8,19
En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den achtsten dag den verbodsdag, naar het recht.

Neh 9,3
Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek des HEEREN, huns Gods, een vierendeel van den dag; en op een ander vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden den HEERE, hun God.


Wat zegt de Bijbel over homoseksualiteit?

De Bijbel leert dat seksuele gemeenschap door God bedoeld is voor binnen de relatie man-vrouw in het huwelijk. Dit is niet iets wat alleen voor bepaalde culturen geldt. Genesis 1 en 2 beschrijven hoe nadat God de mens schiep als man en vrouw, Hij het huwelijk instelt, en hoe seksualiteit uitdrukt dat man en vrouw een onlosmakelijke eenheid vormen.
In de Bijbel staan zeven teksten die gaan over homoseksualiteit: Genesis 19:1-11, Leviticus 18:22, Leviticus 20:13, Richteren 19:22-30, Romeinen 1:24-27, I Korinthiërs 6:10-11 en I Timotheüs 1:9-11. Deze teksten gaan alleen over homoseksueel gedrag, niet over homoseksuele gevoelens. Sommige teksten beschrijven extreme vormen van homoseksueel gedrag. Andere spreken over homoseksueel gedrag in algemene termen. Al deze teksten wijzen homoseksueel gedrag af en bevestigen de visie op seksualiteit zoals die naar voren komt in Genesis 1 en 2.

In Romeinen 13:10b zegt Paulus dat de liefde de vervulling is van de wet. Maar zowel Christus als Paulus schuiven de wet niet aan de kant. En in hun spreken over seksualiteit sluiten ze aan bij het onderwijs in Genesis 1 en 2. Zo heeft Christus in Mattheüs 19:4-5 gezegd: "Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt?... Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn."

Romeinen 1:24-27.
22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
23 En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
24 Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren;
25 Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.
26 Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;
27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.
28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
29 Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;
30 Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;
31 Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
32 Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.

I Timotheüs 1:9-11. 
9 En hij dit weet, dat den rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar den onrechtvaardigen en den halsstarrigen, den goddelozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers,
10 Den hoereerders, dien, die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is;
11 Naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is.
Uit: Statenvertaling (Jongbloed-editie)

9 We weten ook dat de wet er niet is voor de rechtvaardige, maar voor wie zich aan wet of gezag niet stoort, voor goddelozen en zondaars, die alles wat heilig is verachten en ontwijden, die hun eigen vader of moeder doden, voor moordenaars, 
10 ontuchtplegers, knapenschenders, slavenhandelaars, leugenaars en plegers van meineed. De wet is er voor alles wat indruist tegen de heilzame leer, 
11 die in overeenstemming is met het evangelie dat mij is toevertrouwd, het evangelie over de majesteit van de gelukzalige God. 

Leviticus 26

Beloften aan hen die naar Gods wet leven en bedreiging der overtreders

Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!

Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!

Zegen
    3 
Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;

Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;

En de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, en gij zult zeker in uw land wonen.

Ook zal Ik vrede geven in het land, dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.

En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.

Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.

En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.

10 En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen.

11 En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.

12 En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn.

13 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.

VLOEK
    14 
Maar indien gij Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;

15 En zo gij Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat gij niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;

16 Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.

17 Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht uwer vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vlieden, als u iemand vervolgt.

18 En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.

19 Want Ik zal de hovaardigheid uwer kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.

20 En uw macht zal ijdellijk verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet geven.

21 En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.

22 Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.

23 Indien gij nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen;

24 Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.

25 Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.

26 Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in één oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.

27 Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid;

28 Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.

29 Want gij zult het vlees uwer zonen eten, en het vlees uwer dochteren zult gij eten.

30 En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.

31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.

32 Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.

33 Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.

34 Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.

35 Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.

36 En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hunner vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.

37 En zij zullen de een op den ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan.

38 Maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren.

39 En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.

40 Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.

41 Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben;

42 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;

43 Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.

44 En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!

45 Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware; Ik ben de HEERE!

46 Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke de HEERE gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen Israëls, op den berg Sinaï, door de hand van Mozes.

 

 

Deuteronomium 4

Mozes vermaant het volk tot onderhouding van Gods geboden

Nu dan, Israël! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de HEERE, uwer vaderen God, u geeft.

Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.

Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-Peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan.

Gij daarentegen, die den HEERE, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende.

Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven.

Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk!

Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de HEERE, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen?

En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?

Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken.

10 Ten dage, als gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, aan Horeb stondt, als de HEERE tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;

11 En gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels; er was duisternis, wolken en donkerheid).

12 Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem.

13 Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.

14 Ook gebood mij de HEERE ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven.

15 Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEERE op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak;

16 Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw,

17 De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;

18 De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van enigen vis, die in het water is onder de aarde;

19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE, uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.

20 Maar ulieden heeft de HEERE aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.

21 Ook vertoornde Zich de HEERE over mij, om ulieder woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de HEERE, uw God, u ter erfenis geven zal.

22 Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar gij zult er overgaan, en datzelve goede land erven.

23 Wacht u, dat gij het verbond des HEEREN, uws Gods, hetwelk Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de HEERE, uw God, u verboden heeft.

24 Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.

25 Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen des HEEREN, uws Gods, om Hem tot toorn te verwekken;

26 Zo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuige tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.

27 En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u henen leiden zal.

28 En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.

29 Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

30 Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.

31 Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.

32 Want, vraag toch naar de vorige dagen, die vóór u geweest zijn, van dien dag af, dat God den mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde des hemels tot aan het andere einde des hemels, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit:

33 Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en levend zij gebleven?

34 Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al hetgeen de HEERE, uw God, ulieden voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?

35 U is het getoond, opdat gij wetet, dat de HEERE die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!

36 Van den hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en gij hebt Zijn woorden uit het midden des vuurs gehoord.

37 En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen verkoren had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;

38 Om volken, die groter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hunlieder land ter erfenis gave, als het te dezen dage is.

39 Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!

40 En gij zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE, uw God, u geeft, voor altoos.

Drie vrijsteden verordend

41 Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon;

42 Opdat daarheen vlood de doodslager, die zijn naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in een van deze steden vlood en levend bleef;

43 Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.

Herhaling van de wet der tien geboden

44 Dit is nu de wet, die Mozes den kinderen Israëls voorstelde:

45 Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israëls, als zij uit Egypte waren uitgetogen;

46 Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; welken Mozes sloeg, en de kinderen Israëls, als zij uit Egypte waren uitgetogen,

47 En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Bazan; twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen den opgang der zon;

48 Van Aroër af, dat aan den oever der beek Arnon is, tot aan den berg Sion, welke is Hermon;

49 En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee des vlakken velds, onder Asdoth-Pisga.

 

1 Johannes 2

Christus, de verzoening voor onze zonden

Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Mocht een van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige.

Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige;

2 Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.

En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.

12 Kinderen, ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam.
12 
Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.

 

Deuteronomium 18

1 De Levietische priesteren, de ganse stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers des HEEREN en zijn erfdeel zullen zij eten.
2 Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.
3 Dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij den priester zal geven den schouder, en beide kinnebakken, en de pens.
4 De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij hem geven;
5 Want de HEERE, uw God, heeft hem uit al uw stammen verkoren, dat hij sta, om te dienen in den Naam des HEEREN, hij en zijn zonen, te allen dage.
6 Voorts wanneer een Leviet zal komen uit een uwer poorten, uit gans Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziel, tot de plaats, die de HEERE zal hebben verkoren;
7 En hij dienen zal in den Naam des HEEREN, zijns Gods, als al zijn broederen, de Levieten, die aldaar voor het aangezicht des HEEREN staan;
8 Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaderen.
9 Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken.
10 Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.
11 Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.
12 Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.
13 Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God.
14 Want deze volken, die gij zult erven, horen naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, de HEERE, uw God, heeft u zulks niet toegelaten.
15 Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;
16 Naar alles, wat gij van den HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem des HEEREN, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.
17 Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.
18 Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.
19 En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken.
20 Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.
21 Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft?
22 Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.
 

Matthéüs 5

De vervulling der Wet en der profeten

17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.

18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.

19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebbendie zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.

22 Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Ráka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.

23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;

24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.

25 Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.

27 Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.

28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aanziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.

29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

31 Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.

32 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.

33 Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.

34 Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;

36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;

37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.

38 Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.

39 Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;

41 En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.

42 Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.

44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?

48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

Lukas 24

44 En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet/Thora/instructies van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.

 

Romeinen 7

De Christen vrij van de (oude) Wet/verbond (er is een nieuwe wet/verbond voor in de plaats)

Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft?

Want een vrouw, die den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.

Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.

Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen.

Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.

De werking der Wet

Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.

Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood.

En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.

10 En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.

11 Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood.

12 Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.

Inwendige strijd

13 Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod.

14 Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.

15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.

16 En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is.

17 Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

18 Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.

19 Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

20 Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

21 Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.

22 Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;

23 Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.

24 Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

25 Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere.

26 Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.

1 Johannes 5

Het geloof en zijn vruchten

Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.

Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren.

Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.

Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.

Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?

Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.

Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn één.

En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één.

Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft.

10 Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.

11 En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon.

12 Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.

13 Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God.

 

1 Timótheüs 4

De afval in de laatste tijden

Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen,

Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid;

Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthoudendie God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.

Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;

Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.


Markus 16

15 En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.

16 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

17 En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken,

18 Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.

19 De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods.

20 En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.

 

Deuteronomium 11

Mozes vermaant Israël opnieuw Gods geboden te onderhouden

Daarom zult gij de HEERE, uw God, liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.

En gij zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing van de HEERE, uw God, niet gezien hebben; Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm;

Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Faraö, de koning van Egypte, en aan zijn ganse land;

En wat Hij gedaan heeft aan het heer der Egyptenaars, aan zijn paarden en aan zijn wagens; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overstromen, toen zij u van achteren vervolgden; en de HEERE verdelgde hen, tot op deze dag.

En wat Hij u gedaan heeft in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats.

Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abíram, zonen van Elíab, de zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van gans Israël.

Want het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk des HEEREN, dat Hij gedaan heeft.

Houdt dan alle geboden, die ik u heden gebied; opdat gij gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven;

En opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honing.

10 Want het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar gij uitgegaan zijt, dat gij bezaaidet met uw zaad, en bewaterdet met uw gang, als een moestuin.

11 Maar het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij de regen des hemels;

12 Een land, dat de HEERE, uw God, verzorgt; de ogen van de HEERE, uw God, zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.

13 En het zal geschieden, zo gij naarstig zult horen naar Mijn geboden, die Ik u heden gebied, om de HEERE, uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;

14 Zo zal Ik de regen uws lands geven te zijner tijd, vroege regen en spade regen, opdat gij uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.

15 En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en gij zult eten en verzadigd worden.

16 Wacht uzelf, dat uw hart niet verleid wordt, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;

17 Dat de toorn des HEEREN tegen u ontsteke, en Hij de hemel toesluit, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geeft; en gij haastig omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft.

18 Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdbanden zijn tussen uw ogen;

19 En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op de weg gaat, en als gij neerligt, en als gij opstaat;

20 En schrijft ze op de deurposten van uw huis, en aan uw poorten;

21 Opdat uw dagen, en de dagen van uw kinderen, in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, gelijk de dagen des hemels op de aarde.

22 Want zo gij naarstig houdt al deze geboden, die ik u gebied om die te doen, de HEERE, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;

23 Zo zal de HEERE al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan gij zijt.

24 Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw gebied zijn.

25 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; de HEERE, uw God, zal uw schrik en uw vrees geven over al het land, waarop gij treden zult, zoals Hij tot u gesproken heeft.

26 Ziet, ik stel u heden voor, zegen en vloek:

27 De zegen, wanneer gij horen zult naar de geboden van de HEERE, uw God, die ik u heden gebied;

28 Maar de vloek, zo gij niet horen zult naar de geboden van de HEERE, uw God, en afwijkt van de weg, die ik u heden gebied, om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt.

29 En het zal geschieden, als u de HEERE, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, dan zult gij de zegen uitspreken op de berg Gerizîm, en de vloek op de berg Ebal.

30 Zijn zij niet aan gene zijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang der zon, in het land der Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More?

31 Want gij zult over de Jordaan gaan, dat gij inkomt om te erven dat land, dat de HEERE, uw God, u geven zal; en gij zult het erfelijk bezitten, en daarin wonen.

32 Neemt dan waar te doen al de inzettingen en de rechten, die ik u heden voorstel.


Exodus 19

Mozes op den berg Sinaï

In de derde maand, na het uittrekken der kinderen Israëls uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinaï.

Want zij togen uit Rafidîm, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij legerden zich in de woestijn; Israël nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.

En Mozes klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en den kinderen Israëls verkondigen:

Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht hebt.

Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;

En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israëls spreken zult.

En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.

Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE.

En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk (Heilige Geest), opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwiglijk aan u geloven. Want Mozes had den HEERE de woorden des volks verkondigd.

10 Ook zeide de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen,

11 En bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen, op den berg Sinaï.

12 En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en deszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden.

13 Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen.

14 Toen ging Mozes van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wiesen hun klederen.

15 En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw.

16 En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was.

17 En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs.

18 En de ganse berg Sinaï rookte, omdat de HEERE op denzelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefde zeer.

19 Toen het geluid der bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; en God antwoordde hem met een stem.

20 Als de HEERE nedergekomen was op den berg Sinaï, op de spits des bergs, zo riep de HEERE Mozes op de spits des bergs; en Mozes klom op.

21 En de HEERE zeide tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot den HEERE, om te zien, en velen van hen vallen.

22 Daartoe zullen ook de priesters, die tot den HEERE naderen, zich heiligen, dat de HEERE niet tegen hen uitbreke.

23 Toen zeide Mozes tot den HEERE: Het volk zal op den berg Sinaï niet kunnen klimmen, want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Bepaal den berg, en heilig hem.

24 De HEERE dan zeide tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en Aäron met u, opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot den HEERE, dat Hij tegen hen niet uitbreke.

25 Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan. 

 

Sirach 17

17

De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen

en doet hem naar haar terugkeren.

Hij schonk de mensen een afgemeten aantal dagen,

maar ook macht over alles wat er op de aarde is.

Hij heeft hen toegerust met zijn eigen kracht

en hen naar zijn eigen beeld gemaakt.

Alles wat leeft heeft hij ontzag voor de mens gegeven,

opdat deze zou heersen over dieren en vogels.

 Hij kreeg van de Heer vijf zintuigen,

als zesde ontving hij van hem het verstand,

als zevende het woord, waarmee de daden van de Heer worden bekendgemaakt.

Denkvermogen, een tong, ogen, oren en een hart

gaf hij hem om begrip te verwerven.

Hij deelde hem rijkelijk kennis en inzicht toe

en toonde hem het goede en het kwade.

In zijn hart heeft hij ontzag voor hem gelegd,

opdat de mens zijn grote daden kon zien

en zich door de eeuwen heen op zijn wonderdaden kon beroemen,

9-10 opdat hij zijn grote daden zou verkondigen

en zijn heilige naam zou prijzen. 10 [9–10]

 

 

11 Hij schonk hun kennis en de wet die leven geeft,

opdat ze zouden beseffen dat zij, die leven, sterfelijk zijn.

12 Hij heeft met hen een eeuwig verbond gesloten

en hun zijn voorschriften gegeven.

13 Zij zagen zijn grote macht

en hoorden zijn krachtige stem.

14 Hij zei tegen hen: ‘Hoed je voor alle onrecht,’

en gaf hun regels voor de omgang met andere mensen.

15 Hun daden zijn hem volledig bekend,

ze blijven niet voor zijn ogen verborgen.

16  Ze zijn van kinds af aan gericht op het kwaad

en kunnen van hun hart van steen geen hart van vlees maken.

De Heer laat Israël niet in de steek

17  Toen de Heer de volken over de aarde verdeelde,

stelde hij over elk ervan een heerser aan,

maar Israël is het bezit van de Heer.

18  Omdat het zijn eerstgeborene is,

voedt hij het op en onderricht hij het.

Hij laat zijn volk niet in de steek,

het licht van zijn liefde schenkt hij het.

19 Al hun daden zijn voor hem zo zichtbaar als de zon,

zijn ogen zijn er altijd op gericht.

20 Hun onrechtvaardigheid is voor hem niet verborgen,

al hun zonden zijn de Heer bekend.

21  Maar de Heer, die goed is en zijn schepselen kent,

heeft hen niet verlaten en niet prijsgegeven; hij heeft hen gespaard.

22 De barmhartigheid van een mens is voor hem als een zegelring,

de goedheid van een mens koestert hij als zijn oogappel –

hij vervult zijn zonen en dochters met berouw.

23 Ten slotte zal hij komen en hun naar hun daden vergelden,

hun zonden laat hij neerkomen op hun eigen hoofd.

24 Maar wie berouw heeft geeft hij een nieuwe kans,

wie de hoop verliest moedigt hij aan.

Zondig niet langer

25 Wend je tot de Heer, zondig niet langer,

bid tot hem, geef hem zo weinig mogelijk aanstoot.

26 Keer terug tot de Allerhoogste, keer je af van onrecht,

want hijzelf leidt je uit de duisternis naar het genezende licht.

Haat alles wat gruwelijk is ten diepste.

27 Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven,

zoals de levenden, die voor hem een danklied zingen?

28 Een dode vergaat, zijn dankzegging sterft,

wie leeft en gezond is prijst de Heer.

29 Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer,

hoe genadig is hij voor wie zich tot hem keert.

30 Want een mens is niet volmaakt,

een mensenkind is niet onsterfelijk.

31 Wat geeft meer licht dan de zon? Toch gaat ze onder.

Zo zijn vlees en bloed tot het kwaad geneigd.

32 De Heer overziet de machten van de hoge hemel,

maar alle mensen zijn stof en as.

 

 

Genesis 29: 20. Zo werkte Jakob zeven jaar om Rachel, maar voor zijn gevoel waren het maar een paar dagen, zo veel hield hij van haar.

Spreuken 18:20.
Als een mens iets goeds zegt, heeft hij een gevoel van welbehagen, hij voedt zich met de vruchten van zijn mond.

2 Makkabeeën 15:39.
Het is niet goed om onverdunde wijn te drinken, en hetzelfde geldt voor water waaraan niets is toegevoegd. Maar wijn met water aangelengd streelt de tong en geeft een gevoel van welbehagen, en zo streelt ook een goed gecomponeerd verhaal de oren van de lezer. Laat dit het einde zijn.

Jeremia 10

1 Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israëls!
2 Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
3 Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.
4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.
5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
6 Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.
7 Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.
8 In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.
10 Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
11 (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)
12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
14 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
15 IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
16 Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
17 Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!
18 Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.
19 O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!
20 Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.
21 Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.
22 Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.
23 Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
24 Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
25 Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.

 

 

 

 

 

 

 

Mattheüs 5:44-48.   
44 En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, 
45 alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 
46 Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? 
47 En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 
48 Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is. 
                                                                                    

Holy days from God

The Seventh day weekly Sabbath

1st Day of the Feast of Unleavened Bread

7 th day of the Feat of Unleavened Bread

Feast of Pentecost

Feast of Trumpets

The Solemn Day of Atonement

1st Day of the Feast of Tabernacles

 

The Eighth Day Feast

 

Babyloniers hebben de weekdagen verzonnen. (Nimrod) the planets)

 

Sonday = son

Monday = moon

Thuesday =  Mars

Wednesday = mercury

Thursday= Jupiter

Friday=  Venus

Saturday = Saturn’s ( een planeet die rust)

 

(Plan of salvation revealed  through the Holydays)

Passover = First born were killed in Egypt, the lam was killed

Unleavened Bread = get sin out of your life

Pentecost = 10 commandments, holy spirit was given to the apostles

Feast Of Trumpets = it is the day that the messiah was born, when he is going to return and it is also the beginning of judgment

The day of Atonement= the day when judgment is finished and is also the day when Satan is locked away and the millennium will start.

The Feast of Tabernacles = it is a wedding between the bride and the groom, Joshua and his bride Israel (7 day or 7 years celebration)

The Eight Day Feast= The great white throne of judgment and it is also the time for YHWH will come and dwell with men on earth

 

2458+2_40=2500

2499 divided by 49=51 jubilee cycles

Joshua 5:10 tells us they ate the Produce of the land. The day after the Passover.

On the day the wave sheaf was offered. A Sunday.

The year 2500 was the Jubilee year and all of Yahweh’s commandments fit perfectly.



Deut 4,28. En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.

Deut 28,36. De HEERE zal u, mitsgaders uw koning, dien gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt, noch uw vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen.

Deut 28,64. En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen.

Deut 29,17. En gij hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren.

1 Sam 6,14. En de wagen kwam op den akker van Jozua, den Beth-semiet, en bleef daar staande; en daar was een grote steen, en zij kloofden het hout van den wagen, en offerden de koeien den HEERE ten brandoffer.

2 Kon 19,18. En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.

1 Kron 22,15. Ook zijn er bij u in menigte, die het werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze lieden in allerlei werk.

Ezra 6,4. Met drie rijen van groten steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden.

Jes 37,19. En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.
 
Jer 2,27. Die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij den nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.
 
Jer 3,9. Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout.
 
Ez 20,32. Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen.
 
Dan 5,23. Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.
 
Hab 2,11. Want de steen uit den muur roept, en de balk uit het hout antwoordt dien.
 
Hab 2,19. Wee dien, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is gans geen geest in het midden van hetzelve.

Daniël 12

In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de kinderen van je volk terzijde staat. Het zal een tijd van verdrukking zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan. In die tijd zal je volk worden gered: allen die in het boek zijn opgetekend. 
Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd. De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf, en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd. 
Maar houd deze woorden geheim, Daniël, en verzegel het boek tot de eindtijd. Velen zullen op zoek gaan en de kennis zal toenemen.’
Toen zag ik, Daniël, twee anderen staan, de ene aan deze oever van de rivier, de andere aan de overkant. 
Een van hen zei tegen de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond: ‘Hoe lang duurt het tot het einde van deze wonderbaarlijke gebeurtenissen?’
Daarop hoorde ik de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond spreken. Hij hief beide handen op naar de hemel en zwoer bij de eeuwig Levende: ‘Eén tijd, een dubbele en een halve tijd: wanneer de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld zal worden, dan zullen al deze dingen zich hebben voltrokken.
Ik hoorde het, maar begreep het niet en zei: ‘Mijn heer, hoe zal dit alles aflopen?’ 
Maar hij zei: ‘Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd. 
10 Velen zullen zich laten reinigen, zuiveren en louteren, maar de wettelozen zullen wetteloos handelen; en geen van de wettelozen zal het begrijpen, maar de verlichten zullen het wel begrijpen. 
11 En vanaf het moment dat het dagelijks offer wordt afgeschaft en een verwoesting brengend afgodsbeeld is opgericht, zullen er twaalfhonderdnegentig dagen verstrijken. 
12 Gelukkig is de mens die blijft wachten en dertienhonderdvijfendertig dagen bereikt. 
13 Maar jij, ga het einde tegemoet. Je zult te ruste gaan en aan het einde van de dagen opstaan om je bestemming te bereiken.’

HetAlpaenOmegaplan

  1. Het sabbat-verbond
    1. Pesach
    2. Feest van de ongezuurde broden
    3. Eerstelingen feest
    4. Sjavuot (Pinksterfeest)
    5. Jom Teruah (Bazuinfeest)
    6. Jom Kippur
    7. Sukot (loofhuttenfeest)


Psalmen 37:19.
Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen, in tijden van hongersnood hebben zij te eten.

Hebreeën: 11:17.
Door zijn geloof kon Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaak als offer opdragen. Hij die de beloften had ontvangen, was bereid zijn enige zoon te offeren. 

Galaten 5

18 Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.

Galaten 5

Het recht gebruik der Christelijke vrijheid

Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.

Ziet, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn.

En ik betuig wederom een iegelijk mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen.

Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.

Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid.

Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.

Gij liept wel; wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoorzaam te zijn?

Dit gevoelen is niet uit Hem, Die u roept.

Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg.

10 Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij.

11 Maar ik, broeders! Indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis des kruises vernietigd.

12 Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken!

13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde.

14 Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.

15 Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt.

Werken des vleses en vruchten des geestes

16 En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.

17 Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.

18 Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.

19 De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid,

20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,

21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.

22 Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

23 Tegen de zodanigen is de wet niet.

24 Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.

25 Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.

26 Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.


Galaten 6

Vermaning tot broederlijke liefde

Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.

2 Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.

Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.

Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen.

Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.

6 En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst.

Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.

Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.

Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.

10 Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.

11 Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand.

12 Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden.

13 Want ook zij zelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.

Christus' kruis onze enige roem

14 Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.

15 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een schepsel.

16 En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.

17 Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.

18 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.

Joodse besnijdenis

Israël als voorbeeld
1 Korintiërs 10
1 Broeders en zusters, ik wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk (Wolk is nu de Heilige Geest sinds de wederopstanding van Jezus Christus) werden beschermd en allemaal door de zee trokken, 
2 dat ze zich allemaal in de naam van Mozes (Jezus Christus sinds zijn wederopstanding) lieten dopen in de wolk (Heilige Geest) en in de zee
3 En ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel 
4 en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus. 
5 Toch wees God de meesten van hen af, want hij liet hen bezwijken in de woestijn.
6 Dit alles strekt ons tot voorbeeld: wij moeten niet uit zijn op het kwade, zoals zij. 
7 Dien geen afgoden, zoals een deel van hen, over wie geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken en het stond op om te dansen.’ 
8 Laten we geen ontucht plegen, zoals een aantal van hen, want daardoor stierven er op één dag drieëntwintigduizend. 
9 En laten we Christus niet tarten, zoals anderen deden, want daardoor werden ze door slangen doodgebeten. 
10 En kom niet in opstand, zoals weer anderen deden, want daardoor werden ze door de doodsengel vernietigd. 
11 Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen. 
12 Laat daarom iedereen die denkt dat hij stevig overeind staat oppassen dat hij niet valt. 
13 U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd: hij geeft u mét de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan.
14 Om deze reden moet u, geliefde broeders en zusters, u verre houden van afgodendienst. 
15 Ik spreek tot verstandige mensen, dus u kunt wat ik nu zeg naar waarde schatten. 
16 Maakt de beker waarvoor wij God loven en danken ons niet één met het bloed van Christus? Maakt het brood dat wij breken ons niet één met het lichaam van Christus? 
17 Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood. (Jezus) 
18 Kijkt u eens naar het volk van Israël. Hebben tempeldienaars die van de offers eten niet eveneens deel aan hetgeen geofferd wordt? 
19 Wat wil ik met dit alles zeggen? Dat offervlees een bijzondere betekenis heeft? Of dat afgoden echt bestaan
20 Dat niet, maar wel dat heidenen aan demonen offeren en niet aan God, en ik wil niet dat u één wordt met demonen. 
21 U kunt niet drinken uit de beker van de Heer en ook uit die van demonen, u kunt niet deelnemen aan de maaltijd van de Heer en ook aan die van demonen. 
22 Of willen we de Heer tergen? Zijn we soms sterker dan hij? Het juiste gebruik van de vrijheid
23 U zegt: ‘Alles is toegestaan.’ Zeker, maar niet alles is goed. Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend. 
24 Wees niet op uzelf gericht, maar op de ander. 
25 U mag alles eten wat er in de vleeshal wordt verkocht; u hoeft niet omwille van uw geweten na te gaan waar het vandaan komt. 
26 Immers: ‘Van de Heer is de aarde en haar rijkdom.’ 
27 Wanneer een ongelovige u uitnodigt om bij hem te komen eten en u neemt zijn uitnodiging aan, kunt u rustig alles eten wat u aangeboden wordt. Het is niet nodig dat u omwille van uw geweten vraagt waar het vandaan komt. 
28 Maar wanneer iemand u erop wijst dat u vlees van offerdieren eet, laat het dan omwille van hem staan. Houd rekening met het geweten. 
29 Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Mijn vrijheid wordt door zijn geweten toch niet aangetast? 
30 Er is toch niemand die kwaad van mij kan spreken om wat ik eet, als ik God maar voor mijn eten dank? 
31 Dus of u nu eet of drinkt of iets anders doet, doe alles ter ere van God. 
32 Geef geen aanstoot aan de Joden, aan andere volken of aan Gods gemeente. 
33 Ikzelf doe dat ook niet. Ik wil iedereen ter wille zijn, in welk opzicht dan ook; ik zoek niet mijn eigen voordeel, maar dat van alle anderen, opdat ze worden gered. 
Afgoden bestaan niet, maar wel dat heidenen aan demonen offeren en niet aan God.

 

1Cr 10:19 What 5101 say I 5346 then 3767? that 3754 the idol1497 is 2076 any thing 5100, or 2228 that 3754 which is offered in sacrifice to idols 1494 is 2076 any thing 5100?1Cr 10:20 But 235 I [say], that 3754 the things which 3739 the Gentiles 1484 sacrifice 2380 , they sacrifice 2380 to devils 1140, and 2532 not 3756 to God 2316: and1161 I would 2309 not 3756 that ye 5209 should have1096 fellowship 2844 with devils 1140.

 

Hysop
Hysop (Hyssopus officinalis), ook wel gespeld hyssop, is een gewas dat een geneeskrachtige etherische olie bevat. De plant komt oorspronkelijk uitPerzië. De Perzen gebruikten de extracten van de plant om er hun huid een warme kleur mee te geven. In de 16e eeuw kwam de plant richting Zuid-Europa en vanuit daar verspreidde hij zich.
Verder is Hyssop een lipbloemige heester met lancetvormige bladeren en hemelsblauwe bloemen.
In de bijbel worden met hyssop verschillende planten en hun producten bedoeld, die dienden bij rituele handelingen, bijvoorbeeld het besprenkelen van het offerbloed.

 

Numeri 19.

De verbrande rode koe en het water der ontzondiging

Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:

Dit is de inzetting van de wet, die de HEERE geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij tot u brengen een rode volkomene vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is.

En gij zult die geven aan Eleázar, den priester; en hij zal ze uitbrengen tot buiten het leger, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten.

En Eleázar, de priester, zal van haar bloed met zijn vinger , en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent der samenkomst zevenmaal sprengen.

Voorts zal men deze vaars voor zijn ogen verbranden; haar vel, en haar vlees, en haar bloed, met haar mest, zal men verbranden.

En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en ze in het midden van den brand dezer vaars.

Dan zal de priester zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, en daarna in het leger gaan; en de priester zal onrein zijn tot aan den avond.

Ook die haar verbrand heeft, zal zijn klederen met water wassen, en zijn vlees met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

En een rein man zal de as dezer vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen Israëls, tot het water der afzondering; het is ontzondiging.

10 En die de as dezer vaars verzameld heeft, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond. Dit zal den kinderen Israëls, en den vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert, tot een eeuwige inzetting zijn.

11 Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.

12 Op den derden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zo zal hij op den zevenden dag rein zijn; maar indien hij zich op den derden dag niet ontzondigt, zo zal hij op den zevenden dag niet rein zijn.

13 Al wie een dode, het dode lichaam eens mensen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt den tabernakel des HEEREN; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water der afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn; zijn onreinigheid is nog in hem.

14 Dit is de wet, wanneer een mens zal gestorven zijn in een tent: al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn.

15 Ook alle open gereedschap, waarop geen deksel gebonden is, dat is onrein.

16 En al wie in het open veld een, die met het zwaard verslagen is, of een dode, of het gebeente eens mensen, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn.

17 Voor een onreine nu zullen zij nemen van het stof des brands der ontzondiging, en daarop levend water doen in een vat.

18 En een rein man zal hysop nemen, en in dat water dopen, en sprengen het aan die tent, en op al het gereedschap, en aan de zielen, die daar geweest zijn; insgelijks aan dengene, die een gebeente, of een verslagene, of een dode, of een graf aangeroerd heeft.

19 En de reine zal den onreine op den derden dag, en op den zevenden dag besprengen; en op den zevenden dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en op den avond rein zijn.

20 Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden der gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom des HEEREN verontreinigd, het water der afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein.

21 Dit zal hunlieden zijn tot een eeuwige inzetting. En die het water der afzondering sprengt, zal zijn klederen wassen; ook wie het water der afzondering aanroert, die zal onrein zijn tot aan den avond.

22 Ja, al wat die onreine aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn; en de ziel, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.

De derde tempel

Zacharía 14

Wonderbare redding en verhoging van Jeruzalem

Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!

Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.

En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.

En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.

Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzía, den koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen,en al de heiligen met U, o HEERE!

En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis.

Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen.

Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn.

En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en Zijn Naam één.

10 Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van den toren van Hanáneël, tot aan des konings wijnbakken toe.

11 En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen.

12 En dit zal de plage zijn, waarmede de HEERE al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal een iegelijks vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en een iegelijks ogen zullen uitteren in hun holen; en eens iegelijks tong zal in hun mond uitteren.

13 Ook zal het te dien dage geschieden, dat er een groot gedruis van den HEERE onder hen zal wezen, zodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, en eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan.

14 En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen aller heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en klederen in grote menigte.

15 Alzo zal ook de plage der paarden, der muildieren, der kemelen, en der ezelen, en aller beesten zijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk gener plage geweest is.

16 En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den HEERE der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten.

17 En het zal geschieden, zo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om den Koning, den HEERE der heirscharen, te aanbidden, zo zal er over henlieden geen regen wezen.

18 En indien het geslacht der Egyptenaren, over dewelke de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plageover hen zijn, met dewelke de HEERE die heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.

19 Dit zal de zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten. (19-09-2013)

20 Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;

21 Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den HEERE der heirscharen heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen, en in dezelve koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn, in het huis des HEEREN der heirscharen, te dien dage.

1 Korintiërs 7

De gehuwde en de ongehuwde staat

Dan nu de punten waarover u mij geschreven hebt.

U zegt dat het goed is dat een man geen gemeenschap met een vrouw heeft.

Over het huwelijk

Aangaande nu de dingen, waarvan gij mij geschreven hebt; het is een mens goed geen vrouw aan te raken.

2 Maar om ontucht te vermijden moet iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.

Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haar eigen man hebben.

3 En een man moet zijn vrouw geven wat haar toekomt, evenals een vrouw haar man.

De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid ; en desgelijks ook de vrouw aan den man.

4 Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap over zijn lichaam, maar zijn vrouw.

De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.

5 Weiger elkaar de gemeenschap niet, of het moest zijn dat u er wederzijds mee instemt u enige tijd aan het gebed te wijden. Kom daarna echter weer samen; anders zal Satan uw gebrek aan zelfbeheersing gebruiken om u te verleiden.

Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden.

6 Ik zeg u dit niet om u iets op te leggen, maar om u tegemoet te komen.

Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel.

7 Ik zou liever zien dat alle mensen waren zoals ik, maar iedereen heeft van God zijn eigen gave gekregen, de een deze, de ander die.

Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelfben; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus, maar de andere alzo.

Wat de weduwen en weduwnaars betreft, zeg ik dat het goed voor hen zou zijn alleen te blijven, zoals ik.

Doch ik zeg den ongetrouwden, en den weduwen: Het is hun goed, indien zij blijven, gelijk als ik.

9 Maar wanneer ze dat niet kunnen opbrengen, moeten ze trouwen, want het is beter te trouwen dan te branden van begeerte.

Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.

10 Degenen die getrouwd zijn geef ik, nee, niet ik – de Heer geeft hun het volgende gebod: een vrouw mag niet scheiden van haar man

10 Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.

11 (is ze al gescheiden, dan moet ze dat blijven of zich met haar man verzoenen), en een man mag zijn vrouw niet wegsturen.

11 En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate.

12 Verder geef ik zelf nog – niet de Heer – het volgende voorschrift: wanneer een broeder een ongelovige vrouw heeft die bij hem wil blijven, mag hij niet van haar scheiden.

12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: Indien enig broeder een ongelovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate;

13 Dit geldt ook voor een zuster: wanneer ze een ongelovige man heeft die bij haar wil blijven, mag ze niet van hem scheiden.

13 En een vrouw, die een ongelovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.

14 Want de ongelovige man behoort dankzij zijn vrouw God toe en de ongelovige vrouw dankzij haar man eveneens. Zou dat niet zo zijn, dan zouden uw kinderen onrein zijn. Maar nu zijn ze geheiligd.

14 Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.

15 Maar als de ongelovige partij wil scheiden, moet dat maar gebeuren; in dat geval is de broeder of zuster niet gebonden. Bedenk echter dat u door God geroepen bent om in vrede te leven.

15 Maar indien de ongelovige scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen.

16 Wie weet, u zou uw man toch kunnen redden? En wie weet, u kunt uw vrouw toch redden?

16 Want wat weet gij, vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken?

17 In het algemeen: laat ieder in de positie blijven die de Heer hem heeft gegeven, blijven wat hij was toen God hem riep. Dat schrijf ik voor aan alle gemeenten.

17 Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo verordene ik in al de Gemeenten.

18 Iemand die besneden was toen God hem riep, moet het niet ongedaan laten maken. Iemand die onbesneden was toen God hem riep, moet zich niet laten besnijden.

18 Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden.

19 Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men de geboden van God in acht neemt.

19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.

20 Laat ieder blijven wat hij was toen hij geroepen werd.

20 Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is.

21 Wanneer u als slaaf geroepen bent, moet u dat niets kunnen schelen (hoewel u de kans om vrij te worden zeker moet benutten).

21 Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u datniet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.

22 Want een slaaf die door de Heer geroepen is, is een vrijgelatene van de Heer, zoals degene die als vrij man geroepen is een slaaf van Christus is.

22 Want die in den Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus.

23 U bent gekocht en betaald, dus wees geen slaven van mensen.

23 Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der mensen.

24 Laat, broeders en zusters, ieder voor God blijven wat hij was toen hij geroepen werd.

24 Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God.

25 Voor de ongehuwden heb ik geen voorschrift van de Heer, dus ik geef mijn eigen mening, als iemand die door de barmhartigheid van de Heer betrouwbaar is.

25 Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb, om getrouw te zijn.

26 Ik meen dat het vanwege de huidige beproevingen voor een mens goed is te blijven wat hij is.

26 Ik houde dan dit goed te zijn, om den aanstaanden nood, dat het, zeg ik, den mens goed is alzo te zijn.

27 Hebt u een vrouw beloofd met haar te trouwen, verbreek die belofte dan niet; bent u niet gebonden aan een vrouw, zoek er dan ook geen.

27 Zijt gij aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding; zijt gij ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw.

28 Het is weliswaar niet zo dat u door te trouwen zondigt, en ook wanneer een meisje trouwt zondigt ze niet, maar het huwelijk wordt een zware belasting die ik u graag zou besparen.

28 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare ulieden.

29 Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dat er maar weinig tijd rest. Laat daarom ieder die een vrouw heeft zo leven dat het hem niet in beslag neemt,

29 Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende;

30 ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst, ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat, ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is,

30 En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende;

31 ieder die in deze wereld leeft alsof ze voor hem niet meer van belang is. Want de wereld die wij kennen gaat ten onder.

31 En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.

32 Ik zou willen dat u geen zorgen hebt. Een ongetrouwde man draagt zorg voor de zaak van de Heer en wil de Heer behagen.

32 En ik wil, dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen;

33 Een getrouwde man draagt zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen,

33 Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen.

34 dus zijn aandacht is verdeeld. Een ongetrouwde vrouw en een meisje dat nog niet getrouwd is, dragen zorg voor de zaak van de Heer, en wel zo dat ze God met heel hun lichaam en geest zijn toegewijd. Maar een getrouwde vrouw draagt zorg voor aardse zaken en wil haar man behagen.

34 Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen.

35 Ik zeg dit in uw eigen belang, niet om u aan banden te leggen, maar om u tot onberispelijk gedrag en onverminderde toewijding aan de Heer te brengen.

35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wel voegt, en bekwaam is, om den Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden.

36 Maar wanneer iemand bang is zich tegenover zijn toekomstige vrouw te misdragen, omdat zijn verlangen naar haar te groot wordt, laat hij dan gevolg geven aan zijn wens met haar te trouwen. Dat dient dan te gebeuren. Het is geen zonde.

36 Maar zo iemand acht, dat hij ongevoegelijk handelt met zijn maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzo moet geschieden; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen.

37 Iemand echter die uit overtuiging, dus zonder dwang en uit vrije wil, voor zichzelf besloten heeft niet met haar te trouwen, handelt uitstekend.

37 Doch die vast staat in zijn hart, geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd zal bewaren, die doet wel.

38 Dus iemand die met haar trouwt handelt goed, maar iemand die niet met haar trouwt handelt beter.

38 Alzo dan, die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter.

39 Een vrouw is gebonden aan haar man zolang hij leeft, maar wanneer hij is gestorven, is ze vrij om te trouwen met wie ze wil, mits het een huwelijk is in verbondenheid met de Heer.

39 Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, dien zij wil, alleenlijk in den Heere.

40 Maar ze is gelukkiger wanneer ze ongetrouwd blijft. Dat is althans mijn mening, en ik meen dat ook ik de Geest van God bezit.

40 Maar zij is gelukkiger, indien zij alzo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Geest Gods te hebben.

 

Leviticus 3

17 Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult gij eten.
(Kennis van iemand die werkte in een slachthuis: Vet van de dieren daar zitten alle ziekten in)

Leviticus 16

29 En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: gij zult in de zevende maand, op den tienden der maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.

30 Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des HEEREN gereinigd worden.

31 Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting.

32 En de priester, dien men gezalfd, en wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen, als hij de linnen klederen, de heilige klederen, zal aangetrokken hebben.

33 Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de tent der samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de priesteren, en voor al het volk der gemeente zal hij verzoening doen.

34 En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israëls van al hun zonden, eenmaal des jaars, verzoening te doen. En men deed, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Johannes 7

24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.


Lukas 7

43 En Simon, antwoordende, zeide: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij (Jezus) zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.

Lukas 12

57 En waarom oordeelt gij ook van uzelven niet, hetgeen recht is?

1 Korintiërs 2

15 Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.
15 Maar een mens die de Geest wel bezit, kan alles beoordelen, en zelf wordt hij door niemand beoordeeld.

 

1 Korinthe 10

15 Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.

1 Timoteüs 2

Vermaning tot voorbidding

Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen;

Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.

Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker;

Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.

Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;

Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd;

Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leraar der heidenen, in geloof en waarheid.

Plichten van mannen en vrouwen

Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.

Desgelijks ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleding;

10 Maar (hetwelk de vrouwen betaamt, die de godvruchtigheid belijden) door goede werken.

11 Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid.

12 Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.

13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.

14 En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.

15 Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.


Beyonce Very Modest at The Super Bowl

Sid Roth on It's Supernatural - Supernatural Languages (tongentaal)

 

Leviticus 11

Wetten over reine en onreine dieren

En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende tot hen:

Spreekt tot de kinderen Israëls, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.

Al wat onder de beesten den klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeën klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.

Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;

En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;

En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.

Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.

Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.

Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeën en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;

10 Maar al wat in de zeeën en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

11 Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.

12 Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

13 En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,

14 En de gier, en de kraai, naar haar aard;

15 Alle rave naar haar aard;

16 En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;

17 En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,

18 En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,

19 En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.

20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.

21 Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;

22 Van die zult gij deze eten: den sprinkhaan naar zijn aard, en den solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.

23 En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.

24 En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.

25 Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.

26 Alle beest, dat den klauw verdeelt, doch de klove niet in tweeën klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.

27 En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.

28 Ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; zij zullen u onrein zijn.

29 Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;

30 En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;

31 Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.

32 Daartoe al hetgeen, waarop iets van dezelve vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmede enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal het rein zijn.

33 En alle aarden vat, waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken.

34 Van alle spijze, die men eet, waarop het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn; en alle drank, dien men drinkt, zal in alle vat onrein zijn.

35 En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn.

36 Doch een fontein, of put van vergadering der wateren, zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn.

37 En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op enig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn.

38 Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.

39 En wanneer van de dieren, die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.

40 Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.

41 Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn; het zal niet gegeten worden.

42 Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.

43 Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.

44 Want Ik ben de HEERE, uw God; daarom zult gij u heiligen, en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben; en gij zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.

45 Want Ik ben de HEERE, Die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, dewijl Ik heilig ben.

46 Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;

47 Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal.

 

Deuteronomium 12

15 Doch naar allen lust uwer ziel zult gij slachten en vlees eten, naar den zegen des HEEREN, uws Gods, dien Hij u geeft, in al uw poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert.

16 Alleenlijk het bloed zult gijlieden niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.

 

1 Korinthe 10

Het Avondmaal

14 Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.

15 Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.

16 De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?

17 Want één brood is hetzo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.

18 Ziet Israël, dat naar het vlees is; hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?

19 Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?

20 Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.

21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.

22 Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?

De Christelijke vrijheid

23 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.

24 Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.

25 Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;

26 Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.

27 En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil.

28 Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.

29 Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?

30 En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg?

31 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.

32 Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.

33 Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.

 1Cr 10:32 Give 1096 none offence 677, neither 2532 to the Jews 2453, nor 2532 to the Gentiles 1672, nor 2532to the church 1577 of God 2316:

 

Numeri 18

Plichten en rechten van priesters en Levieten

Zo zeide de HEERE tot Aäron: Gij, en uw zonen, en het huis uws vaders met u, zult dragen de ongerechtigheid des heiligdoms; en gij, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.

En ook zult gij uw broederen, den stam van Levi, den stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar gij, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent der getuigenis.

En zij zullen uw wacht waarnemen, en de wacht der ganse tent; doch tot het gereedschap des heiligdoms en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zo zij als gijlieden.

Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de wacht van de tent der samenkomst waarnemen, in allen dienst der tent; en een vreemde zal tot u niet naderen.

Gijlieden nu zult waarnemen de wacht des heiligdoms, en de wacht des altaars; opdat er geen verbolgenheid meer zij over de kinderen Israëls.

Want Ik, zie, Ik heb uw broederen, de Levieten, uit het midden der kinderen Israëls genomen; zij zijn ulieden een gave, gegeven den HEERE, om den dienst van de tent der samenkomst te bedienen.

Maar gij, en uw zonen met u, zult ulieder priesterambt waarnemen in alle zaken des altaars, en in hetgeen van binnen den voorhang is, dat zult gijlieden bedienen; uw priesterambt geve Ik u tot een dienst van een geschenk; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.

Voorts sprak de HEERE tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen Israëls heb Ik ze u gegeven, om der zalving wil, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting.

Dit zult gij hebben van de heiligheid der heiligheden, uit het vuur: al hun offeranden, met al hun spijsoffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer, dat zij Mij zullen wedergeven; het zal u en uw zonen een heiligheid der heiligheden zijn.

10 Aan het allerheiligste zult gij dat eten; al wat mannelijk is zal dat eten; het zal u een heiligheid zijn.

11 Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer hunner gave, met alle beweegofferen der kinderen Israëls; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochteren met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.

12 Al het beste van de olie, en al het beste van most, en van koren, hun eerstelingen, die zij den HEERE zullen geven, u heb Ik ze gegeven.

13 De eerste vruchten van alles, wat in hun land is, die zij den HEERE zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.

14 Al het verbannene in Israël zal het uwe zijn.

15 Al wat de baarmoeder opent, van alle vlees, dat zij den HEERE zullen brengen, onder de mensen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; doch de eerstgeborenen der mensen zult gij ganselijk lossen; ook zult gij lossen de eerstgeborenen der onreine beesten.

16 Die nu onder dezelve gelost zullen worden, zult gij van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, die is twintig gera.

17 Maar het eerstgeborene van een koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit zult gij niet lossen, zij zijn heilig; hun bloed zult gij sprengen op het altaar, en hun vet zult gij aansteken, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den HEERE.

18 En hun vlees zal het uwe zijn; gelijk de beweegborst, en gelijk de rechterschouder, zal het uwe zijn.

19 Alle hefofferen der heilige dingen, die de kinderen Israëls den HEERE zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochteren met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht des HEEREN, voor u en voor uw zaad met u.

20 Ook zeide de HEERE tot Aäron: Gij zult in hun land niet erven, en gij zult geen deel in het midden van henlieden hebben; Ik ben uw deel en erfenis, in het midden van de kinderen Israëls.

21 En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, dien zij bedienen, den dienst van de tent der samenkomst.

22 En de kinderen Israëls zullen niet meer naderen tot de tent der samenkomst, om zonde te dragen en te sterven.

23 Maar de Levieten, die zullen bedienen den dienst van de tent der samenkomst, en die zullen hun ongerechtigheid dragen; het zal een eeuwige inzetting zijn voor uw geslachten; en in het midden van de kinderen Israëls zullen zij geen erfenis erven.

24 Want de tienden der kinderen Israëls, die zij den HEERE tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen Israëls geen erfenis erven.

25 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

26 Gij zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer gij van de kinderen Israëls de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult gij daarvan een hefoffer des HEEREN offeren, de tienden van die tienden;

27 En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer, als koren van den dorsvloer, en als de volheid van de perskuip.

28 Alzo zult gij ook een hefoffer des HEEREN offeren van al uw tienden, die gij van de kinderen Israëls zult hebben ontvangen; en gij zult daarvan des HEEREN hefoffer geven aan den priester Aäron.

29 Van al uw gaven zult gij alle hefoffer des HEEREN offeren; van al het beste van die, van zijn heiliging daarvan.

30 Gij zult dan tot hen zeggen: Als gij deszelfs beste daarvan offert, zo zal het den Levieten toegerekend worden als een inkomen des dorsvloers, en als een inkomen der perskuip.

31 En gij zult dat eten in alle plaatsen, gij en uw huis; want het is ulieden een loon voor uw dienst in de tent der samenkomst.

32 Zo zult gij daarover geen zonde dragen, als gij deszelfs beste daarvan offert; en gij zult de heilige dingen van de kinderen Israëls niet ontheiligen, opdat gij niet sterft.
 

Maleáchi 3,7-18

Vermaning God trouw te dienen

Van uwer vaderen dag af, zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren, zegt de HEERE der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij wederkeren?

Zal een mens God beroven? Maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer.

Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij berooft, zelfs het ganse volk.

10 Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.

11 En Ik zal om uwentwil den opeter schelden, dat hij u de vrucht des lands niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen, zegt de HEERE der heirscharen.

12 En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de HEERE der heirscharen.

13 Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?

14 Gij zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht des HEEREN der heirscharen?

15 En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den HEERE, en ontkomen.

16 Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den HEERE vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken.

17 En zij zullen, zegt de HEERE der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschonen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient.

18 Dan zult gijlieden wederom zien, het onderscheid tussen den rechtvaardige en den goddeloze, tussen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient.

Deuteronomium 14

Het gebruik der tienden

22 Gij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk jaar van het veld voortkomt.

23 En voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den HEERE, uw God, leert vrezen alle dagen.

24 Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de HEERE, uw God, u zal gezegend hebben;

25 Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;

26 En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis.

27 Maar den Leviet, die in uw poorten is, zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u.

28 Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelve jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten;

29 Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling (Aliëns/Nephelims/gevallen engelen), en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.

2 Korinthe 9

Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.

Hebreeën 7

Het hogepriesterschap van Melchizédek

Want deze Melchizédek was koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende;

Aan welken ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes;

Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende; maar den Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.

Aanmerkt nu, hoe groot deze geweest zij, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit den buit.

En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, hebben wel bevel om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is, van hun broederen, hoewel die uit de lenden van Abraham voortgekomen zijn.

Maar hij, die zijn geslachtsrekening uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tienden genomen, en hem, die de beloftenissen had, heeft hij gezegend.

Nu, zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.

En hier nemen wel tienden de mensen, die sterven, maar aldaar neemt ze die, van welken getuigd wordt, dat hij leeft.

En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven;

10 Want hij was nog in de lenden des vaders, als hem Melchizédek tegemoet ging.

11 Indien dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizédek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron?

12 Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet.

13 Want Hij, op Wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft.

14 Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.

15 En dit is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van Melchizédek een ander priester opstaat:

16 Die dit niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens.

17 Want Hij getuigt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek.

18 Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wil;

19 Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.

20 En voor zoveel het niet zonder eedzwering is geschied, (want genen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden;

21 Maar Deze met eedzwering, door Dien, Die tot Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek).

22 Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.

23 En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven;

24 Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap.

25 Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

26 Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden;

27 Dien het niet allen dag nodig was, gelijk den hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.

28 Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet isgevolgdstelt den Zoon, Die in der eeuwigheid geheiligd is.

 

Lukas 18

De rijke jongeling

18 En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?

19 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Eén, namelijk God.

20 Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder.

21 En hij zeide: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan.

22 Doch Jezus, dit horende, zeide tot hem: Nog één ding ontbreekt u; verkoop alles, wat gij hebt, en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.

23 Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk.

24 Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan!

25 Want het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.

26 En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?

27 En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.

28 En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.

29 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg ulieden, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het Koninkrijk Gods;
   30 Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.

 

Deuteronomium 22

Verschillende wetten over plichten jegens mens en dier

Gij zult uws broeders os of klein vee niet zien afgedreven, en u van die verbergen; gij zult ze uw broeder ganselijk weder toesturen.

En indien uw broeder niet nabij u is, of gij hem niet kent, zo zult gij ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broeder die zoeke, en gij ze hem wedergeeft.

Alzo zult gij ook doen aan zijn ezel, en alzo zult gij doen aan zijn kleding, ja, alzo zult gij doen aan al het verlorene uws broeders, dat van hem verloren zal zijn, en dat gij zult hebben gevonden; gij zult u niet mogen verbergen.

Gij zult uws broeders ezel of zijn os niet zien, vallende op den weg, en u van die verbergen; gij zult ze met hem ganselijk oprichten.

Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is den HEERE (YHVH), uw God, een gruwel.

Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.

Gij zult de moeder ganselijk vrijlaten; maar de jongen zult gij voor u nemen; opdat het u welga, en gij de dagen verlengt.

Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zo zult gij op uw dak een leuning maken; opdat gij geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.

Gij zult uw wijngaard niet met tweeërlei bezaaien; opdat de volheid des zaads, dat gij zult gezaaid hebben, en de inkomst des wijngaards niet ontheiligd worde.

10 Gij zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.

11 Gij zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen te gelijk.

12 Snoeren zult gij u maken aan de vier hoeken uws opperkleeds, waarmede gij u bedekt.

Bescherming van beschuldigde vrouwen

13 Wanneer een man een vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, alsdan haar zal haten,

14 En haar oorzaaken van naspraak zal opleggen, en een kwaden naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb den maagdom aan haar niet gevonden;

15 Dan zullen de vader van deze jonge dochter en haar moeder nemen, en tot de oudsten der stad aan de poort uitbrengen, den maagdom dezer jonge vrouw.

16 En de vader van de jonge dochter zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan dezen man gegeven tot een vrouw; maar hij heeft haar gehaat;

17 En ziet, hij heeft oorzaaken van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb den maagdom aan uw dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom mijner dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten der stad uitbreiden.

18 Dan zullen de oudsten derzelver stad dien man nemen, en kastijden hem;

19 En zij zullen hem een boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan den vader van de jonge dochter, omdat hij een kwaden naam heeft uitgebracht over een jonge dochter van Israël; voorts zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen.

20 Maar indien ditzelve woord waarachtig is, dat de maagdom aan de jonge dochter niet gevonden is;

21 Zo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot de deur van haars vaders huis, en de lieden harer stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in haars vaders huis; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

Ongeoorloofde betrekkingen

22 Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij eens mans getrouwde vrouw, zo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zo zult gij het boze uit Israël wegdoen.

23 Wanneer er een jonge dochter zal zijn, die een maagd is, ondertrouwd aan een man, en een man haar in de stad zal gevonden, en bij haar gelegen hebben;

24 Zo zult gij ze beiden uitbrengen tot de poort derzelver stad, en gij zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven; de jonge dochter, ter oorzake, dat zij niet geroepen heeft in de stad, en den man, ter oorzake dat hij zijns naasten vrouw vernederd heeft; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

25 En indien een man een ondertrouwde jonge dochter in het veld gevonden, en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, alleen sterven;

26 Maar de jonge dochter zult gij niets doen; de jonge dochter heeft geen zonde des doods; want gelijk of een man tegen zijn naaste opstond, en sloeg hem dood aan het leven, alzo is deze zaak.

27 Want hij heeft haar in het veld gevonden; de ondertrouwde jonge dochter riep, en er was niemand, die haar verloste.

28 Wanneer een man een jonge dochter zal gevonden hebben, die een maagd is, dewelke niet ondertrouwd is, en haar zal gegrepen en bij haar gelegen hebben, en zij gevonden zullen zijn;

29 Zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, den vader van de jonge dochter vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem ter vrouwe zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijn dagen.

30 Een man zal zijns vaders vrouw niet nemen, en hij zal zijns vaders slippe niet ontdekken.


 Deu 22:5 The woman 802 shall not wear that which pertaineth 3627 unto a man 1397, neither shall a man 1397 put 3847 on a woman's 802 garment 8071: for all that do 6213 so 428 [are] abomination 8441unto the LORD (YHVH) 3068 thy God 430.



Strong's H3627 - kĕliy

כְּלִי

Transliteration

kĕliy

Pronunciation

kel·ē' (Key)

Part of Speech

masculine noun

Root Word (Etymology)

From כָּלָה (H3615)

TWOT Reference

982g

Outline of Biblical Usage

1) article, vessel, implement, utensil

  1. a)article, object (general)
  2. b)utensil, implement, apparatus, vessel

1) implement (of hunting or war)

2) implement (of music)

3) implement, tool (of labour)

4) equipment, yoke (of oxen)

5) utensils, furniture

  1. c)vessel, receptacle (general)
  2. d)vessels (boats) of paper-reed

Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 325

AV — vessel 166, instrument 39, weapon 21, jewel 21, armourbearer + 05375 18, stuff 14, thing 11, armour 10, furniture 7, carriage 3, bag 2, misc 13

Gesenius's Lexicon (Help)

Mag ik Oordelen?

Deze vraag is er een die vele christenen in verlegenheid brengt. Een zorgvuldige en opengeestige studie van de Bijbel maakt het duidelijk dat over bepaalde vitale zaken het niet alleen juist is maar ook een positieve plicht is om te oordelen. Velen weten niet dat de Schrift ons beveelt te oordelen. De Heer Jezus Christus beval: "oordeelt een rechtvaardig oordeel" (Joh 7:24). Hij zei tot een man: "Gij hebt recht geoordeeld" (Luk 7:43). Aan anderen vroeg onze Heer: "En waarom oordeelt gij ook van uzelf niet, wat recht is?" (Luk 12:57).

De apostel Paulus schreef: "Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt [krinate] gij, hetgeen ik zeg" (1Kor 10:15). En opnieuw: "Doch de geestelijke [mens] onderscheidt [anakrinei] wel alle dingen, maar hij zelf wordt door niemand onderscheiden [anakrinetai]" (1Kor 2:15)1. 

Valse leraars en valse leer

"Maar wacht [u] van de valse profeten!" (Matt 7:15) is de waarschuwing en het bevel van onze Heer. Maar hoe kunnen wij ons voor hen "wachten" en hoe kunnen wij weten dat zij "valse profeten" zijn als wij niet oordelen? En wat is de van God gegeven maatstaf waarmee wij moeten oordelen? "Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben" (Jes 8:20). "Aan hun vruchten zult gij hen kennen" (Matt 7:16) zei Christus. En voor het beoordelen van de "vruchten" moeten wij oordelen door Gods Woord, niet op grond van menselijke redenatie. Vele dingen lijken goed onder menselijke beoordeling maar ze zijn vals in het licht van Gods Woord.

De apostel Paulus berispte gelovigen: "En ik bid u, broeders, neemt acht op hen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij [van ons] geleerd hebt; en wijkt af van hen. Want dezulken dienen onze Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen" (Rom 16:17-18). Dit apostolisch bevel kan niet gehoorzaamd worden wanneer het niet juist is te oordelen. God wenst dat wij Zijn Woord kennen en dat wij daaraan alle leraars en hun leringen toetsen en beoordelen. Noteer ook dat het de valse leraars zijn die "tweedracht" aanrichten, en niet zij die protesteren tegen hun valse leringen. En deze bedriegers dienen Christus niet als zij profeteren "maar "hun buik", of met andere woorden: zij leven er goed van. Paulus zegt: "neemt acht op hen" (teken hen) en "wijkt af van hen" (mijd hen).

"Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan wat onrein is, en Ik zal u aannemen" (2Kor 6:17; lees de verzen 14-18). En "Heb ook een afkeer van dezen" (2Tim 3:5). "En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iedere broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft" (2Thess 3:6). "En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer" (Ef 5:11). "Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan" (Rom 12:9). "Beproeft alle dingen; behoudt het goede" (1Thess 5:21). Het zou onmogelijk zijn deze dringende verzoeken in Gods Woord te gehoorzamen indien wij niet het recht hadden om te oordelen! En onthou: niets is "goed" in Gods ogen wat niet waar is in Zijn Woord.

De apostel Johannes schreef: "Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft [= test, beoordeel] de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld" (1Joh 4:1). En opnieuw schreef hij: "Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. … Indien iemand tot u komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Wees gegroet. Want die tot hem zegt: Wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken" (2Joh 7, 10-11). Deze Schriftplaats beveelt ons predikers te beoordelen of zij al dan niet de ware leer brengen over Christus.

Wanneer een kind van God bijdraagt aan een kerkelijk budget dat ondersteuning biedt aan modernistische (liberaal, geest van compromis) missionarissen of leraren, dan staat hij op grond van deze schriftplaats schuldig voor God, de schuld van hen te "ontvangen" en te zeggen: "wees gegroet", op de meest effectieve manier. Daardoor komt hij met hen in de "gemeenschap aan hun boze werken", namelijk het verbreiden van zielen-verdoemend vergif! Hoe verschrikkelijk maar waar! Wek u op, kinderen van God. Als u schuldig bent, vraag God u te vergeven en te helpen om nooit meer schuldig te zijn aan het bloed van zielen voor wie Christus stierf. Indien wij bereid zijn voor Christus te lijden, dan willen we gaarne de waarheid zien van Gods Woord over deze ontzettend belangrijke kwestie. "Indien wij verdragen, wij zullen ook met [Hem] heersen" (2Tim 2:12).

Misbegrepen en fout gebruik van de Schrift

Een van de best gekende, meest misbegrepen en verkeerd toegepaste Schriftplaatsen is Mattheüs 7:1: "Oordeelt niet". Laat ons deze passage eens onderzoeken:

"Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden. 3 En wat ziet gij de splinter, die in het oog van uw broeder is, maar de balk, die in uw oog is, merkt gij niet? 4 Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik de splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5 Gij geveinsde! werp eerst de balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om de splinter uit het oog van uw broeder uit te doen" (Matt 7:1-5).

Lees deze tekst nog eens zorgvuldig door. Merk op dat deze woorden gericht zijn aan een hypocriet, niet aan hen die oprecht willen onderscheiden of een leraar of leer, waar is of vals volgens Gods Woord. En in plaats van een verbod tegen eerlijk oordelen is dit een ernstige waarschuwing tegen hypocriet oordelen. In feite beveelt het laatste deel van deze schriftplaats juist een oprecht oordeel aan: "dan zult gij bezien, om de splinter uit het oog van uw broeder uit te doen". Als wij een vers apart nemen, of een gedeelte daarvan, dan kunnen wij Gods Woord het tegenovergestelde doen zeggen van wat het in werkelijkheid leert. En zij die dit doen kunnen niet ontsnappen aan Gods oordeel over degenen die Zijn Woord verdraaien (2Petr 3:16). Laat dit voor ons een waarschuwing zijn om nooit nog een Schriftplaats uit zijn context te halen!

Velen die uit de context vroom citeren "oordeel niet" om dat wat Schriftuurlijk vals is te verdedigen, zien hun eigen tegenstrijdigheid niet, en ook niet dat zij daardoor anderen oordelen die Gods Woord wensen te gehoorzamen over het oordelen van wat vals is. Het is tragisch te zien hoeveel onbijbelse leringen werden toegelaten via het misbruik van deze Schriftplaats. De reden waarom de belijdende kerk van Christus vandaag zo ondermijnd is en verlamd door het satanisch modernisme is omdat christenen de geboden van Gods Woord niet gehoorzaamd hebben om te oordelen, weg te doen en zich af te scheiden van valse leraars en leringen, toen deze voor het eerst opdoken in hun midden. Uw fysische gezondheid wordt behouden door u af te schermen tegen ziektekiemen - uw geestelijke gezondheid wordt behouden door u af te scheiden van de kiemen van valse leringen. Het grootste gevaar in onze tijd is niet te veel oordelen, maar het te weinig oordelen van geestelijke valsheid.

God wil dat Zijn kinderen zijn zoals de nobele Bereeërs "die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren" (Hand 17:11).

Ook Romeinen 2:1-3 is gericht aan de religieuze hypocrieten die zelf de dingen deden die ze bij anderen veroordeelden. Jakobus 4:11-12 behandelt het kwaadspreken over broeders, niet het beoordelen of leraars en leringen al dan niet met Gods Woord in overeenstemming zijn. De Bijbel spreekt zichzelf nooit tegen. Om een deel van de Schrift te begrijpen moeten we het bekijken in het licht van de hele Schrift. "Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen [= geïsoleerde] uitlegging" (2Petr 1:20). "Geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende2" (1Kor 2:13).

De gelijkenis van det onkruid en de tarwe in Matt 13:24-30, 36-43 wordt dikwijls verkeerd begrepen. Eerst en vooral spreekt de Heer over de wereld, niet Zijn Kerk: "de akker is de wereld" (13:38). Hij zegt verder "het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk; en het onkruid zijn de kinderen van de boze" (13:38). Zij zijn de twee groepen in de wereld; kinderen van God - zij die Christus ontvangen hebben (Joh 1:12), en de kinderen van de boze - zij die Christus afwijzen (Joh 8:44). Wanneer echter iemand van de "kinderen van de boze" in de kerk van Christus komt, zoals zij altijd gedaan hebben, dan is er een besliste procedure in Gods Woord voor Gods kinderen: het is hun plicht om hen te zeggen dat zij "geen deel noch lot" hebben in Christus (zie Hand 8:21-23 en de context).

Indien de kinderen van de duivel niet vrijwillig vertrekken, zoals dit meestal het geval is, worden Gods kinderen geboden de ongelovigen als oud zuurdeeg weg te ruimen: "Zuivert3 dan de oude zuurdesem uit" (1Kor 5:7). Maar Gods volk is Zijn Woord hierover niet gehoorzaam geweest, en zodoende hebben ongelovigen (en ongehoorzame broeders - 2Thess 3:6, 14-15!) de teugels in handen, zoals dit nu het geval is in de meeste denominaties. Daarom, zij die eerlijk willen staan tegenover Christus en Zijn Woord, worden opgeroepen: "gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere" (2Kor 6:17), ongeacht wat de consequenties daarvan zijn.

Andere dingen die geoordeeld moeten worden

Het onzedelijk gedrag van praktiserende christenen moet geoordeeld worden. 1Kor 5 brengt een spijtig verhaal dat besluit met het volgende apostolische bevel: "Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit u weg" (1Kor 5:13).

Disputen onder christenen over "de zaken, die dit leven aangaan" (1Kor 6:3) zouden beoordeeld moeten worden door een tribunaal van christenvrienden, in plaats van naar ongelovigen te gaan in burgerlijke rechtbanken. Het hele zesde hoofdstuk van 1 Korinthiërs maakt hierover Gods plan duidelijk voor Zijn volk. En enkele verrassende waarheden worden hier geopenbaard: 1. "Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen?" en 2. "Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen?" Geliefden, staan wij God wel toe om ons voor die hoge plaats voor te bereiden?

Wij moeten onszelf oordelen. "Onderzoekt uzelf, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf" (2Kor 13:5). "Want indien wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden" (1Kor 11:31-32). Wat een verandering en wat een zegen zou het zijn indien wij onze eigen fouten even onbarmhartig zouden oordelen als die van anderen - en indien we de fouten bij anderen even onbarmhartig zouden oordelen als die van ons! En christenen zouden zichzelf veel tuchtiging van de Heer besparen indien zij hun ongehoorzaamheid zouden oordelen en bekennen zouden tegenover God. En, O, hoeveel oneer en onvruchtbaarheid zou onze gezegende Heer worden bespaard!

Beperkingen bij menselijk oordeel

Niet oordelen over dingen waarover de Bijbel niet direct spreekt. God verbiedt ons onze broeders te oordelen over het eten van bepaalde soorten voedsel, het houden van bepaalde dagen, enz. Schriftplaatsen als Rom 14, 1Kor 10:23-33 en Kol 2:16-17 handelen over dit onderwerp.

Geen beweegredenen oordelen. Zie 1Kor 4:1-5. Enkel God kan in de harten kijken en Hij alleen kent de motieven die achter handelingen staan.

Niet oordelen over wie gered is of niet. "De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn" (2Tim 2:19). Wij kunnen niet in iemands hart kijken en zeggen dat iemand al dan niet de Heer Jezus heeft aangenomen als zijn persoonlijke Redder, indien zij beweren dat zij dat gedaan hebben. Maar we kunnen beter collectief onszelf toetsen aan 2Kor 5:17: "Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden". Als deze verandering niet heeft plaatsgehad, dan is onze belijdenis ijdel.

Twee elementen in "oordeel"

Het nieuwtestamentische Griekse woord dat het meest wordt vertaald met "oordeel" is "krinoo". Van de ene kant betekent dit: onderscheiden, (be)oordelen, onderzoeken, in vraag stellen. Dat is wat God vraagt Zijn kinderen te doen, om uit te maken of de leer van predikers en leraars al dan niet overeenkomt met Gods Woord. De apostel Paulus schrijft: "En dit bid ik [God], dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen [Gr. aisthèsei: waarneming; KJV: judgment]; Opdat gij beproeft de dingen, die [daarvan] verschillen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot de dag van Christus" (Fil 1:9-10). Een fout idee over liefde en een gebrek aan kennis en oordeelsvermogen maakt dat Gods volk vaak akkoord gaat met dingen die alles behalve goed zijn in Gods ogen. De brief aan de Hebreeën zegt ons dat volwassen gelovigen, de "volmaakten4", degenen zijn "die door de gewenning de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide van het goede en van het kwade" (zie Hebr 5:11-14).

Van de andere kant betekent het Griekse woord "krinoo" ook "veroordelen" tot een vonnis en straf. Dit is niet voor de mens maar het voorrecht van God, want Hij zegt: "Mij [komt] de wraak [toe]; Ik zal het vergelden" (Rom 12:19).

Hoed u voor een foute attitude

Christenen moeten zich hoeden tegen de neiging van het vlees om een kritische en bedillerige houding aan te nemen tegen hen die onze meningen niet delen overe andere materies dan de Bijbelse leer en moreel gedrag. Eerder dan onze broeders in Christus "af te kammen" op fouten, is het ons voorrecht en onze plicht om alles te doen wat we kunnen om elkaars geestelijke opbouw te stimuleren. Wij horen lief te hebben, voor elkaar te bidden en daarbij toe te zien dat wij niet zelf verzocht worden (Gal 6:1).

Een slotwoord

Beste lezer, indien u gered bent, laat ons dan het volgende niet vergeten: "Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, hetgeen door het lichaam [geschiedt], naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad" (2Kor 5:10). Het zal goed gaan met hen die Gods Woord bestuderen en wandelen in het licht daarvan, en die leven voor Christus en de redding van zielen. Het zal slecht gaan voor degenen die Christus hebben aangenomen maar die leven voor de dingen van deze wereld. Indien u louter een belijder bent van Christus, of helemaal niets belijdt, mag ik er u dan liefdevol aan herinneren dat het de tijd is "dat het oordeel begint van het huis Gods; en indien het eerst van ons [begint], welk zal het einde zijn van hen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?" (1Petr 4:17).

Stel het geen ogenblik meer uit om God, ter wille van Christus, uw zonden te vergeven. Geef uw hart en wil over aan de liefhebbende Redder die voor u stierf en weer opstond. Maak Hem de Heer van uw leven. Gelukkig en gezegend zult u zijn, nu en voor eeuwig.

- door Franklin C. Buling, MA

______________________________"Er bestaat een gevaar om te vervallen in een zacht en verwijfd christendom, onder het mom van een verheven en etherische theologie. Het christendom werd geboren voor lijdzaamheid; niet een exotische maar een geharde plant, diep verankerd door de felle wind; niet slap, noch kinderachtig, noch laf. Het gaat met sterke schreden en opgericht gestel; het is vriendelijk, maar vastberaden; het is zacht, maar eerlijk; het is kalm, maar niet meegaand; gedienstig, maar niet imbeciel; beslist, maar niet lomp. Het is niet bang het harde woord te spreken van de veroordeling tegen dwaling, noch zijn stem te verheffen tegen het omgevende kwaad onder het voorwendsel dat dit toch maar van de wereld is; het deinst niet terug voor het geven van een eerlijke berisping en vreest daarbij niet de beschuldiging van onchristelijk te handelen. Het noemt zonde zonde, bij wie die ook mocht gevonden worden, en riskeert liever de beschuldiging van gedreven te zijn door een slechte geest dan zijn plicht niet te doen. Laten we strenge woorden niet fout beoordelen in een eerlijk dispuut. Vanuit de hitte kan een adder komen, maar we schudden hem af en voelen geen letsel. De godsdienst van het Oude en het Nieuwe Testament is gekenmerkt door fervente, uitgesproken verklaringen tegen het kwade. Het spreken van zachte dingen in zulk geval kan sentimentaliteit genoemd worden, maar het is geen christendom. Het is een verraad van de zaak van de waarheid en de rechtschapenheid. Iemand die beslist, mannelijk, eerlijk en opgewekt is (niet bot of ruw, want een christen moet hoffelijk zijn en beleefd), die is het die heeft geproefd dat de Heer goedgunstig is, en hij verlangt een verhaasting van de komst van Gods dag. Ik besef dat liefde een menigte van zonden bedekt, maar het noemt niet het kwade goed, louter omdat een respectabel mens dat kwade heeft begaan; het verontschuldigt geen tegenstrijdigheden, louter omdat de tegenstrijdige broeder een belangrijke naam heeft en een vurige geest; oneerlijkheid en wereldsgezindheid blijven oneerlijkheid een wereldsgezindheid, ook al wordt die gezien in iemand die blijk geeft over geen algemene ontwikkeling te beschikken".

HORATIUS BONAR (1808-1889) 

http://www.fundamentalbiblechurch.org/Tracts/fbcjudge.htm

 

Eindnoten

  1. 1.  Het Griekse grondwoord is overal krinoo: onderscheiden, (be)(ver)oordelen. De KJV en NBG geven "oordelen".
    2.  Gr.sugkrinoo: verbinden, vergelijken, verklaren, beoordelen. KJV: comparing. NBG: vergelijken.
    3.  Gr. ekkathairoo: wegruimen.
    4.  Gr. teleión: voltooiden; KJV: full age; Hebr 5:14.


Ex 8,19
Toen zeiden de tovenaars tot Faraö: Dit is Gods vinger! Doch Faraö’s hart verstijfde, zodat hij naar hen hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

Ex 31,18
En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.

Deut 9,10
En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en op dezelve, naar al de woorden, die de HEERE op den berg, uit het midden des vuurs, ten dage der verzameling, met ulieden gesproken had.

Mat 23,4
Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.


Luk 11,20
Maar indien Ik (Jezus) door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.

Joh 8,6
En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde.

 

Numeri 15 

Wetten voor verschillende offeranden

Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij gekomen zult zijn in het land uwer woningen, dat Ik u geven zal;

En gij een vuuroffer den HEERE zult doen, een brandoffer, of slachtoffer, om af te zonderen een gelofte, of in een vrijwillig offer, of in uw gezette hoogtijden, om den HEERE een liefelijken reuk te maken, van runderen of van klein vee;

Zo zal hij, die zijn offerande den HEERE offert, een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie.

En wijn ten drankoffer, een vierendeel van een hin, zult gij bereiden tot een brandoffer of tot een slachtoffer, voor een lam.

Of voor een ram zult gij een spijsoffer bereiden, van twee tienden meelbloem, gemengd met olie, een derde deel van een hin.

En wijn ten drankoffer, een derde deel van een hin, zult gij offeren tot een liefelijken reuk den HEERE.

En wanneer gij een jong rund zult bereiden tot een brandoffer of een slachtoffer, om een gelofte af te zonderen, of ten dankoffer den HEERE;

Zo zal hij tot een jong rund offeren een spijsoffer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin.

10 En wijn zult gij offeren ten drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den HEERE.

11 Alzo zal gedaan worden met den enen os, of met den enen ram, of met het klein vee, van de lammeren, of van de geiten.

12 Naar het getal, dat gij bereiden zult, zult gij alzo doen met elkeen, naar hun getal.

13 Alle inboorling zal deze dingen alzo doen, offerende een vuuroffer tot een liefelijken reuk den HEERE.

14 Wanneer ook een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, of die in het midden van u is, in uw geslachten, en hij een vuuroffer zal bereiden tot een liefelijken reuk den HEERE; gelijk als gij zult doen, alzo zal hij doen.

15 Gij, gemeente, het zij ulieden en den vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, enerlei inzetting: ter eeuwige inzetting bij uw geslachten, gelijk gijlieden, alzo zal de vreemdeling voor des HEEREN aangezicht zijn.

16 Enerlei wet en enerlei recht zal ulieden zijn, en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert.

17 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

18 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als gij zult gekomen zijn in het land, waarheen Ik u inbrengen zal,

19 Zo zal het geschieden, als gij van het brood des lands zult eten, dan zult gij den HEERE een hefoffer offeren.

20 De eerstelingen uws deegs, een koek zult gij tot een hefoffer offeren; gelijk het hefoffer des dorsvloers zult gij dat offeren.

21 Van de eerstelingen uws deegs zult gij den HEERE een hefoffer geven, bij uw geslachten.

22 Voorts wanneer gijlieden afgedwaald zult zijn, en niet gedaan hebben al deze geboden, die de HEERE tot Mozes gesproken heeft;

23 Alles, wat u de HEERE door de hand van Mozes geboden heeft; van dien dag af, dat het de HEERE geboden heeft, en voortaan bij uw geslachten;

24 Zo zal het geschieden, indien iets bij dwaling gedaan, en voor de ogen der vergadering verborgen is, dat de ganse vergadering een var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer, tot een liefelijken reuk den HEERE, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en een geitenbok ten zondoffer.

25 En de priester zal de verzoening doen voor de ganse vergadering van de kinderen Israëls, en het zal hun vergeven worden; want het was een afdwaling, en zij hebben hun offerande gebracht, een vuuroffer den HEERE, en hun zondoffer, voor het aangezicht des HEEREN, over hun afdwaling.

26 Het zal dan aan de ganse vergadering der kinderen Israëls vergeven worden, ook den vreemdeling, die in het midden van henlieden als vreemdeling verkeert; want het is het ganse volk door dwaling overkomen.

27 En indien een ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal een eenjarige geit ten zondoffer offeren.

28 En de priester zal de verzoening doen over de dwalende ziel, als zij gezondigd heeft door afdwaling, voor het aangezicht des HEEREN, doende de verzoening over haar; en het zal haar vergeven worden.

29 Den inboorling der kinderen Israëls, en den vreemdeling, die in hunlieder midden als vreemdeling verkeert, enerlei wet zal ulieden zijn, dengene, die het door afdwaling doet.

30 Maar de ziel, die iets zal gedaan hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt den HEERE; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk;

31 Want zij heeft het woord des HEEREN veracht en Zijn gebod vernietigd; diezelve ziel zal ganselijk uitgeroeid worden; haar ongerechtigheid is op haar.

De sabbatschender gestraft

32 Als nu de kinderen Israëls in de woestijn waren, zo vonden zij een man, hout lezende op den sabbatdag.

33 En die hem vonden, hout lezende, brachten hem tot Mozes, en tot Aäron, en tot de ganse vergadering.

34 En zij stelden hem in bewaring; want het was niet verklaard, wat hem gedaan zou worden.

35 Zo zeide de HEERE tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem met stenen stenigen buiten het leger.

36 Toen bracht hem de ganse vergadering uit tot buiten het leger, en zij stenigden hem met stenen, dat hij stierf, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Bevel om een teken aan de klederen te dragen

37 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

38 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken hunner klederen, bij hun geslachten; en op de snoertjes des hoeks zullen zij een hemelsblauwen draad zetten.

39 En hij zal ulieden aan de snoertjes zijn, opdat gij het aanziet, en aan al de geboden des HEEREN gedenkt, en die doet; en gij zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die gij zijt nahoererende;

40 Opdat gij gedenkt en doet al Mijn geboden, en uw God heilig zijt.

41 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, om u tot een God te zijn; Ik ben de HEERE, uw God!

 

 

NUMERI (1,1-36,13)

Telling der stammen (1,1-54)

Legering der stammen (2,1-34)

Telling der Levieten (3,1-51)

Ambtsverdeling der Levieten (4,1-49)

Wegzending der onreinen (5,1-4)

Wetten over ontvreemding (5,5-10)

Wetten over de ijverzucht (5,11-31)

Wet van het nazireeërschap (6,1-21)

De priesterlijke zegen (6,22-27)

Offeranden der oversten bij de inwijding des tabernakels (7,1-89)

Wetten over het aansteken der lampen (8,1-4)

Inwijding der Levieten (8,5-26)

Het pascha in de woestijn van Sinaď (9,1-5)

Verandering van den wettigen tijd (9,6-14)

De wolk- en vuurkolom boven den tabernakel (9,15-23)

De twee zilveren trompetten (10,1-10)

Israëls vertrek uit de woestijn Sinaď (10,11-36)

Het volk mort en wordt gestraft (11,1-3)

De Israëlieten morren (11,4-15)

Verkiezing der zeventig oudsten (11,16-25)

Eldad en Medad (11,26-30)

God zendt den Israëlieten een menigte kwakkelen (11,31-35)

Mirjam en Aäron morren tegen Mozes (12,1-9)

Mirjam gestraft met melaatsheid (12,10-16)

Bevel om twaalf verspieders te zenden (13,1-33)

Het morrende volk gestraft (14,1-45)

Wetten voor verschillende offeranden (15,1-31)

De sabbatschender gestraft (15,32-36)

Bevel om een teken aan de klederen te dragen (15,37-41)

Het oproer van Korach, Dathan en Abíram tegen Mozes en Aäron (16,1-50)

De staf van Aäron (17,1-13)

Plichten en rechten van priesters en Levieten (18,1-32)

De verbrande rode koe en het water der ontzondiging (19,1-22)

Dood van Mirjam (20,1-1)

De wateren van Meriba (20,2-13)

De Edomieten weigeren Mozes den doortocht (20,14-21)

Aärons dood (20,22-29)

De koperen slang (21,1-9)

Verscheidene tochten van het volk Israëls (21,10-23)

Israël slaat Sihon en Og (21,24-35)

Balak roept Bíleam (22,1-41)

Bíleam zegent Israël (23,1-30)

Bíleam zegent Israël nogmaals (24,1-25)

De Israëlieten plegen te Sittim ontucht en afgoderij (25,1-18)

Telling van de strijdbare Israëlieten (26,1-65)

Wet van het recht der erve (27,1-11)

Jozua als opvolger van Mozes aangewezen (27,12-23)

Wetten voor de dagelijkse offeranden (28,1-8)

Wetten voor het sabbatoffer en voor de nieuwe maand (28,9-15)

Wetten voor de feesttijden (28,16-31)

De offers in de zevende maand (29,1-40)

Wetten der geloften (30,1-16)

Strijd van de Israëlieten tegen de Midianieten (31,1-54)

Ruben en Gad verzoeken hun erfdeel (32,1-42)

Verhaal der reizen en legerplaatsen der kinderen Israëls, van Egypte af tot aan het land Kanaän (33,1-56)

De grenzen van Kanaän (34,1-12)

Verdeling van het land (34,13-15)

Benoeming van hen, die het land verdelen zullen (34,16-29)

De steden aan de Levieten in te ruimen, en de zes vrijsteden (35,1-34)

Huwelijksverbod aan erfdochters buiten haar stam (36,1-13)

 

DEUTERONOMIUM (1,1-34,12)

Kort verhaal van hetgeen Israël bejegend is in de woestijn (1,1-3,29)

Mozes vermaant het volk tot onderhouding van Gods geboden (4,1-40)

Drie vrijsteden verordend (4,41-43)

Herhaling van de wet der tien geboden (4,44-5,33)

Bevel om Gods geboden te bewaren (6,1-25)

Hoe Israël zich moest houden jegens de Kanaänieten (7,1-26)

Israël tot gehoorzaamheid vermaand (8,1-20)

Waarschuwing aan Israël tot ootmoedigheid (9,1-29)

De nieuwe stenen tafelen (10,1-7)

De ark des verbonds (10,8-11)

Vermaning God te dienen (10,12-22)

Mozes vermaant Israël opnieuw Gods geboden te onderhouden (11,1-32)

Bevel aangaande den waren godsdienst (12,1-32)

Waarschuwing tegen valse profeten (13,1-18)

Van reine en onreine dieren (14,1-21)

Het gebruik der tienden (14,22-29)

Van het vrijheidsjaar (15,1-6)

Bezorgen der armen (15,7-18)

Heiliging der eerstgeborenen van het vee (15,19-23)

Het vieren der hoge feesten (16,1-17)

Over rechters en ambtlieden (16,18-22)

Welk offervee God mishaagt (17,1-7)

Aanwijzing voor de opperste rechtspraak (17,8-13)

De verkiezing van een koning en diens plichten (17,14-20)

Erfdeel en recht der priesters (18,1-8)

Verbod tegen waarzeggerij (18,9-14)

Belofte van een groot Profeet (18,15-22)

Drie vrijsteden in Kanaän (19,1-13)

Verbod tot het verzetten der landpalen (19,14-14)

Straf voor valse getuigenis (19,15-21)

Krijgswetten (20,1-20)

Doodslag door onbekenden (21,1-9)

Over vrouwen in krijgsgevangenschap (21,10-14)

Het recht van den eerstgeborene (21,15-17)

De wederspannige zoon (21,18-21)

Begrafenis van ter dood gebrachten (21,22-23)

Verschillende wetten over plichten jegens mens en dier (22,1-12)

Bescherming van beschuldigde vrouwen (22,13-21)

Ongeoorloofde betrekkingen (22,22-30)

Wie in de vergadering des HEEREN niet mochten komen (23,1-8)

Reinheid der legerplaats (23,9-14)

Verschillende voorschriften (23,15-25)

Over echtscheiding (24,1-4)

Voorrechten van den jonggehuwde (24,5-5)

Verschillende voorschriften (24,6-16)

Over weduwen, wezen en den vreemdeling (24,17-22)

Over lijfstraffen (25,1-4)

Het huwelijk met den schoonbroeder (25,5-12)

Maten en gewichten (25,13-16)

Gebod tot uitroeiing der Amalekieten (25,17-19)

Offer der eerstelingen (26,1-11)

Over de driejarige tienden (26,12-19)

Oprichting van gedenkstenen (27,1-26)

Zegeningen en vervloekingen (28,1-68)

Vernieuwing van Gods verbond (29,1-29)

Beloften van verlossing (30,1-20)

Jozua volgt Mozes op (31,1-8)

Voorschriften voor het bewaren en voorlezen der wet (31,9-13)

De afval van Israël aangekondigd (31,14-29)

Het lied van Mozes (31,30-32,52)

Mozes zegent de twaalf stammen (33,1-29)

Mozes' dood (34,1-12)

 

1 De Levietische priesteren, de ganse stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers des HEEREN en zijn erfdeel zullen zij eten.
2 Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.
3 Dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij den priester zal geven den schouder, en beide kinnebakken, en de pens.
4 De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij hem geven;
5 Want de HEERE, uw God, heeft hem uit al uw stammen verkoren, dat hij sta, om te dienen in den Naam des HEEREN, hij en zijn zonen, te allen dage.
6 Voorts wanneer een Leviet zal komen uit een uwer poorten, uit gans Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziel, tot de plaats, die de HEERE zal hebben verkoren;
7 En hij dienen zal in den Naam des HEEREN, zijns Gods, als al zijn broederen, de Levieten, die aldaar voor het aangezicht des HEEREN staan;
8 Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaderen.
9 Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken.
10 Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.
11 Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.
12 Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.
13 Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God.
14 Want deze volken, die gij zult erven, horen naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, de HEERE, uw God, heeft u zulks niet toegelaten.
15 Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;
16 Naar alles, wat gij van den HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem des HEEREN, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.
17 Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.
18 Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.
19 En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken.
20 Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.
21 Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft?
22 Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.1 Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israëls!
2 Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
3 Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.
4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.
5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
6 Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.
7 Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.
8 In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.
10 Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
11 (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)
12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
14 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
15 IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
16 Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
17 Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!
18 Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.
19 O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!
20 Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.
21 Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.
22 Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.
23 Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
24 Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
25 Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
1 Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israëls!
2 Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
3 Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.
4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.
5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
6 Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.
7 Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.
8 In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.
10 Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
11 (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)
12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
14 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
15 IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
16 Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
17 Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!
18 Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.
19 O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!
20 Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.
21 Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.
22 Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.
23 Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
24 Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
25 Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.And thou shalt eat before the LORD thy God, in the place which he shall choose to place his name there, the tithe of thy corn, of thy wine, and of thine oil, and the firstlings of thy herds and of thy flocks; that thou mayest learn to fear the LORD thy God always.And thou shalt eat before the LORD thy God, in the place which he shall choose to place his name there, the tithe of thy corn, of thy wine, and of thine oil, and the firstlings of thy herds and of thy flocks; that thou mayest learn to fear the LORD thy God always.https://monsanto.com/innovations/biotech-gmos/

 

Source: https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Burgerlijk_Wetboek_(Nederland)

 

 

 

Prepper Nurse

Source: https://www.youtube.com/channel/UCcXgySSIBw4CBdJfT8PAbMQ

 

MARRIAGE

Numbers 30:
1 And Moses spake unto the heads of the tribes concerning the children of Israel, saying, This is the thing which the LORD hath commanded.
2 If a man vow a vow unto the LORD, or swear an oath to bind his soul with a bond; he shall not break his word, he shall do according to all that proceedeth out of his mouth.
3 If a woman also vow a vow unto the LORD, and bind herself by a bond, being in her father's house in her youth;
4 And her father hear her vow, and her bond wherewith she hath bound her soul, and her father shall hold his peace at her: then all her vows shall stand, and every bond wherewith she hath bound her soul shall stand.
5 But if her father disallow her in the day that he heareth; not any of her vows, or of her bonds wherewith she hath bound her soul, shall stand: and the LORD shall forgive her, because her father disallowed her.
6 And if she had at all an husband, when she vowed, or uttered ought out of her lips, wherewith she bound her soul;
7 And her husband heard it, and held his peace at her in the day that he heard it: then her vows shall stand, and her bonds wherewith she bound her soul shall stand.
8 But if her husband disallowed her on the day that he heard it; then he shall make her vow which she vowed, and that which she uttered with her lips, wherewith she bound her soul, of none effect: and the LORD shall forgive her.
9 But every vow of a widow, and of her that is divorced, wherewith they have bound their souls, shall stand against her.
10 And if she vowed in her husband's house, or bound her soul by a bond with an oath;
11 And her husband heard it, and held his peace at her, and disallowed her not: then all her vows shall stand, and every bond wherewith she bound her soul shall stand.
12 But if her husband hath utterly made them void on the day he heard them; then whatsoever proceeded out of her lips concerning her vows, or concerning the bond of her soul, shall not stand: her husband hath made them void; and the LORD shall forgive her.
13 Every vow, and every binding oath to afflict the soul, her husband may establish it, or her husband may make it void.
14 But if her husband altogether hold his peace at her from day to day; then he establisheth all her vows, or all her bonds, which are upon her: he confirmeth them, because he held his peace at her in the day that he heard them.
15 But if he shall any ways make them void after that he hath heard them; then he shall bear her iniquity.
16 These are the statutes, which the LORD commanded Moses, between a man and his wife, between the father and his daughter, being yet in her youth in her father's house.

 

Matthew 5:

32 But I say unto you, That whosoever shall put away his wife, saving for the cause of fornication, causeth her to commit adultery: and whosoever shall marry her that is divorced committeth adultery.

 

Leviticus 22:
13 But if she becomes a widow or is divorced and has no children to support her, and she returns to live in her father's home as in her youth, she may eat her father's food again. Otherwise, no one outside a priest's family may eat the sacred offerings.

 

1Timothy 5:
1 Never speak harshly to an older man, but appeal to him respectfully as you would to your own father. Talk to younger men as you would to your own brothers.
2 Treat older women as you would your mother, and treat younger women with all purity as you would your own sisters.
3 Take care of any widow who has no one else to care for her.
4 But if she has children or grandchildren, their first responsibility is to show godliness at home and repay their parents by taking care of them. This is something that pleases God.
5 Now a true widow, a woman who is truly alone in this world, has placed her hope in God. She prays night and day, asking God for his help.
6 But the widow who lives only for pleasure is spiritually dead even while she lives.
7 Give these instructions to the church so that no one will be open to criticism.
8 But those who won’t care for their relatives, especially those in their own household, have denied the true faith. Such people are worse than unbelievers.
9 A widow who is put on the list for support must be a woman who is at least sixty years old and was faithful to her husband.
10 She must be well respected by everyone because of the good she has done. Has she brought up her children well? Has she been kind to strangers and served other believers humbly? Has she helped those who are in trouble? Has she always been ready to do good?
11 The younger widows should not be on the list, because their physical desires will overpower their devotion to Christ and they will want to remarry.
12 Then they would be guilty of breaking their previous pledge.
13 And if they are on the list, they will learn to be lazy and will spend their time gossiping from house to house, meddling in other people’s business and talking about things they shouldn’t.
14 So I advise these younger widows to marry again, have children, and take care of their own homes. Then the enemy will not be able to say anything against them.
15 For I am afraid that some of them have already gone astray and now follow Satan.
16 If a woman who is a believer has relatives who are widows, she must take care of them and not put the responsibility on the church. Then the church can care for the widows who are truly alone.
17 Elders who do their work well should be respected and paid well, especially those who work hard at both preaching and teaching.
18 For the Scripture says, “You must not muzzle an ox to keep it from eating as it treads out the grain.” And in another place, “Those who work deserve their pay!”
19 Do not listen to an accusation against an elder unless it is confirmed by two or three witnesses.
20 Those who sin should be reprimanded in front of the whole church; this will serve as a strong warning to others.
21 I solemnly command you in the presence of God and Christ Jesus and the highest angels to obey these instructions without taking sides or showing favoritism to anyone.
22 Never be in a hurry about appointing a church leader. Do not share in the sins of others. Keep yourself pure.
23 Don’t drink only water. You ought to drink a little wine for the sake of your stomach because you are sick so often.
24 Remember, the sins of some people are obvious, leading them to certain judgment. But there are others whose sins will not be revealed until later.
25 In the same way, the good deeds of some people are obvious. And the good deeds done in secret will someday come to light.

 

Exodus 22:

22 “You must not exploit a widow or an orphan.
23 If you exploit them in any way and they cry out to me, then I will certainly hear their cry.
24 My anger will blaze against you, and I will kill you with the sword. Then your wives will be widows and your children fatherless.

 

Deuteronomy 22:
19 They must also fine him 100 pieces of silver, which he must pay to the woman's father because he publicly accused a virgin of Israel of shameful conduct. The woman will then remain the man's wife, and he may never divorce her.
29 he must pay her father fifty pieces of silver.[fn] Then he must marry the young woman because he violated her, and he may never divorce her as long as he lives.

 

Deuteronomy 24:
1 “Suppose a man marries a woman but she does not please him. Having discovered something wrong with her, he writes her a letter of divorce, hands it to her, and sends her away from his house.


Ezra 10:
3 Let us now make a covenant with our God to divorce our pagan wives and to send them away with their children. We will follow the advice given by you and by the others who respect the commands of our God. Let it be done according to the Law of God.
19 They vowed to divorce their wives, and they each acknowledged their guilt by offering a ram as a guilt offering.

 

Malachi 2:
16 “For I hate divorce!” says the LORD, the God of Israel. “To divorce your wife is to overwhelm her with cruelty,” says the LORD of Heaven's Armies. “So guard your heart; do not be unfaithful to your wife.”

 

Matthew 5:
31 “You have heard the law that says, ‘A man can divorce his wife by merely giving her a written notice of divorce.'

 

Matthew 19:
3 Some Pharisees came and tried to trap him with this question: “Should a man be allowed to divorce his wife for just any reason?”
7 “Then why did Moses say in the law that a man could give his wife a written notice of divorce and send her away?” they asked.
8 Jesus replied, “Moses permitted divorce only as a concession to your hard hearts, but it was not what God had originally intended.

 

Mark 10:
2 Some Pharisees came and tried to trap him with this question: “Should a man be allowed to divorce his wife?”
3 Jesus answered them with a question: “What did Moses say in the law about divorce?”
4 “Well, he permitted it,” they replied. “He said a man can give his wife a written notice of divorce and send her away.”

 

Lamentations 5:

3 We are orphans and fatherless, our mothers are as widows.

 

Deuteronomy 10:
18 He doth execute the judgment of the fatherless and widow, and loveth the stranger, in giving him food and raiment.

 

Luke 14:
13 But when thou makest a feast, call the poor, the maimed, the lame, the blind:

 

Revelation 3:
17 Because thou sayest, I am rich, and increased with goods, and have need of nothing; and knowest not that thou art wretched, and miserable, and poor, and blind, and naked:

 

James 2:6

5 Hearken, my beloved brethren, Hath not God chosen the poor of this world rich in faith, and heirs of the kingdom which he hath promised to them that love him?

6 But ye have despised the poor. Do not rich men oppress you, and draw you before the judgment seats?

 

 

Deuteronomy 4:
30 When thou art in tribulation, and all these things are come upon thee, even in the latter days, if thou turn to the LORD thy God, and shalt be obedient unto his voice;

31 (For the LORD thy God is a merciful God;) he will not forsake thee, neither destroy thee, nor forget the covenant of thy fathers which he sware unto them.

39 Know therefore this day, and consider it in thine heart, that the LORD he is God in heaven above, and upon the earth beneath: there is none else.

40 Thou shalt keep therefore his statutes, and his commandments, which I command thee this day, that it may go well with thee, and with thy children after thee, and that thou mayest prolong thy days upon the earth, which the LORD thy God giveth thee, for ever.

 

Deuteronomy 30:
1 And it shall come to pass, when all these things are come upon thee, the blessing and the curse, which I have set before thee, and thou shalt call them to mind among all the nations, whither the LORD thy God hath driven thee,

And shalt return unto the LORD thy God, and shalt obey his voice according to all that I command thee this day, thou and thy children, with all thine heart, and with all thy soul;

That then the LORD thy God will turn thy captivity, and have compassion upon thee, and will return and gather thee from all the nations, whither the LORD thy God hath scattered thee.

 

Isaiah 66:
17 They that sanctify themselves, and purify themselves in the gardens behind one tree in the midst, eating swine's flesh, and the abomination, and the mouse, shall be consumed together, saith the LORD.
 
Amos 2:
Thus saith the LORD; For three transgressions of Judah, and for four, I will not turn away the punishment thereof; because they have despised the law of the LORD, and have not kept his commandments, and their lies caused them to err, after the which their fathers have walked:
 
Isaiah 11:
10 And in that day there shall be a root of Jesse, which shall stand for an ensign of the people; to it shall the Gentiles seek: and his rest shall be glorious.

11 And it shall come to pass in that day, that the Lord shall set his hand again the second time to recover the remnant of his people, which shall be left, from Assyria, and from Egypt, and from Pathros, and from Cush, and from Elam, and from Shinar, and from Hamath, and from the islands of the sea.

12 And he shall set up an ensign for the nations, and shall assemble the outcasts of Israel, and gather together the dispersed of Judah from the four corners of the earth.

13 The envy also of Ephraim shall depart, and the adversaries of Judah shall be cut off: Ephraim shall not envy Judah, and Judah shall not vex Ephraim.

14 But they shall fly upon the shoulders of the Philistines toward the west; they shall spoil them of the east together: they shall lay their hand upon Edom and Moab; and the children of Ammon shall obey them.

15 And the LORD shall utterly destroy the tongue of the Egyptian sea; and with his mighty wind shall he shake his hand over the river, and shall smite it in the seven streams, and make men go over dryshod.

16 And there shall be an highway for the remnant of his people, which shall be left, from Assyria; like as it was to Israel in the day that he came up out of the land of Egypt.

The finger of YHWH

Exodus 8:
19 Then the magicians said unto Pharaoh, This is the finger of God: and Pharaoh's heart was hardened, and he hearkened not unto them; as the LORD had said.

 

Exodus 31:
18 And he gave unto Moses, when he had made an end of communing with him upon mount Sinai, two tables of testimony, tables of stone, written with the finger of God.

 

Deuteronomy 9:
10 And the LORD delivered unto me two tables of stone written with the finger of God; and on them was written according to all the words, which the LORD spake with you in the mount out of the midst of the fire in the day of the assembly.

 

Luke 11:
20 But if I with the finger of God cast out devils, no doubt the kingdom of God is come upon you.

 

John 8:

This they said, tempting him, that they might have to accuse him. But Jesus stooped down, and with his finger wrote on the ground, as though he heard them not.

 

Daniel 5:

In the same hour came forth fingers of a man's hand, and wrote over against the candlestick upon the plaister of the wall of the king's palace: and the king saw the part of the hand that wrote.

 

Clay